Historische Vereniging Arnemuiden

Brievenboek 1810–1811

Zeeuws Archief  Inventaris van de Archieven van de Gemeente Arnemuiden

 

Den Heere Requestmeester Prefet  van de monden der Schelde Baron van Keijzerrijk.

Ter beantwoording van de onderscheidenen voorstellen bij Missive van Uwe Exellentie van den 6e dezer maand met betrekking tot de visscherij dezer stede :

1e De onderscheidenen visvangst van Rogge, schelvis, schollen , tongen bot, scharren, Molenaar, garnalen, haring, schardijn, oesters en mosselen word geëxerceerd door Groote en kleine vischuiten: de eerste genaamd Cordenschuiten en de laatste Hoogaarsen, welke laatstgenoemde ook worden gebezigd tot het haalen van zeekraal, een zekere Groente, aan de Schorren van de Eilanden dezes Departement groeiende.

2e De uitoeffening van dat beroep is van een groot aanbelang voor het land, daar zij eene schoone voorraad aanbrengen en niet alleen de vismarkten van de steden Middelburg, Vlissingen en Veere van vis voorzien, maarook dit en nabuirige eilanden. Op die onderscheidene vis en ook van de Genoemde zeegroente onthalen; daar bij komt dat veele daardoor hun Brood winnen hebben en ook maakt het een tak van Negotie uit, aangezien in den zomer voor dit Canaal onderscheidene Brabantsche schuiten gevonden worden, die veel vis overnemen en derwaarts voeren, terwijl het voornaamste zo niet thans het eenig middel van bestaan is dezer gemeente.

3e Dat beroep wordt genoegzaam het gehele jaar uitgezonderd bij harde vorst uitgeoefend met dit onderscheid dat de grote cordenschuiten met de visvangst gewoonlijk een aanvang maken met de maand maart dat voortduurt tot november, wanneer de meesten dat beroep staken, hoewel twe a drie naar Holland varen om de kabeljauw en schelvis, aldaar door Hoekers gevangen wordende, op te kopen en in dit gebied dan overbrengen. Dat sommige van de kleine schuiten of hoogaarzen in het voorjaar gebruikt worden om zeekraal te halen, andere in de zomer weder om kleine vis, zoals scharretjes, botjes , molenaar en garnalen te vissen in de kanalen van dit departement en ook sommige in de winter om oesters, mosselen, haring en schardijn te korden en met kuilen te vangen, zodat die kleine schuiten niet altijd in werking zijn, daar er vele vissers zijn. Die in de zomer op de grote schuiten varen en niet dan in de winter van hun hoogaarzen gebruik maken.

4e.Het getal der grote schuiten is 14; dat van de hoogaarzen 36.

5e De waakzaamheid dat de grote schuiten ( want de kleine gaan niet zeewaarts) geen communicatie houden met de vijand, bestaat daarin, dat zij niet alleen onder de surveillance staan van de keizerlijke douane, maar ook van de wachtschepen voor Veere en Vlissingen gestationneerd die hun steeds in het oog kunnen houden. Zij kunnen geen nadeel toebrengen daar zij niet alleen zeer onkundige lieden zijn, maar wanneer zij hun beroep maar mogen uitoeffenen zijn zij zeer content, bemoeien zich niet met ’s lands zaken en zijn vreesachtig van aard.

6e.In vredestijd blijven de grote schuiten gedurende de zomer nu en dan een nacht in zee om te vissen. Thans komen zij des avonds onder de schans bij het Fort den Haak in het gezicht der Stad Veere ten anker.

7e. Eindelijk komt het mij voor dat de vissers niet meerder kunnen aangemoedigd worden dan dezelve vrij en ongestoord hun beroep te laten uitoefenen, zo in het vissen als alom verkopen daarvan.

 

Een andere brief d.d.

 

Sedert jaren herwaarts bestaat alhier een contract tussen de schippers der visschuiten en enige Brabantse schippers, om de door de eersten te vangen roggen, flooten en koeijroggen op zekere dagen voor een bepaalde prijs aan de laatsten over te geven, die ook verplicht zijn deze over te nemen, onder wederzijdse verbintenis van bij verzuim daarvan een boete van 35 gulden te voldoen aan de armen dezer stad. Thans de visvangst minder zijnde dan over een maand heeft tot gevolg gehad dat de vissers over het algemeen daarin nalatig zijn geweest en de Brabanders daarover bij mij hebben geklaagd, waarover ik met het bestuur heb gebesogneerd en alle schippers daarover heb onderhouden, die bij onderlinge schikking zijn overeengekomen om aan dat contract te blijven voldoen met vermeerdering van de prijs der genoemde vis.

