Historische Vereniging Arnemuiden

Brievenboek 1820-1821

Zeeuws Archief Inventaris van de Archieven van de Gemeente Arnemuiden
Toegangsnummer 1200
Inventarisnummer: 96
Brievenboek Januari 1820- september 1821

Aan de Heeren G.S. van Zeeland

Wij hebben d’eer aan Uw Ed: Groot Achtbare hierbij te doen toekomen een Proces-Verbaal van de beEdiging en Installatie van den Raad Adriaan Adriaanse bij Uw dispositie van 17 December 1819.

UwEd: GrootAchtbare DW dienaar
Burgemeester en Raden voorn:
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Den 8 Januarij 1828

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hierbij gaat de kwartaal staat der Zetting van het Brood in deze Gemeente volgens opgaaf van Heeren Burgemeesters der stad Middelburg opgemaakt gedurende de laatste drie maanden van 1819.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 12 Januarij 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Niemand in deze gemeente is in de laatste drie maanden van het afgelopen jaar met de koepokstof gevaccineerd
Met verschuldigde eerbied etc.
Uw Exc: DW Dienaar
C. Crucq
Den 12 Jan: 1820

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Hierbij gaan de Staten van de geboorene en overledenen gedurende den Jare 1819.
Zeven paar zijn gehuwd en geen Echtscheidingen hebben plaatsgevonden..
Waarmede ik de eer heb etc.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
Den 14 Januarij 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland.

Bij mijn missive van den 12e dezer maand gaf ik Uw Exc; kennis de kinderziekte alhier nog heerscht ; dan Uw Exc: verlangen van deswegens nader berigt te geworden, mij kenbaar geworden zijnde , zo haast ik mij Uw Excellentie te informeren:
Dat de kinderziekte nu ruim een half jaar blijkens mijne missive van den 24 Junij 1819 alhier heeft geregeerd, en in die tijd bij afwisseling min en meerder zich heeft vertoond; dat thans in nog vier huishoudens in deze Gemeente in ieder een kind aan de ziekte laboreerd, en d’andere kinderen in die huizen dezelve hebben gehad en hersteld zijn; en dat hoe zeer aan de ziekte ook kinderen zijn overleden evenwel dat getal gering is in vergelijking van het aantal kinderen, welke de kinderziekte in genoemde tijd gehad hebben, zo als Uwe Exc: zich kan overtuigen, uit de Staten van de Overledenen en dien van geborene in deze Gemeente bij mijn Missive van van 14 dezer maand Uw Exc: gezonden, daarover eener bevolking van bijna 100 zielen alwaar in een jaar 60 zijn geboren, niet meer dan 37 overleden zijn, en dat niettegenstaande eene besmettelijke ziekte alhier geheerst heeft en daar men in gewone jaren het getal overledene op 58 à 60 berekend—en eindelijk dat ik verstaan heb, nu van verscheidene zijn genegen geworden, om hunne kinderen te doen vaccineren,dan dat thans geen goede stof daar voor voorhanden is.
En hier mede vertrouwende aan het verlangen van UwExc: voldaan te hebben, heb ik de Eer met verschuldigde eerbied etc.
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 19 Januarij 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hierbij gaat het Inschrijvings-Register van de Alphabetische Lijst van de Manspersoonen in 1801 geboren en tot de Gemeente behoorende ; hierbij informeere ik UwExc: dat geen vrijwilligers voor de Nationale Militie zich hebben voorgedaan
Waarmede ik d’eer heb met verschuldigde eerbied…
Uw Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 29 Jan: 1820.

Aan den Eerw Heer C.S. Pols
Beroepen Leeraar te Arnemuiden
Thans nog te Colijnsplaat

Wel Eerwaarde Heer!

