Historische Vereniging Arnemuiden

Brievenboek 1818-1819

Zeeuws Archief. Inventaris van de Archieven van de Gemeente Arnemuiden

Toegangsnummer 1200. Inventarisnummer 95
Brieven boek van 18 september 1818 t/m 31 december 1819
Selectie en samenvatting van P.J.Feij

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Ik heb d’ Eer in voldoening aan UwExc: aanschrijving van den 11e dezer maand 1 afd.No2306 nopens den Staat der gevaccineerd en aan de kinderziekte behandeld wordende personen te informeren dat binnen deze gemeente geen chirurgijn woonachtig is, en dus de zodanige worden behandeld door Docters of Chirurgijns uit het naburig Middelburg.
Waar mede ik d’ Eer heb met verschuldigde eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DWDienaar
C. Cruc
Den 18e September 1818

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Ten gevolge van Uwe Exc: Missie van den 17e dezer maand 1 afd: No2601 heb ik den Raad dezer Stede bij Eengeroepen, aan welke ik den inhoud van Uwe Exc: Missive heb medegedeeld,terwijl daar op de Heeren C.Kraamer, A. van Eenennaam en L. Wisse voor den

Hiaat

Binnen onze gemeente gelegen zo naauwkeurig ons doenelijk was ingevoerd, hier bij aan UwEd: GrootAchtb: te doen toekomen en ons met verschuldigden Eerbied te noemen.

UwEdGr:Achtb:DWDienaren
Burgemeester en Raden voorn:
C. Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris

Den 25e September 1818

Aan Heeren Ged. Staten van
Zeeland

Edel Groot Achtbare Heeren!

In voldoening aan UwEdGrAchtb: aanschrijving van den 24e dezer maand, heden bij ons ontvangen hebben wij d’ Eer UwEdGrAchtb: te berigten dat van deze Stede geen beurt,markt of veerschepen afvaren, en dus daar voor ook geen keuren Reglementen of ordonnantiën voor handen zijn.
Wij hebben d’ Eer met verschuldigde Eerbied ons te noemen.

Uw EdGr:Achtb:DWDienaren
Burgemeester en Raden voorn:
C. Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris
Den 28e September 1818

Aan den Heer Officier van
Justitie

Wel Edel Gestrenge Heer!

Van het ongelukkig toeval heden morgen alhier plaats gevonden, heb ik d’Eer hier bij een Proces Verbaal aan UwEdGestr: te doen toekomen en heb geen zwarigheid gemaakt om het lijk na behoorlijke examinatie ter begraving aan de Huisvrouw van den overleden af te staan, aangezien er hier geen chirurgijn woond en ik nevens den Vrederegter ons volledig van zijn overlijdenovertuigd hielden.
Ik heb d’Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw EdGestrenge DWDienaar
C.Crucq

Den 4 Oct: 1818

Aan den Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Eenige visschers dezer Stede hebben mij te kennen gegeven dat op de oesterbanken van Ierseke eene bijzondere voorraad van zaadoesters word gevonden en het waarschijnelijk was, dat die banken onaangeroerd bleven gedurende de nu voorhanden zijnde winter daar dezelve in een volgend jaar eene schoone broodwinning voor Zeelands Inwoonders als dan konde opleveren
En daar de belangens van de Zeeuwsche Ingezetenen niet alleen bijzonder is aanbevolen, maar ook in allen opzichte door uwe Exc: worden behartigd durf ik de vrijmoedigheid gebruiken om UwExc:Eerbiedig te verzoeken, om een verbod te doen uitgaan, dat niemand die banken gedurende dit wintersaisoen mag aanroeren op dat die in een volgend jaar tot Zeeland nut en voordeel mag verstrekken.
En daar men mij tevens heeft onderrigt eenige Lieden van Tholen die banken reeds bezoeken en van die Zaadoesters na andere banken transporteren, heb ik gemeend om zonder uitstel die zaak Uw Exc: eerbiedig aan te bevelen.
Ik heb d’ Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DWDienaar
C. Crucq
Den 5 Oct: 1818

Aan de Commissie van de Haven Werken
Te Middelburg.

In antwoord op UwEd: Missive van den 4e dezer maand diend.
Dat van deze Stede geen schepen afvaren.
Dat het getal Poon of Visschuiten bedraagt 16.
En dat van de Hoogaarzen circa 25 terwijl zo van de een als de andere maar een enkelde is gemeten, dewijl zij als visser vrij zijn van het lastgeld en dat gemeten Poonschuiten 14 à 16 lasten en de Hoogaarzen 1 ½ en 2 Lasten houden.

Vertrouwende hier mede aan UwEd: intentie te hebben voldaan, heb ik d’ Eer met eerbied mij te noemen.
UwEdDWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 9:Oct.1818

Aan de Heer Gouverneur

Opgave het getal der geboorenen, gestorvenen en gehuwde gedurende de jaren 1815, 1816 en 1817.

Den 12e Oct: 1818

Aan de Heer Gouverneur van
Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer

Eindelijk heb ik het genoegen van Uwe Excellentie te kunnen berigten, dat ik na veelvuldige moeitens met de vrouw van Jacob Zoeter wegens zijn Pretensie de geweze Kustbewaarder dezer gemeente heb geaccordeert voor Eene Somme van Een Hondert Guldens.
Ik neem dus de vrijheid hier op Uwe Excellentie approbatie eerbiedig te verzoeken opdat deze moeijlijke zaak eijndelijk getermineerd worden en heb d’ Eer mij met schuldigen Eerbied te noemen
Uwe Exc: DWDienaar
C:Crucq
Den 12 october 1818

Aan de Heer Gouverneur van
Zeeland

Rekening en verantwoording van de som van f.200, geschonken door Zijn Majesteit, ten behoeve van de ongelukkige weduwen en kinderen welkers man en vaders op den 8 maart 1817 op de Banjart zijn verongelukt

Den 17e Oct: 1818

Aan de Heer Gouverneur.

Bericht van ontvangst van f.4.30 voor overvaargelden van den Veerman dezer Stede.
Den 19 Oct: 1818

Aan de Heer Gouverneur van
Zeeland

Rekening en verantwoording van de gemoedkoming van f.300 van ZM van de schuld dezer gemeente aan de geweeze Kustbewaarders.
Ik moet UwExc: daar bij observeren, omtrent den Persoon van I. van Wezel op de Rekening no 3 gemeld denzelve als Kustbewaarder voor Evert IJsebout was opgegaan onder voorwaarde van dezelve belooning als de andere te zullen ontvangen, zoals dan ook aan hem de betaling is geschied totdat men buiten de mogelijkheid is gesteld, wegens de wanbetaling der gemeente, dat na de omwending ten jare 1814 voorschreve van Wezel en het Bestuur en genoemde IJsebout om voldoening heeft aangehouden tot dat laatstgemelde hem de bij gevoegde Wissel heeft geteekend en vervolgens die pretensie wegens gemaakte schulden te Veere bij en aan J.J. Jansen heeft overgedragen, terwijl IJsebout daar na overleden zijnde, men weder het bestuur heeft lastig gevallen, aangezien laatstgemelde niets heeft nagelaten, om de Voldoening te erlangen, waarom ik geen zwarigheid heb gemaakt tegen overgaaf der Wissel gemelde Jansen volgens accoord uit te betalen.
Waar mede ik d’ eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DWDienaar
C. Crucq
Den 26e October 1818.

Aan de Heer Gouverneur van
Zeeland

Vermelding van zich alhier bevindende Verlofgangers der Nationale Militie

C.Crucq

Idem

De staat der Stedelijke Kas van eind September1818, waarbij het op heden voorhanden zijnde fransche geld en de berekening van het daar op te lijden verlies: een verbaal in duplo opgesteld; hierbij gaat 1 exemplaar.
C.Crucq.

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Daar Nieuwerkerk en Mortier tot deze gemeente behoorende , noch Dorp, noch gehucht of eene afzonderlijke Gemeente heeft uitgemaakt, maar altijd tot deze Plaats heeft behoord, en als zodanig met dezelve als Een Gemeente is gerekend, heb ik ook op de staat van bevolking die alzo opgemaakt , dan op het verlangen van Uwe Exc: mij bij missive van den 28 dezer maand 1 afd No 2983 te kennen gegeven , heb ik d’Eer die geredresseerde staat hier bij aan Uwe Exc: te doen toekomen en mij Met Eerbied te noemen
Uwe Exc: DWDienaar
C.Crucq.
Den 30 Oct: 1818

Aan Heeren Ged, Staten
Van Zeeland

Edel Groot Achtbare Heeren !

Bij UwEdGroot Achtb: dispositie van den 30e Oct:j.l.no 5 den Persoon van C.D. Baars tot secretaris dezer Stede conform onze gedane voordragt benoemd zijnde, zullen wij denzelven als zodanig beEdigen en Installeren zodra wij de approbatie op de door ons ingediende Instructie voor den secretaris van UwEdGrAchtb: zullen bekomen hebben.
Intusschen hebben wij conform art.84 van et Reglement van Bestuur van den 21 Junij 1816 no 4? Op heden tot ontvanger dezer stede benoemd den aangesteld voorschreve persoon van C.D. Baars waarop wij UEdGrAchtb: approbatie Eerbiedig verzoeken.
Wij hebben d’Eer ons met verschuldigde Eerbied te noemen
Uw EdGrAchtb: DWDienaren
Burgemeester en Raden voorn:
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
J.de Marée LZ??

Den 20e November 1818

Aan de Heer Gouverneur van
Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Ik heb d ‘ Eer hier bij aan Uwe Exc: te doen toekomen een dubbel van de door Uw Exc: goedgekeurde Rekening en verantwoording der gift van Z.M.aan de weduwen en kinderen van de op den8 maart 1817 verdronken visserlieden dezer Stede gerequireerd bij UwExc: Missive van den 19e dezer maand 1 afd no 2990
Waar mede ik d’ Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DW Dienaar
C.Crucq
Den 30 Novb 1810

Aan Kommissie tot Verificatie der Pretensiën van de Gemeenten in Walcheren en Sint Joosland ten laste het Engelsch Gouvernement te Middelburg

Op den Staat der Pretensiën dezer Gemeente ten laste van het Engelsch Gouvernement, gevoegd bij UEdAchtbare Missive van den 23 dezer maand geen bedenkingen hebbende , heb ik d’ Eer die hierbij aan UEd Achtb”te retourneren.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 30 Novb.


Aan de Provinciale Commissie
Van Geneeskundig toeverzigt te Middelburg.

