Historische Vereniging Arnemuiden

Dirck van Delen begaafd architectuurschilder, creatief boekhouder en corrupt licentmeester
Dirck van Delen begaafd architectuurschilder, creatief boekhouder en corrupt licentmeester - 4.3 RSV_OUTOF 5 RSV_BASEDON 3 RSV_RATINGS

PLG_VOTE_USER_RATING

PLG_VOTE_STAR_ACTIVEPLG_VOTE_STAR_ACTIVEPLG_VOTE_STAR_ACTIVEPLG_VOTE_STAR_ACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVE
 

Dirck van Delen was een groot kunstenaar, zijn schilderstukken zijn te vinden in musea over de gehele wereld. Een van zijn mooiste schilderstukken kunnen we echter bewonderen in het voormalig gemeentehuis van Arnemuiden, nu het Museum van Arnemuiden In de trouwzaal, die vroeger raadszaal was, hangt een allegorische voorstelling van Justitia (de Gerechtigheid) 

Over zijn leven en werk als schilder is niet overmatig veel bekend; hetzelfde geldt zelfs in mindere mate ten aanzien van zijn functioneren in het politieke , kerkelijke en maatschappelijk leven van Arnemuiden.
Daarom is het een gelukkige omstandigheid dat wij tijdens het toegankelijk maken van de Stadsresoluties vanaf 1574, een behoorlijk aantal gegevens hebben aangetroffen die ons in staat stellen de persoon, het karakter en de kwaliteiten van Dirck van Delen enigszins uit de verf te laten komen.
Bekend is dat hij in 1605 te Heusden, vlak bij ’s-Hertogenbosch geboren werd. Deze belangrijke vestingstad lag op de grens van Brabant en Holland. Het was niet zo gunstig als je in het begin van de 17e eeuw niet in een van de 7 Provincien of Gewesten geboren werd en opgroeide, maar in een Generaliteitsgebied als Staats-Brabant. Je had dan minder kans op succes bij het carriere-maken. Dirck van Delen is het wel gelukt: hij trok naar Middelburg , waar hij in het Lucasgilde werd opgenomen, het gilde van de kunstenaars. Onbekend is wanneer precies en waarom hij juist naar Zeeland is vertrokken. Hij woonde in Middelburg tot 1625, het jaar waarin hij in het huwelijk trad met Maria van der Graft (Gracht), een dochter van een van de toen functionerende burgemeesters. Vanaf die tijd was hij “inwoonder” van Arnemuiden. Hij werd pas poorter op 31 maart 1628. Nadat hem de eed was afgenomen, werd zijn naam opgetekend in het poorters-eedboek. Verbazend snel, zien wij hem in nog geen 2 maanden later van poorter promoveren tot 2e burgemeester. In maart van dat jaar is de brief van nominatie voor de verkiezing van burgemeesters, schepenen en raden, gestuurd naar den Haag. Prins Maurits koos hieruit de nieuwe leden van B+S+R. Dirck van Delen is na een blauwe maandag raad te zijn geweest, tot 2e burgemeester geeligeerd/gekozen
Dat Dirck van Delen zo snel van Raad Burgemeester werd, is een feit waar we niet verwonderd bij stil hoeven te staan.Zijn schoonvader was meermalen burgemeester en schepen geweest en stamde uit een invloedrijke ,bemiddelde Arnemuidse familie. Verder stellen we vast dat Arnemuiden , nadat de plaats door Willem van Oranje tot smalstad was verheven , vanaf het begin een constant gebrek heeft gehad aan goede bestuurders.
De stad had te weinig inwoonders/poorters om zich als sociaal-economische eenheid ook politiek te profileren.
Door gebrek aan werkgelegenheid o.a. veroorzaakt door verlanding en het dichtslibben van de toegangswegen over zee, trokken velen weg naar Middelburg of verder naar het noorden; Leiden, Haarlem of Amsterdam.