Hoe zeer de tegenwoordige verordeningen verschillend zijn met de voorgaande zodat in het Kerkelijk Bestuur bij eene beroeping van een Leeraar geen waareldsche Bestuur mag toegelaten worden, is evenwel niet verboden dat de beide in zodanig geval rugspraak met den anderen houden en het algemeen Godsdienstig belang eener Gemeente te zamen behartigen, zo hebben wij gedagt en ook alzo gehandeld, ja zo wenschen wij voort te gaan.
Het is in de betrachting daar van dat wij Uw Eerw: berigten, dat het Eenparig beroep van den Eerw Kerkenraad met ons voorgaande overleg is geschied en onze volkomen goedkeuring ???? , met hartelijke betuiging dat het ons regt aangenaam zoude zijn, dat deze verEende poging, en mogen wij zeggen roepstem van een gewenscht gevolg zijn mogt, dan zoude onze eerlang vacante Gemeente spoedig in haar behoefte ???? zien, en wij met de Gemeente eene ruimen stof van blijdschap en dankzegging erlangen.
Het geen wij Uw Eerw over 16 jaren bij onze missive van den 20 febr: 1804 betuigd hebben, herhalen wij bij deze van namentlijk, alles dat in onze magt staat gaarn te zullen toebrengen, dat Uw Eerw bij eene Inwoning alhier kan veraangenamen, en dat Liefde vrede en ware vergnoegens, zo onderling als in het algemeen kan bevorderen en bevestigen
Den Koning Zijner Kerke die alle harten in Zijn hand heeft, en neigd na Zijn Goddelijk Welbehagen, buige en neige zo bidden wij het hart van Uw Eerwaarde om deze roepstem in Zijne vreeze op te volgen, en verblijde zo ons als Kerkenraad en Gemeente door Zijne heerlijke daden.
Onder deze betuiging hebben wij d’Eer ons met bijzonder hoogachting te noemen.
Uw Eerw DWDienaren
Burgemeester & Raden van Arnemuiden.
C.Crucq.
Ter ordonnantie van dezelve,
Corn: Dan: Baars.

Aan de Heer Predikant Hondius

Wel Eerwaarde Heer!

Bij eene aanschrijving van ZExc: den HeerGouverneur dezer Provincie in dato te dezer maand worden de Besturen verzogt om de Leeraren den verschillende Godsdienstige gezindheden in hunne Gemeente uit te noodigen om door een doelmatige opwekking hunne Geloofsgenooten tot mededeelzaamheid voor onze ongelukkige Landsgenooten in Gelderland, Holland en Noordbrabant, die door overstrooming hun in een deerniswaardige toestand bevinden, aan te moedigen, en dat zulks mogt geschieden op zondag den 13. dezer maand.
Uw Eerw met toezending van zodanige uitnodiging van den Heer Gouverneur daarvan kennis gevende achte ik het overbodig, om daartoe Uw Eerw aan te sporen, maar vertrouw dat Uw Eerw met den toestand van die beklagenswaardige volledig bekend, volgaarne daar aan zult voldoen en ik meen dus Uw Eerw alleenlijk te moeten berigten dat van heden af ten huize van den secretaris een gesloten Bus tot den Ontvangst van Liefdegaven is geplaatst en dat op Woensdag den 16e dezer door het Bestuur met geslote Bussen aan de Huizen der Ingezetene een Inzameling voor de noodlijdende zal worden omgegaan..
Ik heb de Eer met alle hoogachting te zijn.
Uw Eerw: DWDienaar
Bij absentie van den Burgemeester
Den President Raad
J. de Marée
Den 7 Februarij 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Wij hebben d’Eer in voldoening aan UwEdGrAchtb: dispositie van den 1e Februarij l.l. U te informeren dat wij aangezien den ontvangst dezer Stede jaarlijks beneden de f.300 bedraagd; ingevolge art.1 van Z.M. Besluit van den 28 Sept 1816 den ontvanger hebben bepaald tot het stellen eener Borgtogt van f. 300 waaraan den zelven heeft voldaan, als zijnde door hem die som in contante specie bij den Heer Ontvanger Generaal van Zeeland in Meij 1819 gestort, en door hem aan ons vertoond een Acte van Inschrijving in het algemeen Register van Borgtogten, afgegeven door den Minister van financiën in dato 30 Oct 1819
Waarmede wij d’Eer hebben ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
UwEdGrAchtb: DWDienaren
Burgemeester &Raden van Arnemuiden.
De President Raad
J. de Marée
Ter ordonnantie van dezelve
Corn;Dan: Baars
Secretaris.
Den 7 Februarij 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Ter voldoening aan de dispositie van den 24e Jan: hebben wij de Eer U te berigten dat het getal Hoofden van Huisgezinnen welke hoe zeer voor behoeftig bekend niet worden gealimenteerd of bedeeld en ook uit hoofde van hunne minvermogende staat niet op de Rol van het Personeel gebragt zijn alhier bedraagd 20 en het getal der Personen waar uit die Huisgezinnen bestaan beloopt 52.
Etc
Uw EdGrAchtb: DWDienaar
Burgemeester &Raden van Arnemuiden
De President Raad
J. de Marée
Ter ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars.
Den 7 Februarij 1820