Een geruime tijd geleden heeft de Heer J.C. Lukus gemeente Chirurgijn & vroedmeester te Colijnsplaat zich aan het bestuur dezer stede geaddreseerd om als zodanig alhier te worden geadmitteerd, dat verzoek is hem toegestaan ( daar deze plaats een genees en heelkundige waarlijk benoodigd heeft, om meer dan eene reden, en dezelve zo het schijnt weinig in aanmerking word genoomen onder mits de denzelven de nodige bewijzen aan UEd zoude overleggen, en een certificaat van zijn zedelijk gedrag van zijn laatste woonplaats; aan de Eerste requisitie heeft hij voldaan, doch niet aan de laatste; tegen de orders van het bestuur is hij komen er ? wonen en zo men zegd oefend hij de Practijk uit, en ik heb hem aangezegd om binnen 14 dagen laatstgenoemde bewijs in te leveren, waarvan reeds 8 verloopen zijn, of bij mankement dat hij de Plaats mogt ruimen en waar aan hij heeft beloofd te voldoen.
Ik geef op verzoek UE: daarvan kennis hoezeer anders vermeen? Zulks dan te moeten doen, wanneer hij met overleg van de gerequireerde bewijzen inde daad als Chirurgijn & vroedmeester alhier volledig was geadmitteerd

De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 11 decb.1818

Aan de Heer Gouverneur van
Zeeland.

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Op het onverwagts is mij berigt gedaan dat de beide Reepen voor het Speel en Slagwerk aan de Klok zonder gevaar niet langer konden dienstbaar zijn; waar op ik na de kosten daar van aan de Lijnbaan de Zwarte Cabel heb vernomen en weder? Mij zijn opgegeven te bedragen eenen som van f. 59,05.
En daar de post voor de gewone reparatiën aan het uurwerk voor dit jaar geaccordeerd, niet permitteerd de betaling daar uit te doen, zo vinde ik mij verpligt UwExc: Eerbiedig te verzoeken van aan mij te accorderen, om die som uit de onvoorziene uitgaven van dit lopende jaar te mogen voldoen.
Ik heb d’ Eer met de veschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DWDienaar
C. Crucq
Den 14 Decb. 1818

Aan de Prov: Commissie van
Geneeskundig onderzoek en Toeversigt
In Zeeland.
Op de drie gedane vragen in Ued: missive van den 11 dezer maand voorkomende , diend tot antwoord
1e Dat ons niet bekend is, hier eenige Lieden zijn, die zouden begeren gevaccineerd te worden
2e Dat in de Schoolen alhier bestaande onderscheidene kinderen zijn, die nimmer de kinderziekte hebben gehad of aan wien de kunstbewerking de vaccine is beproefd, en
3e Dat er geen personen zijn, die uit de Plaatselijke kas gealimenteerd worden, die nimmer de kinderziekte gehad hebben, of aan wien de koepokinenting niet is verrigt.
Burgemeester en Raden
Voornoemd
C. Crucq.
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris.

Aan de Heer Griffier der
Staten van Zeeland

Ik heb d’Eer op de aanmerkingen op de Begroting dezer Stede voor den dienst van 1819 gevoegd bij UwEdGestr. Missive van den 9e dezer maand te berigten.
1e aan het uurwerk is even als in de vorige jaren, zo als toen is gespecificeerd geworden en bestaat
voor het dagelijks opwinden van het uurwerk f.60
Aan de Adsistent Kloksteller voor jaarlijks Tractement f.10
En voor jaarlijkse Schoonmaken en geringe reparatiën f.30

f.100

2e Aan de Ponte is mede in de vorige jaren opgegeven, en is zo voor het van tijd tot tijd branden der Ponte ? het opvoeren van puijn op de Dammen, en het onderhoud der kleppen aan de Ponte, waar voor jaarlijks word berekend nodig te zijn f. 30
3e Eene begrooting van het Armbestuur, is bij den Staat van 1819 overgelegd, en gaat hier een uittreksel uit de Armen Rekening van 1817, zoals die in het bijzijn van gecommitteerde uit het bestuur is gesloten.-
Waar mede ik mij met Eerbied noem.
Uw EdGestr. DWDienaar
De Burgemeester
C.Crucq.
Den 21 Decb. 1818

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

De redenen van de vermeerdering der bevolking dezer Stede, zedert 1815 zijn te vinden; eensdeels dat van dat jaar tot heden 74 meerder zijn geboren dan overleden, en anderdeels dat nog van elders zijn komen inwonen, en genoegzaam geen die den Plaats hebben verlaten.
En hier mede aan Uw Exc: intentie bij deszelfs Missive van den 17 dezer maand 1 afd no 3431 nog te kennen gegeven hopende voldaan te hebben heb ik d’ Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Exc: DWDienaar
C. Crucq.
Den 21 decb. 1818

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Ik heb d’ Eer in voldoening aan Uwe Exc: aanschrijving van den 22e dezer maand 1 afd no 3457 bij deze Uwe Exc: de Leden uit den Raad Jan van der Weele en Cornelis Kraamer voor te stellen tot het teekenen en afgeven der attesten bij de Wet op den Nat: Mil: gevorderd wordende, waarbij ik voeg hunne naamteekening, als die van mij en van mijn Plaatsbekleeder in triplo.
Ik heb d’ Eer met verschuldigde Eerbied mij te teekenen.
Uwe Exc: DWDienaar
C. Crucq
Den 28e Decb. 1818

Aan den Gouverneur

Het register van namen van Verlofgangers van de Nationale Militie.
28 decb. 1818.


Aan de Heer Gouverneur van
Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

In voldoening aan Uwe Excellenties aanschrijving van den 21 ezer maand 1 afd. no 2934 heb ik d’ Eer de daar bijgevoegde tabelle betrekkelijk de uitvoering van het Reglement van den 20e October 1817 op de Springstieren behoorlijk ingevuld hier bij aan Uwe Exc: te doen toekomen, waar dus Uwe Exc: zult ontwaren ik mij in dat opzicht met de gemeente van Cleverskerke heb gecombineerd.
Met verschuldigde Eerbied teeken ik mij
Uwe Exc: DWDienaar
C.Crucq
Den 30e Decb 1818

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Daar Hunne Ed:GrAchtb: de Heeren Ged. Staten, maar alle drie maanden op de verzoeken om uit de onvoorziene uitgaven eenige betalingen te doen disponeren heb ik gemeend de nodige opgaven te moeten verzoeken om te kunnen nagaan of de geaccordeerde Bureaukosten voldoende zijn, om dezelve te kunnen betalen op dat in de op te makene rekening voor dit Jaar geen vertragens zoude plaats hebben;
Waar op mij is gebleken
Dat voor de generale kosten voor het Huishoudelijk Plaatselijk Bestuur op de Staat van begrooting voor dit jaar is geaccordeerd eene Somme van
f.199
waarvan reeds is betaald
voor de StaatsCourant heden f. 24
voor de Bode heden 50
voor de rekening chemises ?
en zegels 5.85
Zegels Reg.Burg Stand 26.25
Transportkosten & idem 9.15
Staatsblad 3 kwartalen 5.15
Idem 4 kwartaal 1.37 ½
Suppl Reg . van geboorte 1.85

Staat nog te betalen
Aan I.C. Harthoorn voor geleverd
Ligt &Brandstof etc 34.60
Aan idem voor schoonmaken
Van het stadhuis 14.80
Schrijfbeh: aan van Benthem 17.15
Aan drukloonen aan de Erven
Altorffer 10.20
Zegels ordonnantiën 1.7 ½

f.202.09
dus een tekort van 3. 09
Welke drie Guldens negen Cents ik de vrijheid gebruik Uw Exc: Eerbiedig te verzoeken om dezelve op de post van onvoorziene uitgaven van dit jaar te mogen mandateren
Ik heb d’ Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DWDienaar
C.Crucq
Den 31 Decb.1818

HET JAAR 1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel gestrenge Heer !

Hierbij doe ik UED toekomen de Zetting van het Brood op heden bepaald na de opgaaf door de Regering van Middelburg van de prijsbepaling van het graan alles conform het Reglement op de Zetting van het Brood in de Provincie door de Heeren Staten den 9e Juli 1818 gearresteerd
Uw Excie DW Dienaar
C. Crucq
Den 11 Jan:1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hierbij gaat een staat van de geboorenen en overledenen in deze Gemeente; in het afgelopen jaar zijn alhier 12 Huwelijken voltrokken.

Uwe Excie DW Dienaar
C, Crucq
Den 15 Jan: 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

In voldoening aan Uwe Exc: aanschrijving van den 14e dezer maand 2 afd.no 75 diend dat het Domein aan geenerleij gestichten binnen deze Gemeente iets hoe ook genaamd verschuldigd is, noch ook dat de Kerktoorn, Pastorie of Schoole aan dezelve toebehoord.
Etc

Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 18 Januarij 1819

Aan de Provinciale Commissie van Geneeskundig onderzoek
Te Middelburg

In antwoord op Uw circulaire van den 13e dezer maand no 160 diend, dat in deze gemeente geen chirurgijn woonachtig is, en ik dus onbewust ben of door anderen gedurende het afgeloopenen jaar de kunstbewerking der Vaccine alhier is verrigt, terwijl ik ook niet weet, of de kinderziekte in dat jaar in deze Gemeente heeft geheerscht.
Etc.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den 18 Jan: 1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hierbij gaat het Inschrijvings Register en den Alphabetische Lijste van de Manspersonen in 1800 geboren, terwijl geen vrijwilligers voor de Nationale Militie zich hebben opgedaan.
ETC.
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 29 Jan: 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

In voldoening aan Uw aanschrijving van den 21e dezer maand etc. heb ik de eer Uw Exc: te berigten dat in deze Gemeente geen gepensionneerden van den Staat woonachtig zijn, terwijl ik met verschuldigde Eerbied mij teeken
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 29 Jan: 1819

Aan den Heer Burgemeester
Van Sluijs

Bij Uw Missive van den 3oe der vorige maand zie ik mij verzogt om de Huwelijks verloving tusschen Cornelis van Klashout met Rosa Catharina van Winsberghe binnen deze Gemeente bij Publicatiën te doen ter oorzake den eerstgenoemde alhier zoude wonen; dan ik vinde mij verpligt UEd daar op te berigten ik onbewust ben gen: van Klaphorst alhier heeft gewoond of zich alhier bevind. Wel is waar den zelven ten Jare 1815 alhier aan het Canaal met zo veele andere vreemdelingen heeft gewerkt maar ik alle die Lieden nimmer als Inwoonders heb erkend, en zij ook niet als zodanig zich hebben aangegeven, terwijl na dien tijd de gemelde Klashorst als alle de anderen van hier zijn vertrokken zonder van dezelve daar na iets meer te hebben vernomen, waarom ik van gedagten ben de Huwelijksbekendmakingen alhier geen plaats moeten hebben.
De Burgemeester beambte
Van den Burgelijken Stand
C. Crucq

Den 2 febr: 1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland.