De Brabanders geven thans voor een rog 6 stuivers, voor de koeijroggen en flooten 20 stuivers. En wel is waar dat, wanneer weinig gevangen wordt, men alhier meer kan maken, maar zodra de vangst gewenst is, dan kan op verre na niet die prijs bedongen worden, daat 14 schuiten veel meer aanbrengen als vereist wordt.

Zelfs wanneer in het vorig jaar gedurende het verblijf der Engelsen in dit eiland mar drie schuiten ter visvangst uitliepen, was men nog verlegen met de vis , daar toen geen Brabanders alhier konden komen ( dit volgens eigen getuigenis )

Daarbij komt dat,indien de Brabanders de schollen die deze zomer in grote overvloed gevangen zijn, niet hadden overgenomen, waartoe zij niet verplicht waren, dan zou er zeer weinig geld verdiend zijn geworden.

En ingeval de Brabanders deze plaats verlaten, dat zeer gemakkelijk door een nalatige al spoedig navolgers zal bekomen, indien de visvangst gering blijft, dan kunnen van de 14 schuiten er wel 10 op het minst alhier gemist worden.

 

Arnemuiden  18 september 1810.

 

Aan de Heere Requestmeester Prefet van de

Monden der Schelde Baron van het Keijzerrijk

 

In reactie op de aanschrijving van Uw Exellentie van den 17 september:

Dat het opzigt over de wegen in den Eijlande van Walcheren behalven de straat en zandwegen die ingevolge  de verleende octrooijen onder de directie der steden en der verdere daarin belanghebbende staan door de directie van Walcheren gehouden word.

Dat dezelve op zekere bepaalde tijden worden gerepareerd en geïnspecteerd en  zoo verre die daar voor susceptibel zijn verbeterd dat het meerderdeel derzelve Bestaat in kleijwegen die een groot deel van het jaar onbruikbaar zijn dat alle de wegen onder deze commune gelegen van dien aart zijn en bij gebrek van zand hetgeen in de gronden niet gevonden word, niet kunnen verhoogd en verbeterd worden. Dat hier van is uitgezondert de weg van deze stede tot de zaagmolens ten jare 1793 tijde het Arnemuidsche vaarwater op kosten der stad Middelburg uitgedoept met het daar uitgegraven zand aangelegd en verhoogd: welke weg zedert dien tijd door deze Stede en eenige Particulieren  onderhouden word dog dat de daaraan te impendeeren kosten  de furnissementen te boven gaande  de nodige Reparatien niet kunnen gedaan worden; waarom wij deze gelegendheid waarnemen te representeeren dat de Passage langs  genoemde weg bij zonder na het Sloe vrij groot is, en ook door de Post bereden word,met vriendelijke sollicitatie dat uwe Exellentie op dien grond het omtrent zodanig gelieve te voorzien als tot verbetering dezelve en tot meer gerief van de Passage verstekken kan.

Belangende de tweede vraag omtrent het schoonmaken van de watergangen en het nadeel door het regenwater aan de landen toegebragt, is dit almede niet van ons departement, maar volgens de subsisteerende wetten aan de directie van Walcheren aanbevolen: om evenwel aan de goede Intentie van Uwe Exellentie te voldoen hebben wij de Landlieden onder ons Ressort daar op gehoord  en van de zelve verstaan, dat de watergangen jaarlijks behoorlijk worden schoongemaakt, en daar door de beletzelen aan de uitwatering der sluizen wegenomen, dat het ook zoo zeer niet aan eene behoorlijke uitdieping haperd maar dat hunne landen dien onverminderd door de overstrooming van het regenwater in de meeste winter saisoenen veel nadeel lijden zeer verkouden en toeloopen  tot de cultuur en onvrugtbaar en tot het opbrenen der lasten meer en meer onbekwaam worden; dat dit alles volgens het eenparig gevoelen der voornoemde Landlieden alleen is toe te schrijven aan het gebrek van genoegzame of behoorlijk werkende sluizen; en dat om van eene efficacieerde/ efficiente ? verbetering verzekert te zijn het leggen van een vijfde zeesluijs buiten de stad Veere bij de Hofstede Wulpenburg buiten twijfel het best gevolg hebben zoude en ten voordeel van het geheel Eijland van Walcheren verstrekken dat het gevolgen/ volgens ? derzelve Landlieden overeeneenkomt met dat van deskundigen die dit Projet gemaakt hebben, dog waar aan de executie om redenen bij hun onbekend tot dusverre ontbreekt.