Aan de Heeren G.S. van Zeeland

Onaangezien aan deze Gemeente gedurende de felle vorst door onderscheidene weldadige onbekende menschenvrienden veel is toegebragt ter gemoetkoming in de drukkende armoede, hebben nogthans diakenen van de Hervormde Gemeente zich gedrongen gevonden, om hun aan ons te addresseren, ter bekoming van een subsidie om in de voortdurende behoeften die nog groot zijn daar de visserij nog zeer weinig oplevert te voorzien.
Overtuigd van hun hulp behoevende staat hebben wij gemeend aan UwEdGr Achtb: te moeten verzoeken, zoals wij bij deze zijn doende, ten einde aan diakenen uit het fonds van onvoorziene uitgaven het zij ? van 1819, hetwelk zulks zeer wel kan lijden, of van dit loopend jaar, zoals Uw EdGrAchtb: dit gelieven te bepalen uit te betalen eene som van f.100==
Wij hebben d’eer ons met verschuldigde Eerbied te noemen
Uw EdGrAchtb: DW Dienaar
Burgemeester & Raden van Arnemuiden.
De President Raad
J. de Marée
Ter ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Aan deze Stede behoord in Eigendom een Berg, genaamd den Galgenberg groot 145 Roeden, gelegen in Nieuwerkerk even buiten de Stede, beplant met Esse kaphout waarvan de Stede nu zeker in geen 12 jaren eenig genot heeft gehad, aangezien dezelve in de Winter beroofd wordt, hetgeen nu zodanig heeft plaats gevonden dat de tronken zelve zijn geschonden, en daarvan niet veel te wagten is, waarom wij te rade zijn geworden, om het voordeel der stedelijk finantiën te behartigen Uw EdGrActb: autorisatie te verzoeken om voorzeide Berg voor Weijland te verpagten dat ook overeenkomt met het verlangen van de Landlieden welke digt daar bij Landen hebben vermits zij door de Vogels die des Zomers in dat hout nestelen veel schade lijden.
Wij wenschten dien Berg op den zelven voet te verpagten zoals zulks volgens onze Missive van den 11 maart 1818 en daar op gevolgde verpagting van het Kerkhof volgens Pagtcontract in dato 11 April 1818 door U den 20e geapprobeerd heeft plaatsgevonden, doch nu voor 10 jaren , vermits met 3 jaren de andere verpagte Eigendommen ten einde loopen en den pagter de tronken moet rooijen, en voor zijn moeite daar mede niet beloond zijn kan, of eenig genot hebben van zijn daar aan te verrigten, te meer daar hij ook voor een groot gedeelte rond den berg zal moeten delven, wilt hij daar op vee laten grasen en dan onder bepaling dat de Tronken in zijn voordeel blijven, dit jaar moeten geweesd? Zijn, alles bedelven, en zo aanleggen dat een volgende Pagttijd, buiten het ordinaire daar aan niet meer te doen valt, maar dezelve als een behoorlijk aangelegde Weijde kan verpagt worden alles onder UwEdGrAchtb; nader te verleene approbatie op deze voorgestelde verpagting
Etc Etc
Uw EdGr Achtb: DW Dienaren
Burgemeester & Raden van Arnemuiden
De President Raad
J. de Marée
Ter ordonnantie van dezelve
Corn. Dan: Baars
Den 9 Februarij 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

De Commissie van belanghebbende in het onderhoud der Sluijs in het Arnemuidsche Canaal is samengesteld. Namens de Raad dezer Stede den secretaris C.D. Baars, uit de dijk??? Van de belanghebbende Polders: D:A: Dingemanse, de Eigenaren der Zaagmolens dhr C.L. Nobel en die der Zoutkeeten de heer J. Bos.
Dat die Commissie is geïnstalleerd en zeer spoedig HEdGrAchtb: nopens het beheer en onderhoud van die sluijs berigt zal doen toekomen. Etc. etc.
UwExc: DW Dienaar
Bij absentie van de Burgemeester
De President Raad
J. de Marée
Den 12 Februarij 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’Eer in voldoening aan Uw aanschrijving van den1e dezer maand betrekkelijk het inzamelen van liefdegaven voor de noodlijdenden door den Watersnood in Gelderland, Holland en Noordbraband U te berigten dat bij eene gedane Collecte daar van op heden is bijeengebragt en onder mij berust eene somma van f.35= 90cents waaromtrent ik de nadere dispositie van UwExc: inwagt en d’Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
Bij absentie van de Burgemeester
De President Raad
J. de Marée
Den 16 Februarij 1820