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Het Rekwest door Francois Richard, deurwaarder en Veldwagter in het kanton Veere daarbij verzoekende betaling eener som van f.7,55 wegens bij hem gementeerd voor gedane sommatiën tot invordering der kustbewaarders gelden in deze Gemeente ten Jare 1817 aan Uwe Exc: gepresenteerd, en bij missive van den 5e dezer maand 2 afd.no 366 door Uwe Exc: aan mij gezondenom daar op te dienen van berigt en advies.
Heb ik de eer in voldoening daar aan Uwe Exc: te berigten dat ik voorz: Rekwest ingezien hebbende de daar in opgegeve werkzaamheden ter invordering van de Kustbewaarders gelden door gem: Richard zijn verrigt hij geen belooning door de nonbetaling heeft bekomen, en ik dus van gedagten ben die f.7.55 door den Ontvanger uit de bij hem nog voor handen zijnde f.20 aan den Rekwestrant zoude kunnen worden betaald, indien UwExc: daar toe de nodige autorisatie geliefde te verleenen.
Voorschreven Rekwest aan Uwe Exc: hier bij retournerende heb ik d’eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 10 febr: 1819.

Aan Heeren Ged.Staten van Zeeland

Edel Groot Achtbare Heeren

De Instructie van den Secretaris dezer Stede door UwEdAchtb: bij derzelver dispositie van den 8e Jan: dezes jaars gearresteerd bij ons ingekomen zijnde hebben wij den persoon van C.D. Baars bij UwEdAchtb: dispositie van den 30 Oct:1818 no 5 als secretaris dezer stede aangesteld op heden beEedigd en geïnstalleerd waarvan wij d’Eer hebben een verbaal aan UEdAchtb: te doen toekomen.
Wij zouden hem ook dadelijk als Ontvanger der Stede beEedigd hebben, indien hij op onzen voordragt bij Missive van den 20 Novb 1818 UwEdAchtb: approbatie hadden mogen bekomen, welke wij bij deze als nog eerbiedig verzoeken.
Waar mede wij d’Eer hebben met verschuldigde Eerbied ons te noemen.
UwEdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester &Raden voornoemd
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Voor den secretaris
J. de Marée
Lid van de Raad
Den 27 febr: 1819

Aan den Minister van Oorlog

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hierbij doe ik U toekomen de declaratie in duplo met Borderel en Bons, wegens overvaargelden van militairen over het veer dezer Stede van het laatste halfjaar van 1818 met eerbiedig verzoek daarop ordonnatie van betaling te verleenen.
Etc.
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 8 maart 1819

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hierbij op Uw verzoek doe ik U toekomen een opgave van het getal der geboorenen en gestorvenen in deze gemeente in het Jaar 1814 terwijl in dat jaar het getal van aangeganen Huwelijken bedraagd 6 paar, en hebbende geen Echtscheidingen plaats gehad.
Etc
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 10 Maart 1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hierbij gaat de zetting van het Brood in dezer Gemeente, over de drie Eerste maanden van dit jaar opgemaakt conform het Reglement van den 9 Julij 1818
Etc.
Uw Exc: D.W. Dienaar
C.Crucq
Den 31 Maart 1819

Aan den Heer Officier van Iustitie te Middelburg

Heden mij berigt gedaan zijnde van een gepleegde diefstal in de verloopen nagt, zo heb ik daaromtrent het nodig onderzoek doen verrigten , van het gebeurde verbaal en verklaring laten maken, en zonder den dader op dit oogenblik te apprehenderen, als nu niet tegenwoordig zijnde, gemeend al hetzelve dadelijk aan UwEdGestr: te moeten opzenden.
UwEdGestr: nadere orders hier op inwagtende, heb ik d’ Eer met allen Eerbied mij te noemen
UwEdGestr: DW Dienaar
C. Crucq
Den 3 April 1819

P.S. Na het schrijven dezer heb ik berigt van den tegenwoordigheid van den dader vernoen, dadelijk geapprehendeerd; zit in bewaring verzoeke nu hem met de nodige adsistentie te doen afhalen.

Aan Heeren Gedeputeerde Staten van Zeeland

Edele Groot Achtbare Heeren!

Bij UEdGroot Achtbare dispositie van den 19 maart dezes jaars no 23 de door ons gedane benoeming van den Persoon van C.D.Baars tot gemeente Ontvanger geapprobeerd zijnde, is denzelven op heden als zodanig beEdigd en geïnstalleerd geworden, waarvan wij d’Eer hebben het door ons opgemaakt verbaal aan UEdGrAchtb: te doen toekomen en met verschuldigden Eerbied ons te noemen.

UwEdGr Achtb: DW Dienaren
Burgemeester & Raden voorn:
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Voor den secretaris
Jan: de Marée
Den 10 April 1819

Aan de Heer Ontvanger Boddaert te Veere

Mijn Heer!

De benoeming van C. Baars tot Gemeente Ontvanger door het Stedelijk bestuur gedaan, nu bij dispositie van Heeren Ged; Staten in dato 19 maart j.l. geapprobeerd zijnde, en denzelven als zodanig door de Gemeente Raad zijnde beEedigd en geïnstalleerd geve ik UwEd: daar van kennis, met verzoek om ingevolge art:3 zijner Instructie de dato 8Ja: l.l.onder behoorlijken Inventaris in triplo te formeren aan hem ter hand te stellen alle Registers, papieren en documenten tot de comptabiliteit der Stede behoorende.
Zo mede die gelden welke zullen blijken het batig saldo van 1818 uit te maken
UEd: de bespoeding der te doeneRekening verzoekende, conform de uitnooding van den Heer Griffier der Staten, heb ik d’Eer met alle achting mij te tekkenen
UwEdDW Dienaar
De Burgemeester
C. Crucq

Den 13 April 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hierbij zend ik op Uw aanschrijving nopens een opgave der Bosschen in deze Gemeente
Een staat.
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 10 April 1819
Aan de Heer Gouverneur van Zeeland.
Hoog Edel Gestrenge Heer!

In voldoening aan art:22 van het Reglement omtrent de Zamenstelling der Staten dezer provincie, heb ik d ‘Eer de opgemaakte Alphabetische Lijst der personen welke in deze Gemeente f.200 en daar boven in de grondlasten betalen, aan Uwe Exc: te doen toekomen, en tevens te berigten dat het getal Stemgerechtigden alhier bedraagt 32 waarvan 20 in deze gemeente woonachtig zijn.
Etc.
UweExc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 20 April 1819.

Aan de Centrale Directie van Walcheren

In voldoening aan Uw verzoek heb ik d’Eer U de navolgende Personen op te geven, welke gewonelijkhunne beesten langs de kleijwegen onder deze Gemeente weijden als
Adriaan Zuurmond met 2 koeijen
Jan Tramper met 2 koeijen
Etc.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 29 April 1819


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Ter voldoening aan Uwe Exc: aanschrijving van den 17e April j.l.behelzende een opgaaf van een dubbeltal personen tot de benoeming van Notabelen voor de Hervormde Gemeente dezer Stede heb ik d’Eer daar deze Gemeente bij de duizend zielen bedraagd de navolgende 16 personen Uwe Exc: voor te stellen:
A. Adriaanse, A. v Eenennaam J. Crucq, M.Kraamer, J.Buijs, L,Wisse, J, Schoonenboom, A. Koets ,,J.L. de Rijke, C. Kraamer, J. Schets, A. de Smit, J.B. Joosse, J, Adriaanse, C. Vinke en P. Zwigtman.

Ik vinde mij verpligt U hierbij te berigten dat het Kerkbestuur alhier bestaat uit drie leden uit de Regering en twee uit de Gemeente, welke laatste door den Kerkenraad worden benoemd, en die administratie thans zeer eenvoudig is, als wordende door dezelve de reparatiën aan de Kerk geordonneerd, staan bij den Godsdienst met een bus ter inzameling voor het onderhoud en neme de de Kerk Rekening op geadsisteerd met den Kerkenraad, die jaarlijks door den Boekhouder word gedaan, terwijl de Kerk geen meerder lasten bekomende of geen bijzondere rampen treffende uit de Colecte en uit het Zitgeld kan onderhouden worden, terwijl ik meen? Dat zeer weinige tot het meerder omslagtig werk volgens het Nieuw kerk Reglement zich zullen laten vinden, daar de ondervinding reeds geleerd heeft, met hoeveel moeitens het gepaard gaat, om leden voor het bestuur te bekomen; waarom het bestuur zo wel als den Kerkenraad verlangd, dat die administratie op den tegenwoordigen voet mogt blijven.
Ik heb d’ Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq.
Den 1 Meij 1819.

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Ik heb d’Eer aan Uwe Excie hierbij te doen toekomen een Proces Verbaal door het bestuur heden opgemaakt inhoudende het resultaat der stemming van kiezers voor dit District en zulks in voldoening aan art: 28 van het Reglement van den 2 April 1818
Etc

UweExc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 13 Meij 1819

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Het Rekwest door eenen van Dijkshoorn in naam van van Poelje zich noemende behuwd Broeder en speciaal gemagtigde van W Reijnvaan aan Uw Exc: gepresenteerd houdende verzoek om diens laatstgen: pretensie als geweezen kustbewaarder voor deze Gemeente te mogen erlangen in mijne handen gesteld zijnde om daar op Uwe Exc: te dienen van berigt.
Heb ik d’Eer Uwe Exc: te informeren dat gem: W.Reijnvaan door het toenmalig Bestuur voor de Gemeente als kustbewaarder à f.14 ’s maands is aangenomen geworden, en hij ook het Eerste jaar van zijn dienst volledig zijn loon heeft ontvangen, en daarna heeft gedeeld in het lot van al de anderen
Dan verder
Dat hij het toenmalig Bestuur met zijn Engagement heeft misleid, daar hij voor de conscriptie nog niet had geloot, dat eerst daar na is ontdekt geworden bij de Loting en waar door bij zijn vertrek het bestuur weder is genoodzaakt geworden om in nadeel van de gemeente een andere op een premie of handgeld aan te nemen, dat in die tijd zeer moeilijk gebeurde
Dat hij bij zijn vertrek aanhoudend om eenig geld het bestuur heeft lastig gevallen, en ook daar na zijn zuster, dat aan dezelve naar mate de kas zulks toeliet heeft plaats gevonden, onder toezegging,daar hij vertrok en mogelijk nimmer zoude terug keeren hij ook de regering hoe zeer nog eenige pretensie behoudende niet meer lastig zoude vallen.
Dat niet dan zijn zuster die zo het schijnt met C. van Poelje gehuwd te zijn korten tijd voor het presenteren van het Rekwest door genoemde van Dijkshoorn mij heeft aangesproken over die voorgewende pretensie van haar Broeder welke ik mogt veronderstellen niet meer in leven te zijn, daar ik na zijn vertrek weinig of niets meer van hem heb vernomen.
En dat ik mitsdien sustineer gemelde Reijnvaan zo uit hoofde van Zijne misleiding als gedane toezegging niets meer kan pretenderen.
Ik hoop hier mede aan Uw Exc: intentie te hebben voldaan, en met terugzending van dat Rekwest heb ik d’eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 17 Meij 1819

Aan de Heer Ontvanger
Boddaert te Veere

Mijn Heer!