Dirck van Delen Burgemeester (april 1628- april 1630)
Het valt op dat sinds het aantreden van Dirck van Delen als 2e Burgemeester er een behoorlijk aantal taakomschrijvingen werden uitgedacht, opgesteld en aan het papier werden toevertrouwd: dat betreft bijna alle “ambtenaren’ vanaf de stadsbode, de diender tot en met de baljuw. Daaruit kunnen we o.a. concluderen dat Dirck van Delen met een behoorlijke dosis dadendrang was vervuld en van aanpakken wist.
Het uurwerk in de Toren werd ogenblikkelijk gerepareerd.
De stadspoorten dienden behoorlijk gerepareerd te worden of anders gesloten.
Ook de Burgerwacht werd beter geregeld : De wachten konden beschikken over voldoende buskruit.. Verder werd er beter op gelet dat de schepenen/wethouders 2 aan 2 de noodzakelijk ronden liepen.
De fouriers werden er op gewezen dat ze streng moesten controleren of het werkelijke aantal manschappen van de compagnie van Capt. Morraij, die in Arnemuiden ingekwartierd was, wel klopte met het getal dat “op papier” stond. Het verschil kon een flinke bezuiniging op het servitie-geld ( geld dat werd uitgekeerd bij inkwartiering van militairen) betekenen. De soldaten moeten ook in Arnemuiden hun brood kopen en niet in Middelburg !
Er kwam ook een behoorlijke Ordinantie van de “Arbeijders van St.Jans gilde” Dirck van Delen eiste dat er redelijke tarieven zouden gelden ten aanzien van opdrachten die door timmerlieden, schrijnwerkers en metselaars werden uitgevoerd.
Verder werden zij gestimuleerd om een gilde te gaan vormen

Ouderling van de Nederduits Gereformeerde Kerk
Vanaf 9 april 1630 is Dirck van Delen geen burgemeester is, maar gaat na zijn verkiezing het ambt van ouderling vervullen. Als zodanig wordt hij regelmatig, samen met een van de predikanten afgevaardigd naar de classicale vergadering

In totaal 7 maal gekozen tot burgemeester
Vanaf 2 mei 1641 wordt hij na de gewoonlijke nominatie afwisselend tot burgemeester of ouderling “vercoren”
Daarnaast breidt Dirck van Delen het aantal activiteiten uit door samen met Jacob de Bruijne “ bedieningh (te hebben) opt Cantoir van Convoij en Licenten” Het schijnt dat de Bruijne niet “seer competent” was wat betekent dat hij er een puinhoop van heeft gemaakt. Dirck van Delen heeft op zijn manier deze puinhoop opgeruimd.

Thesaurier ( “Gemeenteontvanger”) en Boekhouder van de Armen
Jacob de Bruijne was ook als thesaurier een grote flop. Het lijkt er op dat aardig wat geld spoorloos is verdwenen. Als Dirck van Delen aftreedt als burgemeester wordt hij kort daarna diens opvolger. In januari 1645 ontfermt van Delen zich ook over de boekhouding van de Armen: er is een bekwaam persoon nodig, en dat is Dirck van Delen .“out burchmeester als tselve ambt voor desen loffelijck bedient”
De gewezen boekhouder Geleijn Innevylle had de boeken niet in orde en er was een grote achterstand. De armen hebben wel geen “schade” geleden Toch blijkt uit de resolutie van 28 februari 1645, dat de nieuwe boekhouder niet erg welkom was als opvolger van Geleijn van de Invijlle. Vooral de predikanten hadden het gevoel dat van Delen als bekwaam boekhouder en in zijn functie van stadsthesaurier te veel macht zou krijgen ten koste van de armmeesters/ diakenen en de predikanten die resp. financiele en pastorale zorg verleenden aan de Armen Het is een feit dat Dirck van Delen heel lang boekhouder van de Armen is gebleven en dat hij op een gewiekste wijze gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om fraude te plegen

Het valt op dat in die tijd Dirck van Delen heel vaak “uijtter stadt” is, en vertoeft in Middelburg, Breda of andere steden in Brabant en Holland. Waarschijnlijk heeft hij in die tijd een aantal monumentale schilderijen geproduceerd