Aan den Heer President van de
Commissie van Landbouw
In Zeeland

Den Landman Adriaan Koets mij bij een
Billet schriftelijk kennis gegeven hebbende hij het voornemen had, dit jaar een hengst te houden. Zo heb ik d’eer dat Declaratoir aan UEdGestrenge hierbij te doen toekomen en mij met Eerbied te noemen
UEd:Gestrenge DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 18 Februarij 1820


Aan den Gouverneur

Bericht: er is nog een gift van f.6 nagekomen t.g.v. de slachtoffers van de watersnood in Gelderland, Holland en Noordbrabant. Nu te zamen f. 41: 90.
UwExc: DW Dienaar
Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 19 Februarij

Idem

Ik heb de Eer hierbij aan UwExc: te doen toekomen het Register J.J. van de Verlofgangers der Nationale Militie tot deze Gemeente behoorende en heb op hun gedrag tot heden niets te remarkeren terwijl ik met verschuldigde Eerbied mij teeken.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq

Idem
Heden door mij de ingezamelde gelden ter somma van f.41:90 voor de noodlijdende door de Watersnood overgebracht aan den Heer Ontvanger Particulier te Middelburg. Daarvan geef ik UwExc: kennis
Etc.
UweExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 28 Februarij 1820

Idem
Hierbij doe ik als gevolg van de Missive van 24 Februarij l.l. toekomen de namen van de Notabelen en Plaatsvervangers voor de Kerkadministratie dezer Stede; door Z.M. benoemd opgeroepen en als zodanig geïnstalleerd; alleen heeft bij die bijeenkomste, hoe zeer daar toe verzocht niet gecompareerd het Lid A. van Eenennaam terwijl door dezelve dadelijk tot President is benoemd het lid J. Crucq en tot secretaris het lid A. Adriaanse.
En hiermede vertrouwende aan de Intentie van Uw Exc: te hebben voldaan etc.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 1 maart 1820

Aan de Heeren G.S. van Zeeland.

Uw Dispositie van de 11e van de vorige maand bij ons ingekomen betrekkelijk de uitvoering van ’s Konings besluit van 19 Jan: 1820 voor zover dit in onze Gemeente mogt te pas komen. Hebben wij d’eer U te berigten dat na ingewonne Informatie geen zodanige vischschuiten als bij bovengemelde Besluit worden genoemd, bij of door de kustvisschers dezer Gemeente gebruikt worden en zelfs bij veele die netten niet bekend zijn; waarom wij oordeelen zo lang dezelve alhier niet gebezigd worden ook niet de aanstelling van Keurmeesters en voordragt van Instructeurs voor dezelve te kunnen supercederen
Etc
Uw EdGrAchtb: DW Dienareb
Burgemeester & Raden van Arnemuiden
De President Raad
J. de Marée
Ter Ordonnantie
Corn: Dan: Baars
Secretaris.

Aan den Eerw Heer J. Versprille
Beroepen Predikant te Arnemuiden
Als nog Leeraar te St. Annaland

Wel Eerwaarde Heer!

Het Eenparig beroep door den Eerw Kerkenraad dezer Gemeente gisteren op Uw Eerw uitgebragt onze volkome goedkeuring wegdragende, hebben wij gemeend Uw Eerw daar van te moeten doen kennis dragen, met betuiging het ons tot een bijzonder genoegen zoude doen strekken,wanneer de verEende poging zo van den Kerkenraad als van ons met een gewenschte uitslag werde bekroond, ten dien einde is het ook dat wij Uw Eerw volgaarne verzekeren dat alles te willen toebrengen, dat in onze magt is, om de Inwoning van UwEerw alhier zo veel doenelijk te veraangenamen, en dat tot onderlinge Liefde en ware vergenoegens kan verstrekken.
Den Koning der Kerke die alle harten neigd na Zijn Goddelijk welbehagen, zegene dit Eenstemmig Werk, door het hart van Uw Eerw over te buigen, om deze Roepstem in Zijne vreeze op te volgen, opdat wij met den kerkenraad en den Gemeente even daardoor eene ruime stof van dankzegging mogen erlangen.
Wij hebben d’Eer ,onder heilbede met betuiging van ware hoogachting ons te noemen
Uw EerwDW Dienaren
Burgemeester & Raden der stede Arnemuiden
De President Raad
J. de Marée
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Secretaris
Den 15 Maart 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Heden door ons den Galgenberg verpagt zijnde ingevolge Uw verleende autorisatie bij de dispositie van den 18 Februarij j.l. en zulks voor eene somma van f.20 ’s jaars aan Geerard Meerman wonende alhier, hebben wij d’eer de conditiën daar van bij deze aan UEGrAchhtb: approbatie aan te bieden etc.

UwEdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden van Arnemuiden
De president Raad J. de Marée
Ter ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Den 18 maart 1820

Aan de Heer Prokureur Crimineel
In Zeeland te Middelburg.

Op den ontvangst van Uw Missive van den 20e dezer maand no 115 betrekkelijk een kleine Jol van het fransche Brikschip la Caroline gevoerd door kaptein La Crosnu welke den 2e dezer is driftig geraakt op de hoogte van den Kruidmolen zoude zijn aangedreven, en aldaar door eenige Arnemuidenaars gesloopt, heb ik dadelijk na de Daders daar van het nodig onderzoek gedaan en heb bij deze deswegens d’Eer Uw EdGestr: te berigten.
Dat de vrouw in Uw EdGestr:missive genoemd, welke op die hoogte was hout gaan rapen vergezeld van eenen anderen Inwoonder dezer Gemeente, die de sloopers wel moet kennen is genaamd Elisabeth Wondergem huisvrouw van Jan Marijs alhier woonachtig, door mij over dien anderen Inwoonder ondervraagd zijnde mij heeft verklaard denzelven wel voor een Arnemuidenaar beschouwd te hebben, doch hem niet kende, en dus mij niet konde opgeven wie denzelven was; zo min als die manschappen welke zij van verre zag met het sloopen van de Jol onledig hielden.
Dat ik verder onderzoek doende door een kleine jongen heb ontdekt dat op dien tijd daar had geweest, mede om hout te rapen eenen Cornelis Jacobs, mede alhier wonende, die ik ontboden en ondervraagd hebbende wij anders niet konde berigten, dan dat hij gezien had, aan de binnezijde van den Dijk een Boot lag, waar eenige persoonen bij waren, maar van hun te ver verwijderd was om dezelve te kunnen kenne, en dat hij hun ook niet was genaderd en mitsdien mij deswegens ook geen nadere inlichting konde mededeelen terwijl alle mijne verdere nasporing tot dusver vrugteloos zijn.
Ik heb gemeend UwEd:Gestr: hier van te moeten berigt doen, en zal zeer gaarn UEGestr: iets naders vernemende daar van ten spoedigsten berigt laten toekomen.
Inmiddels etc

UEd:Gestr: DW Dienaar
Bij absentie van de Burgemeester
De President Raad
J. de Marée.
Den 22 Maart 1820

Aan den Heer Commissaris
Generaal van Oorlog
Te ’s-Gravenhage

Ik neem de vrijheid aan Uwe Exc: hierbij te doen toekomen de declaratie in duplo wegens veergelden van de Militairen voor dit veer overgezet door den Veerman Geerard Meerman over het 2e half jaar van 1819: groot f.4:86, waarvan ik U eerbiedig verzoek ordonnantie van betaling te verleenen.
Etc.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester der Stede
Arnemuiden
C. Crucq
Den 24 Maart 1820

Aan den Ontvanger der Registratie
En der Domeinen

Mijn Heer!
Door eenige dagen afwezen, heb ik niet in de gelegenheid geweest, om eerder dan nu UEd geEerde van den 16 dezer te beantwoorden, en daar op diend dat ik niet wetende ben, zekere Jan de Sie alhier immer onder het fransch Bestuur als Douanier heeft gewoond, waarom ik niet wel het Extract uit het Memoriaal van Invordering der Domeinposten kan teekenen, en d’Eer heb dat zelve mitsdien aan UwEd: te retouneren.
Etc
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den 29 maart