De Militairen die heden morgen als garnisaires zijn gekomen ter invordering van de Stedelijke belasting over 1818 heb ik laten plaatsen bij die welke in het vorig jaar hadden kunnen betalen en door onverschilligheid zulks niet hebben gedaan,korten tijd na hunne plaatsing wandelde die manschappen in plaatst van de goederen te bewaren door Arnemuiden, daar mede niet voldaan begonnen zij al in den morgen om slaapplaats voor de nagt te hebben te zorgen, ten dien einde kwamen zij aan mijn huis om te vragen waar zij zouden slaapplaats bekomen, daar dit bij die lieden daar zij zich nu bevonden niet was, waarop hun s te kennen gegeven, dat dit nog zeer vroegtijdig was, om daar aan te denken, en hun antwoord was al zeer kort, dat dan in dat Logement voor Rekening van de Burgemeester zouden gaan- wijzende na de herberg.
Wijders is er een van de nademiddag gekomen ten mijnen huize wanneer ik niet thuis was zeggende hij geen eten konden bekomen, dit was er een die de vorige keer hier heeft geweest, mijn vrouw geeft hem brood, hij vraagt om drinken, dat bekomt hij, maar nu smijt hij het brood met de ijsselijkste vloeken en verdoemenissen op den toog en bejegende mijn huisvrouw door zijne brutale uitbrakingen op eene allesints ongehoorde wijs terwijl reeds bij hun eerste komst in den morgen de behandeling gansch niet vriendelijk was en scheen het nu van kwaad tot erger te zullen gaan; thuis komende begreep ik zodanige garnisaires anders? in staat waren oproer ? te verwekken dan nalatige tot gehoorzaamheid te verpligten, en aangezien zij in den morgen verklaard hadden niet te zullen logeren van den nagt daar zij nu lagen, even min op het Stadhuis, en het maar verdonderen ? hier in Arnemuiden was heb ik denzelven heden avond ontslagen, daar ik zodanige bejegening niet langer of meer? Verkies te ondervinden.
Ik verzoek UED hier van berigt te doen daar en waar UEd zulks meent verpligt te zijn, terwijl ik voor dezen dag aan die garnisaires geen de minste loon zal nog kan toekennen, en ook het voornemen heb om hier van ZE den Heer Gouverneur mondeling en ook schriftelijk berigt van te doen.
Ik heb d’Eer met alle achting te zijn
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 21 Meij 1819


Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer

Op Vrijdag den 21 dezer maand is bij in den vroegen morgen gekomen den Deurwaarder F. Richard die mij te kennen gaf alhier te zijn gearriveerd met vier militairen uit naam van den Heer Ontvanger Boddaert ten einde dezelven te gebruiken als garnisairen bij de nalatige in de voldoening van het Stedelijk Hoofdgeld over 1818, mij verzoekende om deswegens de nodige inlichting te geven . Waaraan ik heb voldaan terwijl door den genoemden deurwaarder die militairen zijn geplaatst waarna hij is vertrokken.
Die garnisaires in plaats van in de huizen waar zij tot bewaring der goederen waren gelegd te blijven ,wandelende niet alleen al spoedig door Arnemuiden maar waren reeds in den morgen bedagt, om voor Slaapplaats in den nagt te zorgen. Ten dien eindekwamen zij in den morgen aan mijn Huis om te vragen waar zij van den nagt moesten logeeren en daar ik niet wel hun zelve te sprake konde staan, werd hun door mijn Huisvrouw gezegd dat zij zulks niet wist en ook nog vroegtijdig was om daaraan te denken; waarop zij hun ongenoegen te kennen gaven met eenen gantsche onbetamelijke wijs met te zeggen dat zij daar niet konden logeeren daar zij geplaatst waren, evenmin waren zij voornemens op het stadhuis te logeren, zoo als zulks bij een vroegere keer een nagt had plaats gegrepen. Dat het hier in Arnemuiden maar verdonderen was; en indien zij heden avond om 10 uuren geen logies hadden, zij dan voor Rekeninge van de Burgemeester in de Herberg zouden blijven of bij de Burgemeester komen en bij hem verblijven, waarna zij zijn heen gegaan.
Daar na is tussen 12 en een uur een militaire gekomen om ons? te spreken- dan (ik)om eenige Particuliere affairen na Middelburg zijnde, gaf die garnisaire(s) al spoedig aan mijn Huisvrouw zijn ongenoegen te kennen dat ik niet thuis was, zeggende dat hij om eeten kwam vragen, daar hij zulks niet kon bekomen alwaar hij gelogeerd wsa. Mijn vrouw geeft hem een broodje, dog zeide hij dat was niet genoeg, hij had ook dorst, waarop mijn vrouw hem een kom theewater haald; dan daar mede komende, barste hij uit in ijsselijke vervloekingen, en smijt het brood op den toog, zeggende voor hier en voor daar geen gebedeld brood te willen hebben. Mijn vrouw tragt hem te bedaaren, dan vrugteloos, hij gaat voort met uijtbraaking van zwaare vloekwoorden en verdomde dan dit, dan dat en na hier in zijn Lust geboet ? te hebben, verliet hij mijn Huis.
In den avond thuiskomende, en van mijn vrouw die over zodanige hevige bejegening zeer ontroerd was, berigt ontvangen hebbende, heb ik hun mijn ongenoegen te kennen gegeven dan vernemende hoe zij onder het volk over het een en ander gantsch ongeschikte redenen hielden, begreep ik zij eer in staat waren oproer te verwekken, dan nalatigen tot hunne verplichting te brengen,- waarom ik hun ontsloeg en na Veere terug zonde hebbende ik den Heer Ontvanger daar van kennisgegeven en een Verbaal gezonden.
Ik had gisteren het oogmerk Uwe Excie daarvan mondeling berigt te doen, dan het geluk niet treffende Uw Exc: te spreeken, zo is het met deze dat ik daar van berigt doen en ik hoop daar ik heb vernomen dat verbaal der Heer Generaal dezer Provincie is toegezonden, door Zijn Edele zodanige maatregelen zullen worden genomen dat ik die al veel onaangenaamheden soms van mijne inwoonders moet verduuren ten minsten van die van militairen zal bevrijd blijven en waarom ik bij dezen ook de vrijheid neme(n), mij in Excie Protextie/protectie eerbiedig aan te beveelen, opdat ik in staat zijn mag mijn Post volgens Pligt en ’s Lands wetten waar te nemen.
Ik heb d ‘Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Excie: DW Dienaar
C. Crucq.
Den 25 Meij 1819

Aan de Heer Ontvanger
I.Boddaert

Mijn Heer!
Tot staving van het verkeerd en berispelijk gedrag door de Militairen als garnisaires in de voorgaande week alhier gehouden bekomt UwEd: hierbij nog drie verbalen, die wanneer zulks geEischt mogt worden nog wel kunnen worden vermeerderd,-- en ik verzoek UEd: dezelve in UEd: kwaliteit opzend, daar en ter plaatse UEd: het eerste verbaal heb opgezonden.
Ik heb van het voorgevallenen den Heer Gouverneur schriftelijk berigt gedaan, en van de verbalen copie gehouden, om in staat te zijn zijne Exc: zulks requirerende te kunnen doen toekomen.
Met alle achting heb ik d’Eer te zijn
UwEdDW Dienaar
C.Crucq.
Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Bij Uwe Excellentie missive van den 25 dezer maand gisteren ontvangen, terug bekomende een Extract uit de staat DD. Van de op den 1e Meij j.l.door mij aan Uwe Excie overgegeve manschappen als niet voldoende ingevuld zijnde, met last om dat Extract geredresseerd voor het einde dezer maand te doen terug geworden, vinde ik mij genoodzaakt U te informeren dat die persoon welke daarop is gemeld, en als remplacant voor E.J. Hondius opgaande, als die welke zijn medegedeeld geworden aangezien hij maar kort uit den dienst was ontslagen, dus niet anders had, dan een Paspoort waar op hij is aangenomen,, en waar in zijn ouderdom wel was gemeld, dog niet de dag of maand zijner geboorte,, terwijl hij den 29e April j.l. goedgekeurd reeds den 1 meij daar aan is in dienst gegaan, en mitsdien geen gelegenheid overbleef om zijn Doop of geboorte Extract van Eijne ? te doen halen.
Ik heb mij heden bij dom. Hondius geinformeerd of soms op het contract met den Remplacant melding daar van werd gemaakt; dan ook niet anders, als zijn ouderdom zonder maand of dag van geboorte.
Ik moet dus dat Extract aldus Uwe Exc: retourneren, tenzij mij tijd vergund werd om aan den Schout van Eijne ? om zodanig geboorte Extract te schrijven, want den Remplacant kon bij het opnemen van het Een en ander mij die inlichting niet mededeelen.
Ik heb d’Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 28 Meij 1819

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

De Heer Boddaert ontvanger dezer Stede verzoekt mij bij Missive van den 26 dezer maand gisteren ontvangen om een uitstel van vier weken tot het doen van de Stedelijke Rekening voor 1818 ter oorzake de Procedures begonnen tegen de nalatige Contribuabelen in den Hoofdelijke omslag nog niet zijn getermineerd.
Hoe zeer daar van overreed en van het moeijlijk van dat in te vorderen, waarvan ik reeds zo veel onaangenaame ontmoeting heb gehad, vermeene ik evenwel dat verzogte uitstel zonder UwExcie: toestemming niet te mogen accorderen, waarom ik Uwe Exc: verzoeke en mij met verschuldigde Eerbied noem.
Uw Exc: DW Dienaar
C.Crucq
Den 28 Meij 1819

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel gestrenge Heer!