Zij verzoeken eerbiedig dat Uwe Exellentie een zoo belangrijk Point als de verbetring en in standhouding der Culture betreft nader gelieve te overwegen en daar op tot wegneming hunner wezenlijke bezaren gunstig te disponeeren

 

Idem

 

Als reactie op uw circulaire wat declaraties betreft  hebben wij deze openbaar bekendgemaakt en belanghebbenden op het Raadhuis ontboden om behulpzaam te zijn bij de invulling van de formulieren . Onderscheidene Parteijen bewerken Land onder deze Gemeente dat tot Eigenaars behoort welke niet alleen binnen deze gemeente niet wonen maar die zelve bij ons onbekend zijn zoo maakt dit het werk zeer moeijlijk om daar aan een spoedig einde van te maken

Wij zullen echter zoo veel ons doenelijk is aan de Intentie trachten te voldoen waar toe wij de vereischte Declaratien ten getale van Twee Hondert hebben ontvangen, die ook zullen convoijeren ten einde dat werk zo spoedig mogelijk te termineeren.

 

Arnemmuiden 16 oktober 1810

C.D.Baars

 

Mijnheer

 

De lijst om in te vullen bij UEd: Missive den Balliu zaterdag laastleden gezonden bekomt UEd: hier bij zo veel mogelijk ingevuld terug, en moet UE daar bij observeeren

1e Dat het getal der Eigenaren niet kan worden opgegevn voor en al eer de declaratien van dezelve zijn ingekomen en dan blijft het nog moeijlijk aangezien er eene Irisdictie questie met Middelburg bestaatwat aangaat Arnemuiden en Nieuwerkerkdit zoude mogelijk zijn; maar Mortier mede Iurisdictie dezer stede; dit kan niet wel om redeen opgegeven worden voor dat al de Billietten zijn ingekoemn en daarmede zal men zig moeten vergenoegen.

2e. Bij de Repartiteurs is nog niets verrigt en kan ook geen werkzaamheden begonnen worden voor dat zij een Instructie hebben bekomen, waarnaar zij zig moeten gedragen.

3e. omtrent het getal der aangeslagenen in het Personeel en Mobilair kan ik niet opgeven ik ken de belasting niet voor zoo ver het op de Fransche wijze moet plaatsvinden,en weet dus ook niet wie daar in aangeslagen zal worden en op de vorige Hollandse wijzemoet plaats vinden en weet dus ook niet was dit het werk van den ontvanger te Veere waar omtrent het Bestuur geen inzage heeft gehad.

4e Het getal der aangeslagene de belasting van Deuren en Vengsters is UEd in de mogelijkheid van in te vullen daar den staat door ons opgemaakt en aan Dheer Prefet bezorgd niet alleen in UEd: handen is gesteld maar ook doorUEd: de nodig geoordeeld zijnde veranderinen daar in zijn gemaakt terwijl de Invulling in de Declaratien Billietten door UEd: met de maire moetende geschieden nog geen Plaats heeft gevonden.

Ik kan niet bezeffen DHeer Directeur der Contributien alle 15 dagen zodanige Staat begeerd daar onderscheidene Articulen niet zullen veranderen  en hoe zeer wij genegen zijn om zoo veel mogelijk is  mede te werken in dat geen het welk tot bereiking van het oogmerk nuttig zijn kan zo zoude het ons bijzonder aangenaam zijn UEd: eens  de gelegenheid had herwaarts te komen om over een en andere werkzaamheden te besogneeren opdat daar mede een aanvang kan gemaakt worden.

Arnemuiden den 30e October 1810

C.D. Baars

 

Aan de Prefect

 

OP verzoek: informatie dat in dezen stede geen gevonden kinderen zijn nog ook geen Etablissement waar in de zodanige bij voorkomende gelegenheid zoude kunnen geplaatst worden.

Wij nemen deze gelegenheid ook waar om uwe Exellentie te berigten dat de werkzaamheden der Repartiteurs reeds in de voorgaande week zijn afgeloopen en de declaratie Billetten aan de Controleur zijn overhandigd geworden.

14 november 1810

C.D. Baars.

 

Aan de Prefet

 

Bij een Dispositie van den afgetreden Landrost die het invorderen bepaald zijnde van een Tolgeld door de Veerlieden van Arnemuiden en het Sloe, en zulks behoeve de ter dier tijd aangelegde Zandweg van den Stede tot gem: Veer het Sloeten advenante van 1 st. per man/ kinderen beneden  de 12 jaeren oud uitgezonderdwelke met wagen en paarden voorz: Veeren zoude passeeren- terwijl den zelven Heer Landdrost  mij als ontvanger heeft aangesteld ten einde alle drie maanden de Ingevorderde gelden van gen: Veerlieden onder quitancie over te neemen, met bepaling dat het loon voor de perceptie aan de veerlieden en mijn Persoonna verloop van een jaar wanneer zoude gebleken zijn hoeveel het zelve rendeeren zoude vastgesteld worden.