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Bij UwEd:Gr:Achtb: dispositie van den 6e der vorige maand bij ons heden ingekomen zijnde, waarbij gevoegd is, nevens eene inlichtende Memorie Een begrooting van Ontvang en Uitgaaf voor Een Polder Bestuur, hebben wij na een naauwkeurig inzien daarvan bevonden dezelve voor het tegenwoordige van geen applicatie was voor deze stede, aangezien het Arnemuidsche Canaal voor een gedeelte aan de Eigendommen dezer stede grenzende, onder geen opzicht noch onderhoud van het bestuur staat, alleenlijk zoude daar aan begrepen kunnen worden te behooren het zogenaamde molendijkje en het hoofd, welke beide des noodig door de stede worde gerepareerd, en als dan de verEischte voordragt in de staat van begrooting voor deze stede word gedaan, terwijl de in dat Canaal aangelegde Sluijs of Sas, tot heden onder een afzonderlijk Beheer staat, nog niet is overgedragen, en zo als het toeschijnt aan ons Bestuur of onderhoud niet zal worden gedemandeerd, maar aan eene bijzondere Commissie zal worden opgedragen.
Intusschen geeft dat Molendijkje nog het hoofd geen revenuen, en moeten dus in cas van noodzakelijkheid uit de stedelijke kas onderhouden worden.
Etc.
Burgemeester & Raden van Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Den 4 April 1820.

Aan de Heeren G.S. van Zeeland

Bij ons ingekomen zijnde UwEd:Gr: Achtb: dispositie van den 6.Maart jongstleden waarbij art.2 word gezegd:
“De Raden der Gemeenten ten platten Lande te autoriseren om op de begrooting van 1819 toegestane tractementen voor het Plaatselijk Bestuur te doen uitbetalen.”
Is bij ons de vraag ontstaan of daarmede bedoeld word, de Burgemeester aan wie dat Tractement in de vorige jaren is toegekend geworden doch op grond, dat dan of in Uw dispositie of op de staat van Begrooting stond gemeld Aan het Hoofd van het Plaatselijk Bestuur, dan of nu die uitbetaling aan het geheele Bestuur moet geschieden, daar in het hier boven aangehaalde artikel, noch op den staat van begrooting van het Hoofd van het Bestuur geen melding word gemaakt.
Wij nemen mitsdien de vrijheid tot wegneming van die bij ons voorgekomene bedenking UwEdGrootAchtb: explicatie over de bedoeling van gemelde tweede artikel eerbiedig te verzoeken, om alzo de Rekening over 1819 te kunnen opnemen en ten spoedigsten aan UwEd:Gr:Achtb: te kunnen doen toekomen.
Etc.
Burgemeester enRaden van Arnemuiden.
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars.
Den 7e April 1820.

Aan den Eerw: Heer R.H. de Bruin
Predikant te Noordwijk aan Zee
Beroepen in deze Gemeente

Wel Eerwaarde Heer!

Hoe zeer de thans bestaande Kerkelijke Wetten niet gedoogen dat bij de beroeping van Eenen Leeraar gecommitteerde uit het Wereldlijk Bestuur tegenwoordig zijn,nogthans kunnen wij tot ons genoegen zeggen: Mozes en Aaron zijn het hier eens, om de Godsdienstige belangens der Gemeente te behartigen.
Want er bestaat tusschen hen wederzijdsche gevoelens van Liefde en vrede.
Wij kunnen dus Uw Eerw: na Waarheid betuigen dat het eenparig beroep van den Eerw: Kerkeraad dezer Gemeente heden op Uw Eerw: uitgebragt, met ons voorgaande overleg is geschied, en onze volkomene goedkeuring wegdraagt.
Wij nodigen Uw Eerw: vriendelijk uit, om aan deze Eenparige roepstem gehoor te verleenen, met betuiging wij steeds gaarne naar onze krachten, dat geen zullen toebrengen, dat de Inwoning van Uw Eerw: zal kunnen veraangenamen, en dat aan den onderlinge vrede, en vermeerdering van genoegens, en ook tot Heil van de gemeente bevoordelijk zijn kan.
God zelve bidden wij ,neige en buige Uw Eerw: hart om aan den verEende roepstem te beantwoorden door eene volvaardige aanneming, en zegene alzo onze poging, opdat wij daar door met den Kerkenraad en gansche gemeente eene ruime stof moge geworden, om Sions Koning dankend te verheerlijken.
Onder en met deze Heilbede is het dat wij met betuiging van ware hoogachting ons noemen.
Uw Eerw DW Dienareb
Burgemeester en Raden der
Stad Arnemuiden
J. de Marée
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan:Baars
Den 8 April 1820

