Historische Vereniging Arnemuiden

Fragment uit Schatkamer der Nederlandsche oudheden....1778

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Fragment uit Schatkamer der Nederlandsche oudheden: of woordenboek, behelzende Nederlands steden en dorpen…..   1778

Door Ludolph Smids, Theodorus van Brussel, Pieter Langendijk

ARNEMUIDEN,- een stad in Zeeland, aan de Arne, een water dat van Middelburg hier in Zee loopt, op 't Eiland Walcheren gelegen. Deeze stad wordt Nieuw Arnemuide genoemd, in tegenstelling van het Oude, dat nu geheel vergaan is. Hetzelve was van eene hooge oudheid, want de oudste geheugenis daar van vindt men in Brieven van de dertiende en veertiende Eeuwe; als in het jaar 1288 vergunde Jan Hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg, aan Graaf Floris voor de Ingezetenen van twee steden die hy voornemens was te bouwen , eene tot Brydorp op het Eiland Schouwen, en eene tot Arnemuide op't Eiland van Walcheren, vryheid van Tollen in alle zyne Landen. En in 't jaar 1370. vergunde Haquin, Koning van Noorwegen, aan die van Arnemuide, veele byzondere Privilegiën. In die Brieven, in de Griffie der Stad, Harderwyk nog overig zynde, wordt Arnemuide, neffens Zierikzee en Middelburg, genoemd onder de Steden van Zeeland.
Dit Oud Arnemuide was niet verre gelegen van de plaats, daar nu het Nieuwe staat; een schoon neringryk en zeer bevaaren Dorp, wel eer, voorzien van een Burgt of Kasteel,. de woonplaats van de Heeren van Arnemuiden , oude en aanzienlyke Ridders in Zeeland, onder welken het eettyds stond. Het heeft zynen naam ontvangen van een water, genaamd de Arne, van Middelburg afloopende, en zynen uitgang by Arnemuiden hebbende, en van het Slot. aldaar getimmerd; want Muid beteekent in de oude Hollandsche en Zeeuwsche, als ook in de Deensche taal, een sterkte, slot of burgt. De goede gelegenheid van het gezeide water, die Middelburg tot een haven, rede, en voorburg strekte, deedt veelen, die zich met scbeepvaart en koopmanschap bezig hielden, zich daar ter neder zetten; waar uit vervolgens een stad gegroeid is. Doch in 't jaar 1438. kreeg oud Arnemuiden een' onherstelbaaren slag door storm en watervloed; de grond en dyk ging door en stortte in, en het zoude met alie Inwooners gedaan geweest zyn, hadt de Grondheer, Gilles van Arnemuiden, de laatste van dien naam en dat goed, dezelven niet doen verhuizen , en hunne wooningen stellen op den dyk, daar nu het Nieuw Arnemuiden gelegen is. Na zulk een val,scheen het als een Fenix uit zyn eigen asch herbooren, en werdt dag aan dag weer volk en neeringryker; zoo dat die van Middelburg daar over jaloers geworden , dien voorspoed vreezende, noodig vonden zich van de Heerlykheid van Arnemuiden meester te maaken en die te koopen; gelyk zy deeden in het jaar 1493, In 't begin der Nederlandsche beroerten werdt Arnemuiden schrikkelyk van de Spanjaards verwoest; want de Arnemuider voegde zich terstond by den Vlissinger, die van Alba was afgevallen; doch dit brak hun kort daar na zuur op. Want de Hertog van Alba zond eenig oud en wel ervaaren krygsvolk in Walcheren, die arnemuiden innaamen, plunderden en verwoesteden. Dit Vlek was toen zo verwoest, geduurende den tyd dat de Spanjaards daarin gelegen hadden, dat 'er niet een huis in was, dat deuren en vensters hadt, dan alleen het huis, daar de Kapitein in gehuisvest was geweest; hebbende de Soldaaten, uit nood, alles verbrand; zoo als wy zei ven gezien hebben zeidt Eman. van Meteren Nederl. Hifi. Folio 98. Doch deeze schade werdt niet lang daar na vergoed door den roemwaardigen Prins van Oranje. Willem I van Nassau, die Arnemuide door zyne gelukkige wapenen van het Spaansch geweld verloste, en in 't jaar 1574 haar rondom met wallen en veilen deedt versterken, en tot de hoogheid van een Burchtstad, of Stad, heeft verheven. Doch sedert dien tyd is de neering en scheepvaart en met haar de stad gantschelyk vervallen en verarmd, door het verloopen van de stroomen, en 't verzanden der haven; want de verzanding is daar aanmerkelyk geworden, toen Wolfaartsdyk af-en de plaat, geheeten Grootkanarien , toenam; dewyl de Ebbe het veergat werdt uit geperst en de droogte voor Arnemuiden dagelyks toenam; te meer om dat men in Vlaanderen verscheiden Polders doorstak, die zoo veel waters verzwolgen , dat de plaat voor Rammekens, afspoelde, en Arnemuiden verdroogde Reigersberg. Chron. p. 7, 8, 19. M. Gargon Walch. Arkad. II Deel. bl. 185 Smallegange Chron. van Zeeland I Deel. IV Boek I Hooft..blads. 597 en eenige volgende. Deezen deerlyken toestand van Arnemuiden beschryfen de geestige pen van den Hr. Rentmr, A. Hofferus. eigenaartig in het volgende Gedicht:

Quondam Armuda fuit statis secura carinis,
Praebuit & fessa commoda tuta rati.
Hinc mare veliferum secuit Neptunia prolet,
Ivit y in cunctas carbasus acta plagas.
Nunc vada & aggestas maris inclementia Syrtes
Fecit & est tellus, nunc ubi fluctus erat.
Vix patet ipsa fibi, qua sapius aequora fandii,
Clasius,& casus plurat acerba fuos. .
Fortunam reverenter babe; revolubilis illa est,
Prospera flebilibus mutat, iniqua bonis.
Nulla beat semper felices gloria portus,
Perdere. quos ventus, fluctus, arena potest.

Het lust myne Zangster hem dus na te deunen:

Armuiden was wel eer een Haven zonder klip
Of bank, gaf veiligheid aan 't afgematte scbip.
Van hier voer 't Zeevolk af, met menigte van zeilen,
Naar allerly Gewest; deedt tochten veeler mylen.
Nu beeft de norsche Zee den grond zoo zeer verhoogd.
Dat, daar eerst water was, nu land is en een droogt'.
Die eertyds plagt de Zee te ontsluiten met haar Vlooten,
Is nu byna geheel en al voor zich geslooten,
En treurt om 't harde lot. 't Geluk is wankelbaar,
Verwisselt droef en bly staag beurtlings met elkaar.
Geen haven zoo beroemd, die voorspoed heeft ten erven,'
Als wind en vloed, en stroom, en zand haar kan bederven:

Men heeft verscheide middelen aangewend om eene kil by Arnemuiden te houden; gelyk in't jaar 1615, 1616 en 1617, wanneer men door de Lemmer eene kil gegraaven heeft; ook heeft men een schip gebruikt, diepteschip genaamd, door kunst gemaakt, dat eenig zand uit den grond konde haalen; maar alles tevergeefsch. Zie wederom Smallegange bl. 604.

 

Ga naar boven