Dirck van Delen, promotor van het orgel in de eredienst
Dirck van Delen was in 1647 zeer betrokken bij de “opbouw van het orgel”. In die tijd werd hevig getwist over het feit of een orgel dat tot voor kort gebruikt werd als muziekinstrument om de toehoorders verstrooiing te bieden, wel in de eredienst mocht worden gebruikt om de gemeenteleden bij het zingen van de psalmen te begeleiden Dirck van Delen was een vurig voorstander van het gebruik van een goed orgel in de eredienst en de aanstelling van een bekwame organist aan de speeltafel.

Dirck van Delen in opspraak
In 1651 blijkt duidelijk dat hij anoniem of bedekt beschuldigd wordt van machtsmisbruik en zelfs van het gebruik van geweld en dwang. Van Delen die dan in den Haag vertoeft, komt dat te weten en eist van het stadsbestuur een schriftelijke verklaring
Niet iedereen is tevreden over de persoon Dirck van Delen. In die tijd durfde men nog niet te demonstreren, maar ging men over tot het schrijven van schotschriften of door het anoniem verspreiden van kwaad gerucht
Wij hebben wel de indruk dat hij uit ergernis omdat zaken niet naar (zijn) wens “gingen” , vaak persoonlijk en op een autoritaire en grove manier ingreep, waarbij hij scheldwoorden en vloeken niet uit de weg ging. Dit optreden zette bij een aantal lieden kwaad bloed . Mogelijk hadden sommige van die schotschriftschrijvers ook in de gaten dat van Delen een niet zeer betrouwbaar boekhouder was.

Dirck van Delen woont de Grote Vergadering ( september 1651) bij en maakt een monumentaal schilderstuk

Dirck van Delen en de Staten Generaal

In verband met het stadhouderloos tijdperk moeten de stadsprivileges die betrekking hebben op de verkiezing van nieuwe leden van de Magistraat in kopie naar de rekenkamer van Zeeland ter registratie.: Dirck van Delen en de secretaris van de stad zijn daarbij betrokken.
Dirck van Delen , Adam van de Mander , de baljuw en Johannes des Pres waren tijdens de raadsvergadering van 6 september “uijtter stadt” Woonden zij gedrieen de Grote Vergadering bij ? Dirck van Delen in ieder geval ! Hij heeft ook als afgevaardigde/toeschouwer van het spektakel een monumentaal schilderij gemaakt.
Ter viering van het resultaat: het stadhouderloos tijdperk werd een bedendach (biddag) gehouden. Er werden vreugdevuren ontstoken en het “canon” werd afgeschoten. Of alle inwoners van het gewest Zeeland deelden in deze feestvreugde, mogen wij ernstig betwijfelen !
Ten tijde van de Grote Vergadering komt bij het College van de stad een verzoek binnen van de Heren Jolijtsz en ten Haeff. Deze Heren willen de Bocht in de kerk van d’Heer van Delen “ tot haren costen verlengen tot aen de Heeren Banck” Daarvoor werd toestemming gegeven.
Wij zien hierin een blijk van het feit dat de ster van Dirck van Delen – ook “nationaal”- rijzende was en dat hij ook in de kerk een vooraanstaande plaats moest innemen.

Dirck van Delen als licentmeester
In de stadsresolutie van 24 augustus 1655 wordt Dirck van Delen voor het eerst officieel genoemd als licentmeester. Er wordt opgemerkt dat het aan licentmeester van Delen verboden wordt aan Willem van der Voort paspoort te geven. Deze kreeg dus geen “doorlaatbewijs”
Wel wordt van Delen, zoals wij al eerder hebben vermeld, al in 1641 genoemd samen met Jacob de Bruijne “bedieninghe (te hebben) opt Cantoir van Convoij en Licenten” om de niet “seer competente” de Bruijne te assisteren.