In antwoord op Uwe Exc: Missive van den 28 dezer maand 1 afd. no 1382 opzichtelijk de gepretendeerde vordering van C. van Poelje voor zijn schoonbroeder Willem Rijnvaan van kustbewaardersgelden, en waaromtrent de door mij gemaakte bedenkingen bij Missive van den 17 bevorens, voor niet voldoende door Uw Exc: worden beschouwd neeme ik de vrijheid daar op te remarqueren:
Dat hoewel het gebleken is, het Fransch bestuur ook de zodanige aannam, welke nog niet hadden geloot,gem: Rijnvaan even daardoor zijn engagement niet heeft kunnen volbrengen, en dit bestuur in de onaangename en nadeelige situatie is gebragt om een ander voor hem te moeten ?? terwijl wanneer hij die pretensie zelve zo voor deugdzaam had gerekend te zijn, mij daar over vroeger dan eerst in 1819 had aangesproken,maar zijn zuster in Veere wonende, en daar waarschijnlijk van die, welke als gemagtigde van een voormalige kustbewaarder dezer gemeente met mij in het vorig jaar accoord heeft aangegaan en ook eenige betaling bekomen heeft. Dit vernomen hebbende zal zeer zeker haar broeder tot eene nieuwe vordering hebben opgewekt, dewelke vermeende dat voorige toezegging die zeker maar mondeling is geweest nu na eenige jaren uit het geheugen is ontsnapt, en daar bij het advies van eene van Dijkshoorn, en zie daar zo het mij toeschijnt de ware oorzaak van die vernieuwden Eisch.
Wat nu aangaat de verbintenis tusschen het Bestuur en genoemde Rijnvaan daar op valt geen bedenking, dan heeft hij niet volledig zijn loon ontvangen, ook hij heeft niet zijn tijd uitgediend.
Intusschen indien UwExc: het een en ander door mij aangevoerde niet genoegzaam acht, om die pretensie te betwisten en van de hand te wijzen, zo zoude mijns oordeels geen andere weg dan die van een minnelijke overeenkomst in dezen te bewandelen zijn, daar volgens het aantekening Boek zijn pretensie alsdan nog f. 163:45 zoude beloopen, dat circa den helft minder is dan van die waaromtrent ik met Uw Exc: approbatie uit de gift van Z.M. onzen geEerbiedigden Koning in een vroeger jaar accoord heb getroffen, en hoewel dan hem niet meerder dan f.30 à f.40 daar van zoude kunnen worden toegekend, dat het door mij geavanceerde in aanmerking nemende, waarlijk voldoende zoude kunnen geacht worden te zijn, moet ik UwExc: informeren van dat fonds niet meerder voorhanden is dan f.13:65 zo als UwExc: zal consteren uit deszelfs dispositie van den 14 April 119 1 afd no 954 en dus niet voldoende om zodanige betaling te doen ten zij Uw Exc: als dan behaagde het te kort op de onvoorziene uitgaven over dit jaar te alloueren te autoriseren.
Etc.
Uw Excie DW Dienaar
C. Crucq
Den 29 Meij 1819

Hier nog een stuk

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Bij mijne Missive van den 25 Meij j.l. gaf ik UwExcie berigt van het gehouden gedrag der militairen welke als Garnisaires eenige dagen te voren geweest waren en ik verkeerde in de gedagten dat de daar van opgemaakte verbalen aan den Heer Ontvanger Boddaert gezonden Uw Excie: zoude zijn toegekomen, dan van het tegendeel onderrigt, zo heb ik die terug gevraagd en neem de vrijheid dezelve hier bij te voegen;alleen op dat Uw Exc: daar uit constere de oorzaak van mijn ongenoegen over hun gehouden gedrag, en de redenen waarom ik dezelve heb weggezonden.
Ik heb d’Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
C. Crucq.
Den 8 Junij 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

De Stedelijke Rekening over 1818 door dhr Ontvanger Boddaert heden gedaan, en door den Raad en gecommitteerde bij voorrraad opgenomen zijnde, heb ik d’Eer die in triplo met de daar bij behoorende bescheiden hier bij aan uwe Excellentie te doen toekomen.
Ik heb d’ Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq.
Den 21 Junij 1819.


Aan den Heer Commandant
Der stad Middelburg

Ik heb de eer UwEdGestr: kennis te geven dat een visser dezer stede met name Jacobus Meerman mij heeft berigt , dat hij op Zondag l.l. zijn boot missende, dezelve na onderzoek heeft gevonden aan de Zuidbevelandsche wal, en daar in een chacot/sjako? een paar halve slopkousen, een paar sokken en een Banjonet met Bandelier, dat hij bij mij heeft gebragt, en dat ik bereid ben o Uw EdGestrenge requisitie af te geven.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq

N.B. Is hier sprake van een deserteur ?

Den 22 Junij 1819.

Aan de Heer Officier bij de Regtbank

Gisten avond heeft Grietje Janse huisvrouw van Joos van Belzen visser alhier woonachtig mij klagelijk te kennen gegeven, dat in den nagt van Zaterd: op Zond: den 19 à 20 dezer maand haar zoon Klaas van Belzen visser oud circa 18 jaren in een herberg zijnde bewoond door M.J.Schroevers: op de markt alhier met meer anderen zich daar vermakende door zekere Robbert Schroevers visser behoorende tot de landmilitie en alhier met verlof zijnde die aldaar mede was gekomen na eenige woordenwisseling tot vechten is genoopt , en daar op buiten gaande, op het Kerkhof hebben gevogten, en bij die gelegenheid ,door laatstgenoemde haar zoon aan het onderlijf heeft gekwetst en dat op gisteren dhr operateur Later te Middelburg die zij zulks heeft laten onderzoeken is verklaard dit door middel van een mes ? moet zijn geschied , zo als de moeder mede geloofde aangezien in den broek die haar zoon had aangehad een opening had ontdekt dat zich zeer wel deed aanzien door een mes geschied te zijn..
Dat behalve de twee broeders; van den gekwetsten Izaak en Leenderd van Belzen bij dit vegten nog tegenwoordig zijn geweest S. van Eenenaam Broodbakker alhier P.Dillewaarde Huzaar, doch thans na Brussel vertrokken en Cornelis Siereveld visser zoon van A. Siereveld wonende te Vlissingen, die evenwel niet hebben gezien, voorzeide Robbert Schroevers een mes bij zich had.
Op de klagte van die moeder heb ik gemeend UwEdGestr hier van te moeten kennis geven op dat UwEGestrenge volgens verlangen daaromtrend zodanige maatregelen worde genomen, die tot vorkoming van dergelijke onbetamelijke daden dienstbaar zijn kunnen.
Uw EDGestrenge DW Dienaar
C. Crucq
Den 24 Junij 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Onderrigt zijnde dat een kind van J. Schets, een kind van A. Sturm, en een kind van Jacob de Quelerij alle alhier woonachtig doorde kinderziekte zijn aangetast geworden, heb ik gemeend UwExcie daar van te moeten kennis geven, terwijl ik aan de ouders de voorgeschreven zuiverings middelen heb aan bevolen.
Etc.
Uw Excie DW Dienaar
C. Crucq
Den 24 Junij 1819

Aan den Kerkenraad te Arnemuiden

Wel Eerw Heer Broeders!

Uw Eerw voorstel tot het houden van een Coll.Qualificatum op Zaterdag den 3 Julij aanstaande bij missive van den 26. Junij van den Raad dezer Stede gedaan is heden door dezelve goedgekeurd, en tot het bijwonen daar van zijn benoemd den Burgemeester en den ondergeteekende
Etc.
Uw Eerw DW Dienaren
Uit naam van het Bestuur
Corn: Dan:Baars.
Den 28 Junij

Aan de HeerGouverneur van Zeeland
Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hierbij gaat de staat van de Zetting van het Brood in deze gemeente etc.
C. Crucq

Aan d’Heer Officier bij de Regtbank van eersten Aanleg te Middelburg

In voldoening aan Uw verzoek van 28 Junij j.l. ten opzichte van de klagte nopens het wonden van K. van Belzen heb ik d’Eer de daar van gemaakte en voor mij verleden verklaring hierbij Uw Ed Gestrenge te doen toekomen, dat mij door dien het meerderdeel der declaranten vissers zijn, niet eerder doenelijk is geweest; ook voeg ik hier bij de aan mij gegeve declaratie van dhr operateur Lahn

C.Crucq.
Den 3 Julij 1819


Aan de Heer Gouverneur & aan de Prov. Geneeskundige Commissie te Middelburg.

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Gedurende het tweede kwartaal dezes jaars eenige kinderen in deze gemeente gevaccineerd zijnde , heb ik d’Eer daar van Uw Excie: bijgevoegde staat te doen toekomen en mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
C. Crucq.
Den 9 Julij 1819


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Op Uw vraag of wij genoegen willen nemen over het feit dat het Bestuur van Nieuwland een eigen veldwagter wil hebben. Dat heeft voor Arnemuiden en die van Cleverskerke waarschijnlijk ten gevolge.
Zo hebben wij d’Eer U daar op te berigten dat wij alle bezuiningen moeten in acht nemen tot zo lang deze Gemeente hare schuld aan den Weeskamer zal hebben gekweten, waarom wij zonder ons in te laten in die zonderlinge begeerte van den Raad van het Nieuwland, moeten verklaren in die meerder door het gemelde te veroorzaken en kosten welke f.160 zouden bedragen en waar van deze gemeente zeker het meeste zoude moeten dragen geen genoegen te kunnen nemen en ware het niet om eerstgemelde redenen, zouden wij en tot het meerder planten van Boomen, dat nuttig en voordelig voor het vervolg konde zijn reeds grootere sommen hebben voorgesteld en ook een Tractement ter bekoming van een kundig Heelmeester, die men ter dezer Plaats zo zeer behoefde, dan omtrent welke laatste wij het voornemen hebben om met Nieuwland en Cleverskerke bij de Staat van begrooting voor 1820 een voordragt te doen.
Vertrouwende hier mede aan uwe Exc: intentie te hebben voldaan. Zo hebben wij d’Eer ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw Exc: DWDienaar
Burgemeester & Raden voornoemd
De Burgemeester
C. Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars.
Den 9 Augustus 1819


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel gestrenge Heer

Wanneer de kinderziekte in de maand Junij dezes jaars zich in deze Gemeente openbaarde heeft de BurgemeesterUw Exc: bij Missive van den 24 dier maand daar van kennis gegeven en tevens den Schoolhouder Hogerheide conform art.5 van het Koninklijk Besluit van den 18 April 1818 aanbevolen om geen kindren in zijn School toe te laten uit die Huizen daar die ziekte zich openbaarde of bij vervolg mogte komen te heerschen; daar na heeft de kinderziekte bij de kinderen van den Schoolhouder zich geopenbaard, wanneer men ten verzoeke van de Gecommitteerde uit de Prov. Commissie van Geneeskundig Toeverzicht gemelde Schoolhouder heeft verzocht om deszelfs school te sluiten zolang die ziekte onder zijne kinderen heerschte waar aan denzelven heef voldaan en daar hij hier door eenige schade heeft geleden zo wenschten wij op deszelfs , daar toe aan ons gedane verzoek eenigsints te gemoed te komen, ten welk einde wij UwExc: verzoeken om aan hem uit de Post van Onvoorziene Uitgaven van dit Jaar gealloueerd eenen som van f. 12 te mogen doen uitkeeren.
Etc.
Uw Exc: DWDienaar
Burgemeesrter & Raden voorn:
De Burgemeester
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Den 9 Aug: 1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hierbij doe ik U toekomen het Register I.I. van de Verlofgangers der Nat: Militie in deze Gemeente zich bevindende en waaromtrent ik niets heb te remarqueren.
Met verschuldigde Eerbied teeken ik mij.