Aan de Centrale Directie
Der Eiland van Walcheren,

Uw Ed: missive van den 13e dezer maand mij toegekomen zijnde betrekkelijk het verleenen van permissie billetten tot het weiden van beesten langs de kleijwegen, en het verlangen van UwEd: van mijn medewerking om dezelve te verminderen ter voorkoming van het nadeel, dat door het intrappen in slootkanten door het vee aan de wegen word toegebragt, zo heb ik d’eer in antwoord daar op UwEd: te kennen te geven
Dat ik volgaarne geloof, het weidenlangs de wegen nadeelig voor dezelve is, vooral dan wanneer het vee niet genoegzaam word gesurveilleerd, dat wel eens verzuimd word, en dat zulks is toegenomen naar mate de permissie Billetten zijn vermenigvuldigd, doch dit heeft in dezen Gemeente tot dus ver geen plaats gevonden, aangezien een aantal Jaren niet meerder dan aan twee personen, zijnde arbeiders, ieder voor twee beesten permissie tot het weiden langs de wegen is verleend geworden en welk getal ik nog overbodig nog zeer benadeelend voor dezelve beschouw.
Hoe zeer ik genegen ben, om aan het Heilzaam Doel van UwEd: mede te werken, door dat getal nu voor in het vervolg te vermeerderen,komt het mij voor, U zeer hard zoude wezen, om aan zodanige Lieden, welke daar in eenig bestaan vinden, nu de permissie te verminderen en hun in een kort tijdsbestek even daar door te noodzaken tot den verkoop van Een hunner beesten, of wel die ten hunnen werkelijke schade als het dan doenelijk was te besteden.
Het is daarom dat ik wenschte dat aan die zelfde personen in mijne Gemeente , te weten aan Jan Tramper en aan Adriaan Zuurmond beide arbeiders alhier dezelfde permissie werd verleend, dat evenwel met UwEd: voordragt maar een Beest zoude differeren daar UwEd: de opgaaf van drie Personen verzoeken-ieder voor een beest
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den17 April 1820

Aan d’heer Asscher chirurgijn
Operateur en breukmr
Te Rotterdam

Mijn Heer!

De Gemeente Besturen van Arnemuiden en Cleverskerke hebben mij verzogt UeEd: Missive aan HunEd: van den 14e dezer te beantwoorden.
In voldoening daar aan diend,dat het geaccordeerde Tractement van Een chirurgijn is voor Arnemuiden f.76 en voor Cleverskerke f.25, dat de Eerste plaats een bevolking heeft van 983 zielen en de tweede 196.
Dus te zamen ruim 100 gulden dat er een vroedvrouw hier zijnde geen andere voordeelen daar aan verder zijn verbonden, doch die komen er ? te vertrekken of te overlijden, waarschijnelijk pogingen zoude aangewend worden om die post met die van chirurgijn te verEenigen, en dus het tractement zoude verzwaard worden, dat het naburig Nieuw en Sintjoosland bestaande uit een bevolking van 100 zielen mede geen chirurgijn heeft, en wanneer hier een kundig en geschikt mensch is, als zodanig, veelal door dezelve is en word gebruikt, daar nu de drie Gemeenten van die van Middelburg moeten gebruik maken, dat zeer moeijlijk en kostbaar voor veele is.
Ik heb d’eer met alle achting mij te noemen
Uw Ed: DW Dienaar
Corn:Daniel Baars
Secretaris
Den 20 April 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’Eer hier bij aan Uwe Exc: te doen toekomen de kwartaal staat der Zetting van het Brood in deze Gemeente over het Eerste kwartaal van dit loopend Jaar, terwijl ik mij met verschuldigde Eerbied mij teeken.
Uw Exc:DE Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 23 April 1820