Dirck van Delen nog steeds al vanaf 1645 boekhouder van de Armen
Op 3 maart 1661 wordt tijdens de vergadering van W+R een request van Dirck van Delen behandeld. Daarin is sprake van een acte die hem (Dirck van Delen) en zijn vrouw raken en hem niet welgevallig is. Van Delen wil dat die vernietigd wordt. Met meerderheid van stemmen wordt besloten dat Dirck van Delen en zijn vrouw eerst maar eens moeten reageren op de zaken die in die acte aan de orde komen.
Wij hebben tot nu toe nog niet achter de inhoud van bovengenoemde acte kunnen komen
Het ligt voor de hand om er van uit te gaan dat er verband is met de Resolutie van 21 juni 1661 ruim 3 maanden later. Dan komt er een einde aan het langdurige boekhouderschap van oud-burgemeester Dirck van Delen met betrekking tot de Armen.
Deze moet op 6 juli in de Consistorie verschijnen om “rekeninghe over te geven”. Zijn opvolger als boekhouder is Adriaen van Savoijen. Het boekhouderschap moet elk jaar door een “bequaem persoon bedient en vernieuwt worden”. Dat heeft sinds het aantreden van Dirck van Delen nooit plaatsgevonden. Dirck van Delen wordt als boekhouder ontslagen en wordt gelast in de consistorie aan de kerkenraad het boekhouderschap over te dragen.
Op woensdag 15 juli wordt Dirck van Delen voor de tweede maal bevolen het boekhouderschap over te dragen, omdat hij weigert te komen.
Op 13 augustus laat Dirck van Delen weten dat hij weigert als “ontslagen” boekhouder van het Gasthuijs en de “gemeene Armen” de boeken aan de nieuwe boekhouder Van Savoijen over te leveren. Er is sprake van grote consternatie ! Het stadsbestuur dreigt in zijn hemd te worden gezet
De stadsbode wordt er op uitgestuurd om de debiteurs van het Gasthuijs als het ware te dwingen “aan de nieuwe boeckhouder betalinge te doen”
Dirck van Delen wordt in gijseling genomen.
Zoals we vaak zien gebeuren: door bovengenoemd boekhoudschandaal is de geruchtenmachine behoorlijk op gang gekomen. Als in dat geval in het openbaar namen genoemd worden van Edelachtbare Heren, wordt er op nietsontziende wijze ingegrepen.
Op 30 augustus 1661 wordt Johan de Sanger ,schepen ,ervan beschuldigd dat hij tegen de voormalige secretaris van Swieten gezegd zou hebben dat “alhier een Landtsdief” was, waarmee hij stellig Dirck van Delen bedoelde. Diens naam is doorgekrast, te vinden in de Stadsresoluties
Johan de Sanger wordt van alle bedieningen, waaronder Raad, gesuspendeerd (geschorst)
De Vriese en Goewijn die de beschuldiging hadden uitgesproken, worden door de Sanger voor valse getuigen uitgescholden/uitgemaakt.
Dat kan door regenten niet getolereerd worden. Na rijp beraad, waarbij gemakshalve werd uitgegaan van de regel: meer getuigen worden meer geloofd dan 1, wordt Johan de Sanger definitief uit al zijn ambten “gezet”
In de stadsresolutie van 1 september 1661 wordt opnieuw vermeld dat Dirck van Delen is gegijseld. Hij heeft onder dwang de “boucken vant Gasthuijs en de Gemeene Armen overgelevert” Dit neemt hij niet en hij dient daarom zijn beklag in bij de Gecommitteerde Raden van de Staten van Zeeland.over zijn behandeling door de Magistraat en Kerckenraad
Op 13 september 1661 wordt aan de commissie Aernoudt de Fremy en Johan van Savel toegestaan aanwezig te zijn in de Consistorie als de rekening door Dirck van Delen aan de boekhouder Adriaen van Savoyen zal worden overgegeven na verantwoording te hebben afgelegd. Het schijnt dat het kastekort ongeveer 200 pond heeft bedragen : waarschijnlijk nu ongeveer 50000 Euro.