Uw Exc: DWDienaar
C. Crucq
Den 14 Aug: 1819

 

Aan het Gedep. Bestuur van Zeeland

Burgemeester en Raden der Stede Arnemuiden hebben d’Eer hierbij aan UEdGrAchtb: de Heeren G.S. van Zeeland voor te dragen de Staat van begrooting in Ontvang en Uitgaaf dezer Gemeente voor den dienst van 1820 en observeren daarbij
Met betrekking van den Ontvangst die geen verandering met die van het loopend Jaar opleverd word alleen omtrent no 2 van de Collecte op de dranken en Eetwaren berigt, dat die volgens het bijgaande tarief is berekend, als voor dit jaar daar dezelve nu eerst zedert 29 Junij l.l. is ingevoerd, en hoe zeer boven verwagting in ontvangst beantwoordende echter geen zekeren basis daar op kan genomen worden, dan na verloop van ten minsten drie maanden, wanneer men aan U voornemens is een volledig verslag daar van in te zenden, evenwel het min onaangenamer, en het zeker is van den Ontvangst, doet deze belasting boven den Personeelen Omslag verre de voorkeur geven.
2e met betrekking tot de gewone uitgaven word geobserveerd dat
1 en 2 .Jaarwedde van het Bestuur & secretaris zoals dit jaar word voorgesteld
3.Voor den Plaatselijken Ontvanger die nu in de Gemeente woond is 5% gerekend van alle de ontvangsten except van die van de Collecten welke maandelijks op de maandstaat word gebragt en betaald.
4.Onder de Generale kosten waarvoor een tableau is opgemaakt word f.12 gebragt voor commissarissen uit het bestuur voor de Broodzetting, die normaal tot 1811 ook eenige belooning genieten en nu door de meerdere werkzaamheden zulks wel verdienen, aangezien er geen voordeelen zoals bevorens voor de Leden des bestuurs zich opdoen.

5 6 en 7:Belasting en Ongelden –Jaarwedde van de klokkenist en die voor den architect ondergaan geen verandering

8 en 9 :Daarvoor gaat de begrooting hierbij van den nodig geoordeeld wordende te doene reparatiën.
10: Voor de stadsponte is aan de dammen en geringe reparatiën die jaarlijks aan de Ponte moeten geschieden.
11: Bestaat in het dagelijks opwinden der klok f.60 voor adsistent kloksteller f.18 en voor het schoonmaken der klok eenig koperdraad en noten ? dat jaarlijks op f.30 word gerekend te komen.
12:Jaarwedden van de veldwagter is niet veranderd.
13: ook voor den Schutterij heeft men dezelve som gesteld , hoewel de Gemeente daar van geen genot heeft, aangezien men daar in geen de minste voortgang bespeurd.
14: de Gifte aan den Armen heeft mede zoals in dit jaar gesteld, de Copie Rekening van 1818 en begrooting voor 1820 gaat hierbij.
15 behalven de f.100 voor de vroedvrouw heeft en hier f.75 voorgedragen voor een Heelmeester en in vertrouwen dat Cleverskerke ook iets zal voordragen, daar zo een man voor deze omtrek allernoodzakelijkst is, vermits veel behoeftige die hunne middelen zo gering zijn, dat zij de kosten niet kunnen dragen om bij voorkomende gelegenheid zo iemand uit Middelburg te ontbieden.
Nieuwland hoe zeer bevorens daar toe ook genegen is daaromtrent veranderd, omdat men op het denkbeeld daar is gekomen van een een afzonderlijken veldwagter te hebben, waar wij de noodzakelijkheid niet zien.
16.Voor de Schoolhouder heeft men maar f.100 gesteld, daar hij daar mede nog meer geniet dan bevorens.
17 en 18: de 2% en Onvoorziene Uitgaven meend men goed te hebben berekend en voldoende te zijn.
19:De Intressen zijn weder verminderd naarmate van den afleg van kapitaal in dit jaar.
20:bestaat in de gewonen 1/5 afleg van het nog verschuldigde dezer Gemeente aan ???? en anderen
21:van dit jaar heeft men niets voor planten van Boomen --voor 1820 steld men f.40 voor om de gestorvene weder aan te vullen—de jonge te bewinden en nog eenige te planten
Deze Staat aldus aan UEdGrAchtb: voordragende hebben wij d’Eer ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
UwEdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester & Raden voornoemd
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Secretaris

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

In antwoord op Uw Missive van den 25e dezer maand 1 afd. no 2173 behelzende om inlichting omtrent de kinderen van den Schoolhouder Hogerheijde welke nu onlangs de kinderziekte hebben gehad, en of die bevorens gevaccineerd waren diend dat genoemde kinderen waren gevaccineerd, twee daar van de kinderziekte hebben gekregen, waar van een is overleden, - en dat die kustbewerking aan dezelve is verrigt over weinige jaren, de eene door den overleden Doctor de Marée te Middelburg en den anderen door den Heelmeester de Jongh, thans te ’s Heeren Hoek in Zuidbeveland woonachtig.
Ik heb d’Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen

Uwe Excie DW Dienaar
C.Crucq
Den 30 Aug: 1819

Aan den Heer Griffier der Staten van Zeeland

Op den ontvangst van Uw Missive van den 23 dezer maand, heb ik dadelijk eenige der voornaamste vissers dezer Gemeente ontboden, en hun den inhoud mede gedeeld waar op dezelve eenparig verklaard hebben dat hoezeer het mogelijk was den aanleg van Engelse oesters op de Zeeuwsche Stroomen wel gelukte, het daar bij gedane verzoek om verbod tot het visschen op de daar bij genoemde Plaats niet alleen nadeelig voor de Ingezetenen dezer stede zijn zoude maar zelf eenen volledig beroof van het middel van bestaan voor dezelve daar door den aanwas der banken ? de gelegenheid tot visschen afneemt en is daar dat zo de scharretjes, botjes, molenaar als garnalen worden gevischt, en wanneer zij daar verhinderd worden de vooruitzichten voor veele dezer gemeente zeer kommerlijk word, waarom ik UwEdGestr eerbiedig verzoeke om door deszelfs veelvermogende invloed bij Heeren Ged. Staten te bewerken dat dat verzoek worden va de hand gewezen.
Ik heb d’Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw EdGestrDW Dienaar
C.Crucq
Den 30 Augustus 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

In voldoening aan Uwe Exc; aanschrijving van den 28e der vorige maand 2e afd. no2283 heb ik d’Eer tot zetters dezer gemeente voor den jare 1812 aan Uw Ecie: voor te dragen
I.de Marée
P.de Meulmeester
J.B. Joosse alle wonende te Arnemuiden

Willem Midavaine
P.Bogert alle wonende te Cleverskerke
Etc.
Uwe Excie DW Dienaar
C. Crucq.


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edele Gestrenge Heer!

Bij uwe Exc: Misive van den 25e dezer vorige maan 2e afd.no 2170 een staat ontvangen hebbende waarop eenige dezer Gemeente vermeld staan, als hun verschuldigde belastingen over 1818 niet hebbende voldaan; zo heb ik dadelijk die Lieden voor mij ontboden en hun onder bedreiging van verkoop hunner vaste panden, ernstig aangemaand om die schuld af te doen, waaraan drie als J.L. Grootjans, N. Klaassen en B. Jobse hebben voldaan, doch tot heden geensints de twee andere daar op gemeld is.
Hoewel zedert 1811 alhier geen Inschrijving of Registratie van Verba(o)ndbrieven meer plaats vind en dus niet wel kan worden nagegaan, kan ik echter Uw Exc: informeren, de Panden van die twee nalatige niet legaal zijn verbonden, doch het is mij niet wel doenelijk de waarde van elk derzelve op te geven, wat hoezeer hier gebrek aan Huizen is, en het zeer nuttig zijn zoude, dat eens een Voorbeeld voor andere werd gegeven, ontbreekt het meerderdeel aan het noodige om zich een woning eigen te maken terwijl bij zo een verkoop, zeer waarschijnlijk een verkeerd medelijden bij hen die anders nog al huizen tot verhuuring koopen plaats zal vinden—evenwel evenwel kan ik gerust rekenen die twee woningen meerder dan tienmaal de daar op staande belastingen waardig zijn.
En daar bij die Lieden zoals bij zo veel andere geen meerder dan de hoogstnoodzakelijke meubilaire goederen gevonden worden, zoude mogelijk konden dit plaats vinden, een verbod om te gaan visschen tot dat die schuld werd gekweten van een beter en voldoende Effect zijn.
Die Staat aan Uw Exc: retournerende heb ik d’Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 8 Sept: 1819


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

In Uw Exc: Missive van den 1e dezer maand 1e afd.no 2215 zag ik eerst met verwondering dat de Provinciale Commissie van Geneeskunde Uw Exc: had berigt dat in die Huishoudens alhier, waar de kinderziekte heerschte, nergens de voorgeschrevene zuiverings middelen waren aangewend daar trouwens herinnerde ik mij, dat niet meer dan eenmaal in het begin van die ziekte, twee Gecommitteerden uit die Commissie alhier een Inspectie hadden gedaan, en ik kan Uwe Exc: berigten dat ik een en andermaal de Huishoudens daar die ziekte plaats vond art: 18 van het Besluit van den 18 April 1818 heb voorgehouden en aangedrongen om daar aan te voldoen en daar dezelve daar toe niet onvermogend waren, stond het aan mij niet om zulks ten koste der Gemeente te doen verrigten, evenwel kan ik daar bij berigten, dat hebben zulks eenige nagelaten den Schoolhouder Hogerheijde in zijn school alvorens die weder te openen, promptelijk daar aan voldaan heeft, terwijl die Kinderziekte thans niet meer bij twee kinderen plaats vind, welke reeds zo ver daar in zijn gevorderd, dat men dezelve als bijna hersteld kan beschouwen, en voor het tegenwoordige schijnt die ziekte alhier te zullen cesseren
Waar mede ik d’ Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Exc; DW Dienaar
C. Crucq
Den 8e September 1819.