Den 1e Julij 1809 met de invordering daarvan een aanvang door de veerlieden gemaakt zijnde, hebben dezelve successivelijk bij mij overgebragt hun ontvangst, hetwelk tot ultimo Oct: dezes jaars eene som bedraagd van f. 54:19:8, blijkens Nota welke ik de vrijheid gebruike hier bij te doen.

Uit het zelve zal uwe Exellentie blijken dat van Primo Oct: 1809 tot ultimo april 1810 niets is ontvangen,hetgeen aan de toenmalige tijdsomstandigheden niet alleen is te attribueeren, maarwaar bijkomt dat in November 1809  door eenige Engelse matrozen de overset Ponte dezer Stede is weggevoerd geworden, en niet voor Primo Meij dezes jaars de Nieuwe Ponte is in Werking gekomen, terwijl ook volgens de getuigenis der Veerlieden de Invordering aan veel moeijlijkhedem onderhevig is.-

Ik heb mij verpligt geacht Uwe Exellentie hier van te moeten informeeren,en tevensUwe Exellentie eerbiedig te solliciteeren om te mogen worden geïnformeerd aan wien ik die penningen behoord ter hand te stellen, alles onder zodanige Loonsbepalinge als Uwe Exellentie dien aangaande zal vinden te behooren

Arnemuiden 28 November 1810

C.D.Baars.

 

Aan den Heer Prefet

 

De Verjaardag der Krooning van Z.M. den Keijzer en die van de Bataille van Austerlitz is alhier gevierd zo door het uitsteken der Vlaggen van den Thoorn en het Raadhuis als het luiden der Klokken op drie onderscheijden tijden van dien dag terwijl bij den morgen Godsdienst door den Lerrar dezes Gemeente bij eene korte gepaste reden en in het Gebed daar aan bijzonder is gedagt geworden, waar wij uwe Exellentie conform deszelfs Missive en Arretee van den 26e der vorige maand bij dezen kennis doen

 

6 december 1810

 

C.D.Baars.

 

Aan de Prefet.

 

In reactie op de voorstellen voorkomende in de Circulaire van den 4e dezermet betrekking tot de Etablissementen  van Weldadigheid en Onderhoud der Behoeftigen:

Binne deze Gemeente zijn geen gevestigde Instellingen waarin Inwoonenden onderhoud genieten, noch scholen die daar aan behooren gevonden te wordne.

Dat wijders de bedeeling aan behoeftigen op deze wijze alhiet plaats vindt:

DE Diaconie welk bij elke Godsdienstoeffening in de kerk en alle drie maanden aan de Huizen der Inwoonderen een Collecte doet, welke het voornaamste fonds uitmaakt om de Arme te ondersteunen, verrigt ook de bedeeling aan dezelve telken zondag na het eindigen van den Godsdienst naar mate de Ingezamelde gelden dit toelaten.-

Het getal der bedeeld wordende personen is onderscheiden en gaat van 12 tot soms 20  terwijl nog altijd eenige kinderen worden gevonden die door de Diaconie  jaarlijks aan de minst aannemende worden besteed, en welker getal van 3 tot 6 kan bepaald worden, welke behoeftigen Liedn en kinderen bij overlijden ook voor Rekening van den Armen ter aarde worden bezorgd.

Voorts bedraagd de bedeeling jaarlijks

In geld                  f. 320   a     f.330

Aan onderhoud     f. 140   a     f. 150

Aan kleeding         f.100    a     f. 110.

 

Terwijl nog jaarlijks f.20 word gegeven aan de Schoolonderwijzer voor het onderwijs aan behoeftige kinderen.

Het getal des Bedelaars in deze Gemeente bestaat  in 3 a 4 Stokoude Lieden, waaromtrent de bedeelingte gering zijnde, en ook de Inkomsten niet toelaten om dezelve door groote toelage zulks te beletten, waarom ook het zelve door het Bestuur niet is verhinderd of verboden geworden.

 

Den 19e December 1810.

C.D. Baars.

 

Aan de Prefet

 

IK heb aan Uwe Exellentie Predecesseur bij eene Missive den 28e Nov. 1810 ter kennis gebracht  het volgende:  ZIE HIERBOVEN

Ga naar boven