Conflict met de Gecommitteerde Raden van de Staten van Zeeland
De Gecommitteerde Raden van Zeeland zijn het volstrekt niet eens met het feit dat de leden van de Magistraat van de stad Arnemuiden Jan de Sanger als schepen en raad gewipt hebben. Jan de Sanger was n.b. “controleur op het Licent alhier” en weet echt wel wat hij zegt als hij Dirck van Delen, die ook Licentmeester was, “Landsdief” noemt, want hij stond er met zijn neus bovenop. Dat laatste wordt vermeld in een gesloten missive van de Ed: Mog: Heeren Staten van Zeeland. Daarin wordt gewag gemaakt van het feit dat Jan de Sanger een officieel protest bij de Gecommitteerde Staten heeft ingediend omdat hij door de Magistraat van Arnemuiden op onbehoorlijke wijze geschorst is in de bediening van al zijn ambten, waaronder schepen. Hij verzoekt de Ed: Mog: Heeren te bewerkstelligen dat hij gehandhaafd blijft “in alle sijne bedieningen”. Daar hebben zij gevolg aan gegeven getuige de bovengenoemde missive. Daarin gelasten de Ed: Mog: Heeren Jan de Sanger weer als schepen van Arnemuiden te erkennen
Daar is de Magistraat het natuurlijk niet mee eens In een brief reageert die verongelijkt op het feit dat de Staten een beslissing in deze zaak nemen zonder kennis te nemen van de reden waarom de Magistraat tot de procedure van afzetting is overgegaan De Magistraat is helemaal niet gehoord. Mogen de Ed: Mog: Heeren Staten “naer derselver hooge gewoonlijcke Wijsheijt” besluiten dat als nog te doen dan zou dat kunnen ter gelegenheid van de “aenstaende verpachtinge “ op 27 september
De leden van de Magistraat zijn gemakshalve vergeten dat alleen een hoge Autoriteijt Burgemeesters, Schepenen en Raden mag verkiezen uit een voordracht. Het afzetten van een Schepen behoort ook tot de competentie van de Gecommitteerde Raden in deze tijd waarin er geen stadhouder in Holland en Zeeland benoemd is.
Zouden de Ed: Mog: Heeren Staten niet geweten hebben waarom Johan de Sanger als schepen werd afgezet ?? Of vonden ze dat deze Johan als “klokkenluider “ ten koste van alles in zijn ambt als schepen moest worden gehandhaafd ?
Uit de stadsresolutie van 13 december 1661 komen wij te weten dat niet alle leden van W+R voorstander waren van de afzetting van Jan de Sanger. Een minderheid protesteert daar tegen, waaronder oud-burgemeester Kaau en Jacob Bonnecroij.
Op 31 maart is de kwestie nog steeds niet opgelost. In meerderheid wil W+R de nominatie van de nieuwe Magistraat opschorten/uitstellen totdat de Ed: Mog: op de brief van de nominatie van de 2 personen hebben beschikt. Een minderheid van W+R Jacobus Kaau, Jacob Bonnecroij en Aernoudt de Fremij is het daarmede niet eens.
Wel is duidelijk dat Johan de Sanger niet in ere is hersteld als schepen: zijn naam komt niet meer voor in de stadsresoluties. Dat was niet mogelijk, omdat hij kort daarop is overleden.