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland
Hoog Edel Gestrenge Heer!

Wij doen U toekomen eenen nominativen staat van het Bestuur dezer Stede die op dit oogenblik in mijne Gemeente fungeren.
Etc.
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 1e Oct: 1819

Aan Heeren Ged; Staten van Zeeland
Edel Groot Achtbare Heeren!

Op den ontvangst van Uw dispositie van den 17e Junij met gevoegd besluit van Z.M. van den10 Meij te voren betrekkelijk de Invoer eenre Indirecte Belastinge binnen deze Stede, hebben wij dadelijk den Stedelijken Ontvanger met de Invordering belast, na alvorens bij Publicatie de Gemeente daar an te hebben kennis gedaan, en hebben d’eer daaromtrent verder te berigten
Dat die belasting tot heden volkomen beantwoord aan de Verwagting en wij nog over daar tegen gemaakte reflectiën, noch over fraudes of contraventiën eenige reclamatiën kunnen inbrengen, en het mitsdien van belang is, dat die indirecte middelen worden behouden ten minsten gedurende de twee aankomende jaren, totdat de Schuld dezer Stede aan den Weeskamer zal zijn gekweten, wanneer dezelven zeer zeker zullen kunnen verminderd worden, zo al niet vooral die op het gemaal, zonder bijzondere tegenspoeden zal kunnen worden afgeschaft.
Ten blijke voorschreve belastingen zeer voldoende zijn, diend verder.
Dat bij den aanpeil op den 29e Junij dezes jaars dezelve zuiver hebben gerendeerd f.49.04 ½
En over de maanden Julij, Aug:
En Sept: jongstleden mede zuiver zonder
Billetgeld f. 450.33

Dus te zamen f.499.37 ½

Dus met den aanpeil in die korten tijd meerder als dezelven over de 4 ½ maanden volgens daar van gemaakte berekening mogeten opbrengen
En daar nog zeer weinig van Slagtgeld is ontvangen, waar van de voornaamste tijd eerst aanstaande is, zo kan men gerust berekenen die middelen nog eer meerder over de aanstaande drie maanden dan minder zal opbrengen.
Wij vertrouwen hier mede aan de Intentie van Uw EdGr Achtb: te hebben voldaan etc.
UwEdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester & Raden voornoemd
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Secretaris
Den 7 Oct: 1819

Een kwitantie van het betaalde voor het Staatsblad over de laatste zes maanden van dit jaar met verzoek aan de boekhouder der algemeene Landsdrukkerij te den Haag voor Cleverskerke.
4 oct 1819
De Ontvanger der Gemeenten van Arnemuiden en Cleverskerke
Corn:Dan: Baars.

Aan Heeren Ged.Staten van Zeeland.
Edele Groot Achtbare Heeren!

De Rekening dezer stede over den jare 1818 door U den 23 Julij dezes jaars gearresteerd en gezien hebbende, vinden wij de Post van f.390.39 wegens Personeelen omslag over 1818 als van onwaarde gebragt, door U als niet genoegzaam gejustificeerd zijnde als een restant nader te verantwoorden is gesteld-
Hoe zeer wij als nog verklaren dat op de overgelegde lijst geene gevonden worden die boven vermogen in den omslag zijn aangeslagen geworden en nu meerder in de tegenwoordige belasting zullen dragen dan het beloop van hun aanslag is geweest, echter het middel om dezelve tot de voldoening van dien agterstand te verpligten van geen vrugt zijn kan, daar het procederen op de meubilen al meermalen is gebleken niet voldoende te zijn, vermits over het algemeen bij dezelve geen meerder meubilen worden gevonden, dan die volstrekt niet kunnen gemist en misdien ook niet kunnen verkogt worden.
De meeste op die Lijst staande zijn reeds gesommeerd en geremoveerd? Met welke onkosten die staat is geaugmenteerd en nu zoude moeten volgen het garniseren en verkoopen den voor handen zijnde meubilaire goedren die niet anders dan kosten zouden opleveren welke wederom door de stede zoude moeten worden gedragen.
En daar wij in dezen niets kunnen doen als in nadeel der stedelijke finantiën verlangen wij dat die Post als van onwaarde door UEdGrAchtb: mogt worden geconsidereerd te meer daar de nu ingevoerde belastingen voldoende beantwoorden aan de verwagting
Etc.
Uw EdGrAchtb: DW Dienaaren
Burgemeester & Raden voorn:
C. Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Corn: Dan; Baars
Secretaris
Den 7 October 1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Hoog Edel Gestrenge Heer!

Hierbij gaat een staat van de Zetting van Brood over het 3e kwartaal van dit jaar
Etc
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 8e Oct 1819

Idem

Onbewust of in de nu verloopenen drie maanden in deze Gemeente eenige Personen of kinderen zijn gevaccineerd geworden
Etc
Uwe Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 8e Oct: 1819

Idem

Over het nader onderzoek ten aanzien van de geappliceerde Vaccine aan de kinderen van den Schoolonderwijzer dezer Stede is gebleken dat noch door den Heelmeester de Jonge noch door wijlen den Heer de Marée van deze kunstbewerking getuigschriften zijn afgegeven en bij de kinderen zelve geen voldoende bewijzen gevonden zijn, waar door er gegronde vermoedens bestaan, die Schoolhouder zijne kinderen niet heeft doen vaccineren.
Ik heb den inhoud van die Missive ter kennis van den Schoolhouder gebragt, en heb d’Eer als nu ter visie van Uw Excie hier bij te doen toekomen.
Een rekening en kwitantie van wijlen doctor de Marée waar uit consteerd dien Heer in 1810 een kind van den Schoolonderwijzer heeft gevaccineerd,
Een Certificaat van den Heelmeester de Jongh waar uit blijkt die mede in 1814 een kind van denzelven heeft gevaccineerd en van het zelven overgebragt op de kinderen van den veerman G. Meerman en van den arbeider D. Janse.
Een Certificaat van Doctor ’s Gra…… bewijzende mede applicatie der vaccine aan een kind van dien man, in Junij dezes jaars.
Waar bij ik Uw Exc: nog kan informeeren dat indien de Prov: Commissie van Geneeskundig toevoorzigt waar van een en ander lid van tijd tot tijd alhier practiseren maar de minste navraag bij een of ander Ingezetene dezer Gemeente had gedaan dezelve zoude vernomen hebben gemelde schoolonderwijzer altijd een bijzondere voorstander van de vaccine is geweest en zich dan van de waarheid overtuigd hebben zulks hadd plaats gehad, hoezeer dan ook de teekenen of bewijzen bij de kinderen hun Ed: niet voldoende mogten zijn geoordeeld geworden.
Ik neem dus de vrijheid om Uw Exc: te verzoeken de gevraagde schadeloosstelling bij mijne Missive van den 29 Aug j.l. voor de sluiting zijner school gedaan aan hem te accorderen.
Etc.
Uw Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 11 Oct 1819

Aan de Heer Commissaris Generaal
Van Oorlog à ’s Hage

Ik heb d’eer hierbij aan Uwe Exc: te doen toekomen de declaratie in duplo van de overvaargelden van deze stede op het Nieuland der alhier gepasseerd zijnde militairen over het Eerst halfjaar van 1819 met eerbiedig verzoek van daar op ordonnantie van betaling te verlenen, terwijl ik d’eer heb met verschuldigden Eerbied mij te teekenen
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 22 Oct 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Hoog EdelGestrenge Heer!

Ik heb d’eer Uwe Exc: te berigten dat in deze verloopenen maand October geene veranderingen in het Personeel van het bestuur Secretaris en ontvanger dezer gemeente heeft plaats gehad, terwijl ik met verschuldigde eerbied mij teeken
Uw Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 1 Novb. 1819

Aan de Heer Auditeur Militair te Middelburg

In antwoord op UwEdGrAchtb: misive in dato heden no 471 betrekkelijk den deserteur Johannis J. Hakkes diend.
Dat denzelven in de maand September j.l. dat zeer waarschijnlijk den 19e is geweest alzo ik mij herinner het Zondag was, bij mij is gekomen en te kennen heeft gegeven deszelfs vader, die volgens zijn zeggen het schoenmakers beroep te Goes uitoeffende, zeer bedenkelijk ziek lag en verlangde hem nog eens te zien, en dat hij voor 4 dagen een verlofpas had bekomen, hetwelk hij mij ook heeft vertoond, en waar in ook verlof aan hem voor 4 dagen om te gaan na Goes werd verleend, mij verzoekende om een passagebillet voor het Veer het Sloe –waar op de veerman Smout insteerde , dewijl hij behalve voorn; verlofpas geen passagebillet had, zoals anders wel plaats vind-waar op ik vertrouwende op het mij vertoonde schriftelijk verlof, en zijne gezegdens zodanig Billet heb gegeven.
Ik had hem na de schout van het Nieuwland kunnen renvoijeren, dan daar het meermalen gebeurd de veerman de Militairen welke daar komen om te passeren na mij zend om indien dezelve niet van een verlofpas zijn voorzien en alhier de Veldwagter woonachtig is dadelijk te kunnen doen arresteren, zoals reeds meer dan eens heeft plaats gevonden is het door mij verleend.
Vertrouwende hier mede aan UwEdGestr intentie voldaan te hebben, heb ik d’eer met alle hoogachting mij te teekenen
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 8 Novb. 1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland.
Hoog Edel Gestrenge Heer!
Hierbij doe ik U toekomen het Register J,J, met de namen der verlofgangers van de N.M. welke zich alhier bevinden, en observeer daar bij dat eene Jacob van de Velde, vermeld op de nominative staat bij Uw Exc: missive van den 26 Oct 1819 mij toegekomen en aldaar genoteerd als ziek in het Hospitaal alhier nog niet is gearriveerd,
Etc.
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 10 Novb. 1819


Aan den Heer Griffier der Staten van Zeeland.

Uw Missive van den 2e dezer maand betrekkelijk den voordragt van de Centrale Directie dezes Eilands om de Dok en Houwer Polder als agterleggende aan te slaan en hun bovendien een suatiegeld van 10 stuivers per gemet te doen betalen bij den Raad dezer Stede door mij ingediend zijnde, heb ik de eer U te rescriberen dat hoezeer den aanslag van 10 st. per gemet min schijnt in vergelijking van de andere landen in Walcheren, echter den Raad als bezwarend voorkomt daar nimmer bevorens dien last ( een paar jaren in de fransche tijd uitgezonderd) is gevorderd en den onderhoud der buitendijken niet meerder dan in vroegere jaren van onderhoud kost dat evenwel behoeve het geheele Eiland geschied en alware die Polder niet aanwezig doch zoude moeten plaats vinden, waarom den Raad verlangd dezelve van dien nieuwen last mogten bevrijd blijven.
Etc.
Uw EdGestrDW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 10novb. 1819.

Aan Heeren Ged. Staten van Zeeland
In voldoenig aan Uw Rsolutie van 22 Oct. Hebben wij de eer U te berigten:
Dat de Loting voor de aftreding van de Leden van den Raad, conf. Ar. 3 van het Reglement van Bestuur ten platten Lande, geeffectueerd zijnde
Het resultaat daarvan is geweest:
Jan van den Weele in 1819:
Pieter Meerman 1819: nu gecontinueerd tot 1822
Janis de Marée in 1820
Leendert Wisse in 1820
Abr. V.Eenennaam 1821
Cornelis Kraamer 1821

----------------------- 1821 nog vacant

etc.
Burg. En Raden voorn.
C. Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Da; Baars
Secretaris.
Den 12 Novb. 1819

Aan G,S. van Zeeland

Voor de nog onvervulde plaats in den Raad: het volgende dubbeltal voorgesteld::
Adriaan Adriaanse
Paulus de Meulmeester

Burgemeester en Raden voornoemd;
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Den 12e Novemb. 1819

Aan den Gouverneur van Zeeland

Bij dispositie van 24 Sept j.l. hebt U te kennen gegeven de pretensie van den kustbewaarder W Reijnvaan op deze stede niet kon worden betwist en mij vrijlatende een minnelijk vergelijk aan te gaan.
Hierbij informeer ik u dat ik met W. Reijnvaan heb geaccordeerd in eens te betalen vijftig gulden.
Wat nu aangaat de differente opgaaf zijner pretensie is toe te schrijven aan de abusieve opmaking daar van door de geweezen Boekhouder van het kustbewaarders fonds, die zulks had gerekend tot de verandering van zaken in februarij 1813 is vertrokken
Zijn pretensie was groot tot tot febr. 1813 f. 255.10
En daar op is betaald 90.01
f.164.09
Uw nadere dispositie verwagtende etc.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 12 Novb. 1819

Aan de Heer Kapitein der 5e Komp. 2 Batt: Schutterij te Serooskerke

Hierbij gaat een Nominative Staat van de personen in deze Gemeente in de termen van de Schutterij vallende en wel van den Eerste Klasse zijnde ongehuwd en van 18 tot 40 jaren.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 15 Novb. 1819.

Aan de Heer Predikant Hondius

Wel Eerwaarde Heer!

Zijne Exc: de Heer Gouverneur dezer provincie nodigd mij uit, bij deszelfs missive van den 17 dezer maand, om Uw Eerw te verzoeken ten einde met mij als een Commissie van Weldadigheid der stede te constitueren en daar na aan de te Middelburg gevestigde subcommissie hier van kennis te geven en ons met deze in betrekking te stellen.
In voldoening daar aan heb ik de eer Uw eerw te verzoeken om met mij als zodanig te constitueren ten welk einde ik zeerzeer gaarne zodra mijne gezondheid zulks toelaat met Uw Eerw eene bijeenkomst zal houden.
Inmiddels heb ik d’eer met alle achting te zijn
Uw Eerw DW Dienaar
C. Crucq.
Den 19 Novb. 1819

Aan de Heer Komm. Officier van het
1e Bat. 2e afd. Inf. Te Vlissingen

Ik heb de Eer hier bij aan u doen toekomen de Certificaten voor de flankeur J. van Belzen en fuselier T. Odden ? ter bekoming van Permissie tot et aangaan van een wettig huwelijk opgemaakt volgens de modellen gevoegd bij Uw Missive van den 17e dezer maand, welke ik hoop voldoende zullen bevinden en van de verzogte permissie gevolgd worden.
De Burgemeester der stad Arnemuiden
C.Crucq.

Aan de Centrale Directie des Eilands van Walcheren

De Rijweg van deze Stede langs de Zoutkeeten en de Zaagmolens naar Middelburg zedert 1811 door en van wege het Gouvernement als een Postweg geconsidereerd zijnde, is die ook jaarlijks voor Rekening van den Lande in den nodigen onderhoud aanbesteed geworden; dit jaar heeft men de weg van het Middelburgschen hoofd na herwaarts verlaten en de aanbesteding heeft plaats gehad van Middelburg over het Nieuwe Dorp, zoals nu ook de Post die route houden.
Intusschen is nu de weg van de Zaagmolens na deze stede zonder opzicht onderhoud of beheer en word dus na gevallen regen geen water afgelaten nog Ragen ? toegemaakt of putten gedempt, waar door die weg in eene zeer slegten staat zich bevind en zeer gevaarlijk word om te berijden.
Daar die staat zo niet kan voortduren en aan UEd de toezicht over de wegen in het Eiland van Walcheren bijzonder is gedemandeerd, heb ik gemeend UwEd: daar van kennis te moeten geven, en UwEd: te verzoeken om tot verbetering van die weg zodanig orders te stellen, als UwEd: zullen vinden te behooren.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den 26e Novb. 1819.


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer

Missive en Besluit van de Gouverneur ontvangen houdende voorschriften en bepalingen bij het stranden van vaartuigen, daar bij zijnde manschappen of goederen , heb ik d’eer daarvan berigt te doen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.

Den 29e Novb. 1819

Aan den Heer Komm. Officier van het 1e Batt: der 2e afd Infanterie te Vlissinegn

Uw EdGestrenge Missive van den 28e der nu afgeloopenen maand, met de permissiën tot trouwen voor de flankeur van Belsen en de fuselier Odden bij mij ontvangen zijnde, heb ik d’Eer Uw EdGestr: daar van kennis te geen, en tevens te berigten dat laatstgem; fuselier behoord tot de Depôt Kompagnie Lett: AA
De Buremeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 1e Decb.1819

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!

In voldoening aan Uw Exc: aanschrijving van den 16 Novb.j.l. 1e afd. no 2975 heb ik d’Eer Uwe Exc: te berigten dat geene veranderingen zedert de jongste opgave omtrent de Stierenhouder of Keurmeester der stieren in deze Gemeente zijn voorgevallen, en dat deze Gemeente met Cleverskerke zijn verEenigd geworden in het houden van een stierenhouder, die een stier heeft, welke door den Keurmeesters is goedgekeurd, en gemerkt met de letters AC, voorts dat ik meen, dat het Reglement van den 20e October 1817 ten dien respecte word in acht genomen.
Etc.
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 3.Decb.1819.

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Hoog Edel Gestrenge Heer!
Na ingewonne informatie heb ik d’Eer Uwe Exc: in antwoord op deszelfs Missive van den 1 dezer maand 1e afd. no 3218 betrekkelijk het rapen, inpakken en verzenden der oesters te berigten:
Dat de Oesters door de Ingezeten dezer stede gevischt wordende zulks geschied met een ijzer Instrument door hun een dregge genaamd en wel 4 à 5 voet onder water, terwijl het zeer zeldzaam gebeurd de oesters droog leggen en kunnen geraapt worden.
Dat dezelve door hun aan of bij de banken aan Brabandsche schippers veelal worden verkogt, doch dat het zij dit plaats vind of dat zij die na herwaarts of naar Holland of ook wel naar Braband voeren, nimmer de oesters worden ingepakt, maar wel een en meermalen behoorlijk gespoeld, alvorens die in hunne hoogaarzen te doen, en dat bij den overlevering aan de zogenaamde opkoopers nogmaals word herhaald.
De vissers meenen dat het ongezonde in de oesters hier in bestaat dat dezelve niet worden gespeend of dat men ze niet voldoende laat spouwen of zuiveren, ook wel met den baard gebruikt, en eindelijk door den overvloed en geringe koopprijs van dezelve een overmatig gebruik maakt.
Ik vertrouw hier mede aan Uwe Exc: intentie voldaan te hebben en teeken mij met verschuldigde Eerbied.
Uwe Exc; DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 6e December 1819

Aan Heeren Ged: Staten van Zeeland

Edele Groot Achtbare Heeren!

Wij hebben d’eer en voldoening U op Uw aanschrijving van 25 Novb.j.l. te berigten dat alhier niet anders dan een Diakonie Armen bestaat van de Hervormde Gemeente, waar voor geen Reglementen voor handen zijn, alleen bestaat daaromtrent eene aloude gewoonte dat de jaarlijkse afwisseling van Diakonen en de rekening geschied ten overstaan en in het bijzijn van twee Gecommitteerden uit het bestuur en dat hier ook geen Godshuizn worden gevonden.
Waar mede wij ons met verschuldigden Eerbied noemen
Burgemeester & Raden voorn:
C. Crucq

Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Secretaris
Den 6 december 1819.

Aan den Heer Griffier van de Staten van Zeeland

Verzoek om een Suppletoir Register van een vel houdende agt akten t.b.v. het Register van geboorte. Waarschijnlijk niet voldoende.
Uw Ed Gestr.DW DienaarC. Crucq
Den10 Decb. 1819.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Hoog Edel Gestrenge Heer.

Hierbij gaan op uw aanschrijving van 11 dec.1819 de handtekeningen in triplo – zo van mij als van mijn plaatsvervangers en de twee leden uit den Raad tot het teekenen der Certificaten voor de Nationale Militie.
Etc.

Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 14 Decb. 1819.

Aan den Kerkenraad van Arnemuiden

Wel Eerw Heer & Broederen

Het verzoek van UwExc: om bij een aanstaande beroep van stadswege de gewone onderstand te genieten, van wege Uw Eerw vergadering door gecommitteerden bij onze Burgemeester gedaan, en bij ons heden voorgedragen zijnde, hebben wij d’Eer daarop te antwoorden dat wij zo gaanrn(e) ? de godsdienstige belangen der Gemeente waarnemen als die van derzelver tijdelijke welvaard, en wij mitsdien bereid zijn om in der tijd, die gepaste middelen aan te wenden. Welke verEischt worden, om aan Uw Eerw verlangen na genoegen te voldoen.
Wij vertrouwen op UwEerw behartiging in de belangen van onze Gemeente, en verzekeren UwEerw: van onze belangstelling, zo wel als van onze bereidwilligheid om daar in de verzogte hulp te verleenen
Wij hebben d’Eer met veel hoogachting te zijn
Uw Eerw toegenegen vrienden
Burgemeester en Raden van Arnemuiden
Ter ordonnantie van Hun Achtb;
Corn:Dan; Baars
Secretaris.
Den 31 December 1819.

 

Ga naar boven