Ds Abraham van de Velde als actievoerder
Op 8 april 1662 wordt bekend dat Ds. Abraham van de Velde leden van de Magistraat heeft aangesproken om hen te bewegen Dirck van Delen “uijtte Regeringhe ende Magistraet alhier “ te verwijderen. Kerkelijk stond deze al onder censuur en werd om die reden al een tijd van het Heilig Avondmaal afgehouden. Ds. Van de Velde geeft niet de reden aan waarom hij zo “stookt”. Heeft dat, naast de bovengenoemde kwestie, ook nog te maken met het feit dat er enige jaren onregelmatigheden zijn geconstateerd met betrekking tot de overdracht en de verantwoording van het boekhouderschap van de Armen of is er iets anders aan de hand ? In felle reactie hierop, protesteerde W+R “ met eenparige stemmen” daarop met “ neen” Op zijn verzoek heeft ds. Van de Velde daarvan een “certificatie”/schriftelijk bewijs in ontvangst genomen, dat door de secretaris is opgesteld.
Het heeft de schijn dat zowel de vrienden als zij die bedenkingen hadden ten aanzien van het functioneren van Dirck van Delen in zijn “diversche officien”, door het autoritaire optreden van deze Abraham “ de Geweldige” van de 17e eeuw , op een hoop geworpen werden.
Het was onverteerbaar dat een predikant zonder tegengesproken te mogen worden vanaf de kansel zijn vernietigend oordeel over een “Regeerder” /regent mocht verkondigen aan de hoorders/ het kerkvolk. Bovendien was de stad trots op Dirck van Delen vanwege het feit dat hij als vervaardiger van een aantal kwalitatief uitstekende schilderstukken “landelijke” bekendheid had gekregen. Ook was de stad via Dirck van Delen in het bezit gekomen van 2 leeuwtjes in natuursteen, die door hem waren geschonken om frontaal het aanzicht te vormen van het bordes. N.B. Dat betreft niet de leeuwtjes die nu als ornamenten het bordes van “t Stadthuys” aanzien geven, maar hun voorgangers. Tenslotte was de stad in het bezit gekomen van het zo bekende schilderij van Dirck van Delen voorstellend een allegorie of symbolische voorstelling van de Gerechtigheid (Justitia ), gedateerd 1656.
Dat alles neemt niet weg dat er genoeg aanwijzingen zijn dat Dirck van Delen stellig niet wat zijn gedrag en functioneren betreft, van onbesproken gedrag was, vooral met betrekking tot het boekhouderschap van de Armen en het licentmeesterschap Zie hieronder.

Een hiaat van ruim 9 jaar in de stadsresoluties
Het is erg jammer dat toevallig? juist op dit kardinale punt er een hiaat van ruim 9 jaar bestaat wat de stadsresoluties betreft. Wel wordt in de stadsrekeningen 1667/1668 melding gemaakt van een betaling aan Dirck van Delen voor het vergulden van de torenhaan en “bol aende thooren met de verwe en andere oncosten aent Cruijs gedaen volgns quitantie ter somme van 1 pond en 4 schelling.”
Wij volgen verder de stadsresoluties , omdat tot nu toe door ons nog geen andere bronnen dan de stadsresoluties en stadsrekeningen zijn ontsloten en wij zetten onze zoektocht voort met ingang van de datum van de vergadering van Wet en Raad, gehouden op de 19e augustus 1671.

De dood van Dirck van Delen ( 16 mei 1671 )
Tijdens deze vergadering wordt door de baljuw Adam van de Mandere “overgebracht missive” geadresseerd aan Wet+Raad met betrekking tot de verkiezing van de nieuwe Magistraat. Daarbij wordt gecontinueerd in het ambt van 1e Burgemeester Jacobus Caau en op nieuw in plaats van de overleden Dirck van Delen “vercoren” Jacob de Keijser. Verder zijn “vercoren” Dirck de Vries en Pieter Broeder.

Op 2 september 1671 wordt door Jacobus Caau en Samuel Boone wegens het overlijden van Dirck van Delen , gewezen thesaurier van Arnemuiden overgebracht de rekening van de “Domeijnen en Incomen” van de stad over de jaren 1669 en 1670.
Er volgens het stadsbestuur sprake van “ onregelmatigheden int sterfhuijs “ wat de erfenis van Dirck van Delen betreft. Samuel Boone was gehuwd met “juffrouw” Maria van Delen, een dochter van Dircks broer Adriaen van Delen en Janneke van der Gracht (zuster van Dircks echtgenote Maria).

Deze heeft zonder kennisgeving te doen en toestemming daartoe te verzoeken zilver. roerende goederen, waaronder ook waardepapieren als Actien /aandelen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, naar Middelburg laten vervoeren . Stellig wilde hij dit deel van de boedel van Dirck van Delen in veiligheid brengen. Zo kon voorkomen worden dat er “ beslaglegging” op last van de stad Arnemuiden zou plaatsvinden vanwege schulden of tekorten die uit de nalatenschap vereffend zouden kunnen worden.
Mr. Aernout van Cyters acht als jurist het bovengenoemde besluit van W+R “tot prejuditie/schande van het sterfhuijs’ Daarom besluit het college van W+R de de beschikking voorlopig niet uit te voeren tot nader onderzoek Echter al op 7 september wordt besloten dat de goederen etc. binnen 8 dagen weer teruggebracht moeten worden naar Arnemuiden. Mocht het zo zijn dat ze niet genoeg zouden opbrengen bij de veiling in Arnemuiden, dan zouden in Middelburg geveild mogen worden. De aandelen zouden in ieder geval in Arnemuiden moeten blijven. Verder was Dirck van Delen tijdens zijn leven naast bezittingen en huizen in Middelburg en Arnemuiden o.a. in het bezit geweest van een “speelhof” bij de Tol, waaruit ook inkomsten zouden kunnen worden getrokken.
Thesaurier Jacobus Caau verzoekt een deel van de “penningen” uit de verkochte “meubilare”(roerende) goederen als borgtocht voor de schulden. Deze “penningen” moesten door de vendumeester/veilingmeester op het kantoor van consignatie van de stad gebracht worden opdat de stad daar uit gerestitueerd zou krijgen “ soodanige penningen als de heer van Delen als gewesen Thesaurier van de stad in bewaring heeft gehad en ten achteren is gebleven”
Daartoe werden gecommitteerd de Heren Burgemeesters de thesaurier Kaau en de secretaris Hemberg om met de pensionaris van de stad Teellinck hierover “ te adviseren”
Op 11 oktober 1672 is het dan zover: Samuel Boone komt dan hoogstpersoonlijk om de achterstallige som aan de secretaris te overhandigen op het kantoor van consignatie .In ruil daarvoor ontvangt deze een quitancie/ontvangstbewijs van deze secretaris. Deze overhandigt de som geld aan de Thesaurier Caau. Dit geld kwam goed te pas om daarvan de rekening van de stadsschilder te voldoen.!
Het college van W+R had al op 12 oktober 1671 omdat het duidelijk was dat een en ander veel geld zou gaan kosten, van Samuel Boone, boedelbeheerder, vacatiegeld en andere onkosten vergoeding geeist, vanwege het feit dat de stad bij het inwinnen van advies van rechtsgeleerden in deze zaak veel tijd nodig heeft gehad en ook kosten heeft gemaakt

Het Licentmeesterschap van Dirck van Delen
Ook komt ter sprake het feit dat Dirck van Delen een deel van zijn leven licentmeester is geweest. Dat schijnt hij als tijdelijk/waarnemend secretaris geweest te zijn. Toen er een nieuwe secretaris werd benoemd, heeft hij “dit officie”officieel niet aan de stad teruggegeven. Dirck van Delen heeft o.a als licentmeester het uitgeven van attestaties van de gedolven turf die door de schippers naar en via Arnemuiden werd gevoerd aan zich getrokken. Dat recht van uitgifte komt, volgens de opvatting van de Magistraat van Arnemuiden, alleen de secretaris van de stad toe. Dat schijnt, althans volgens de lezing van de Magistraat, niet alleen in Arnemuiden maar in alle steden de praktijk te zijn Daarom is Dirck van Delen door enkele leden van het College van Wet en Raad ondervraagd toen deze weigerde het licentmeesterschap aan de stad terug te geven of hij een Acte of Ordre van de Ed: Mog: Heren Gecommitteerde Staten van Zeeland kon overleggen waaruit zou blijken dat hij toestemming daartoe had. Dat bleek niet het geval. Van Delen moest toegeven dat dit officie eigenlijk de stad toekwam, maar hij verlangde dat de stad niet moeilijk zou doen: hij was reeds tot “hoogen ouderdom gecomen” en daarom was niet te verwachten dat hij het “officie” lange tijd zou kunnen uitoefenen. Na zijn dood zou de stad weer over de uitgifte van het licentmeesterschap kunnen beschikken. Dit verzoek is “ stilswijgende geconsenteert/ toegestaan”.Van dit onderhoud is jammer genoeg niets schriftelijk vastgelegd . Zo luidt ongeveer de schriftelijke verklaring van de Commissarissen die het onderhoud met van Delen hebben gehad.
De werkelijke reden voor Dirck van Delen om zo vast te houden aan het licentmeesterschap, was niet gelegen in het feit dat hij “tot hoogen ouderdom gecomen (was)”: hij was toen hij de woorden sprak waarschijnlijk ongeveer 50 jaar; maar het schijnt dat het licentmeesterschap een nogal lucratief officie/ambt is geweest. Voor ieder zout-of turfschip dat de Tol passeerde kon de licentmeester als “Ontfanger van de Graeffelijcken Tol” , als de attestatie/ het paspoort gegeven was, 6 stuivers voor zichzelf opstrijken. Het licent was in de eerste plaats bedoeld ter bekostiging van een aantal oorlogsschepen die de koopvaarders moesten beschermen tegen kapers en vijandelijke schepen Te Arnemuiden was een kantoor van Convoijen en Licenten gevestigd. Tegen betaling werd toegestaan produkten als turf , zout etc naar “vijandelijk” gebied b.v. Spanje, of de Zuidelijke Nederlanden, als die door een vreemde mogendheid waren bezet, te verhandelen. Het is een feit dat er, als de omstandigheden gunstig waren, diverse kooplieden zijn geweest die niet geschroomd hebben een licentmeester die daar gevoelig voor was met steekpenningen om te kopen, om op deze wijze de hoge heffing te ontduiken.

Het is voor een lokaal historicus geen aangename taak het beeld van een persoon die nationaal bekend staat als een begaafd architectuurschilder en plaatselijk ook als een bekwaam stadsbestuurder, administrateur en kerkelijk bestuurder, na intensief bronnenonderzoek negatief en dus donker bij te kleuren.
Een objectief onderzoeker behoort echter een eerlijk en juist beeld te geven van alle activiteiten van een begaafd persoon als Dirck van Delen is geweest.

Bronnen:

ZA Inventaris van de Archieven van de gemeente Arnemuiden
Resoluties van het bestuur van Arnemuiden. Inventarisnrs 20 t/m 22
Rekeningen van ontvangsten en uitgaven door de stadsrentmeesters
Inventarisnrs.378 en 399
Literatuur:
M.A. Lieveld- van Belzen Dirck van Delen I en II : Arneklanken Jaargang 5, nr.4
December 2000 en Jaargang 6, nr 1 , maart 2001.

COMMENTS_LIST_HEADER   

0 #1 Nina Binder WEDPMCESTE_JUNE+0200RJUNE_SHORTPMCEST_0C1
Dear Madame, dear Sir,
I’m writing to you on behalf of Dr. Sabine Pénot, curator of the Kunsthistorisches Museum, Vienna.
Dr. Pénot is currently researching for a painting by Dirck van Delen (“Großer Gartenpalast”, Inv.No. 573). In search of information on the painter we have contacted the Zeeuws Archief in Middelburg. Mr. Schwartz from the archive was so kind as to furnish us with a number of articles dealing with Dirck Van Delen. The articles are even more interesting, since they are based upon primary sources to which, of course, we have no direct access.Is there a possibility to gain access to the digital versions of the articles (see below)?
Thank you so much in advance,
All the best from Vienna,
Nina Binder
Kunsthistorisches Museum
BUTTON_QUOTE

FORM_HEADER


FORM_CAPTCHA
FORM_CAPTCHA_REFRESH

JSN_TPLFW_GOTO_TOP