Aan de Centrale Directie
Des Eilands Walcheren

UEd: Missive van den 14e dezer maand bij mij ontvangen zijnde, nevens het Rekwest van Mr J.C. de Bruijn aan Z.M. gepresenteerd tot het verkrijgen van Octroij op daarbij gespecificeerde voorwaarden ter verbetering der weg loopende van de Zaagmolens door den stede tot deszelfs Buskruidmolen, de Gouden Draak, en waaromtrent UwEd: verlangende mijn gevoelens en aanmerkingen te weten.
Zo heb ik na den Raad deswegens te hebben gehoord, d’Eer daar op UwEd: te berigten
1e Dat zeer zeker die weg, voordat die tot een postweg is gebruikt in een betere staat is geweest dan tegenwoordig, echter nu niet alleen rijdbaar, maar met veel minder kosten kan worden hersteld, als in dat rekwest zijn opgegeven, ten zij daar onder het bouwen van een woning voor een commissaris zijn berekend en dezelve door eenige toelage van de meest daar bij belanghebbenden, met een daar over gesteld wordende toezigt in een rijdbaare staat kan worden gehouden.
2e dat de Eerst en meest belanghebbende in die mag zijn, den Rekwestrant, den Pagter van het Oranje Hof en de vragtrijder dezer stede; doch geensints de stede, die door de Vernieting van haar Veer, veroorzaakt door den gelegden Dam, aan het oude Middelburgse hoofd, weinig of geen belang daarbij heeft, ook niet de Landlieden welke weinig in getal zijn, en daar van maar zeer weinig gebruik maken, de verder Inwoonders buiten de vragtrijder in het geheel niet, even min als de Landlieden van Cleverskerke die nu gebruik maken van de weg langs den Nieuwen Havendijk, terwijl bij dat gedeelte weg van Arnemuiden na de Kruidmolen niemand belang heeft dan genoegzaam alleen den rekwestrant en ook zullen de Officieren en beambten van Z.M. zeer zeker meest van de nu gelegde Postweg gebruik maken.
3e dat dus het voorgestelde Octroij voor den verzoeker van belang is en voor mijne geadministreerden bezwarelijk, vooral de daar bij voorgedragenden Eene stuiver van de strekkende Roede
4e Dat wat betreft het beplanten van Boomen volstrekt in geen bedenkinge kan komen, aangezien de Zaagmolendijk voor een gedeelte behoord aan de Directie van de Zaagmolen en voor een gedeelte aan Mevrouw de wed. wijlen de Heer de Lange, die beide daar tegen zouden reclameren, en die weg langs de keeten, is Arnemuiden zelve in staat om te beplanten;liet men dit (niet)? na, van geen nadeel aan de Koornmolen toe te brengen, terwijl het overig gedeelte voor zo ver die de stede behoord, beplant is of word
En eindelijk dat de Regering van Arnemuiden bereid is, om het onderhoud van de weg van de Zaagmolens naar deze stede, evenals voor dezen iets te contribueren, en, dat men ook vertrouwd van de daar bij belanghebbende, en inzonderheid van de Heer de Bruijn; zonder dat men daaraan zo veel kosten impendeerd, met een voor deze Gemeente daar bij bezwarend middel te accrocheren en daar te stellen.
Ik vertrouw hier mede aan Uw Intentie te hebben voldaan en met bijvoeging van het genoemde Rekwest, heb ik d’eer met allen Eerbied mij te teekenen.
De Burgemeester van Arnemuiden
Bij deszelfs absentie
De president Raad
J. de Marée
Den 24 April 1820

Aan den Heer Gouverneur
Van Zeeland

Ik heb d’Eer Uw Exc: te berigten dat de dagteekening der Waarschuwing, waarbij aan de Ingezetenen dezer Gemeente is berigt de ontvangst van het Kohier van het Patent Regt voor het 2e half jaar van 1819 is geweest den 8e Maart 1820, terwijl ik met verschuldigde Eerbied mij teeken.
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 28 April 120

Aan Heeren G.S, van Zeeland

De Stedelijke Rekening over 1819 door den Ontvanger overgebragt zijnde, is die door ons nagezien, tegen de daarbij overgelegde bescheiden geconfronteerd, accoord bevonden, zonder dat daar op eenige aanmerkingen zijn gevallen en mitsdien door ons geteekend.
De gecommitteerdens uit de Gemeente , die daar bij tegenwoordig hadden behooren te zijn, waren behoorlijk daar toe uit onzen naam verzogt, dan maar Een lid is gecompareerd, die de Rekening mede heeft geteekend.
Wij hebben mitsdien d’Eer dezelve in triplo met de bescheiden aan UwEdGrAchtb: teer finale opneming te doen toekomen en ons met verschuldigde Eerbied te tekkenen.
UwEdGr:Achtb:DWDienaar
Burgemeester en Raden der Stede
Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan:Baars
Secretaris
Den 28 April 1820


Aan de Heeren G.S. van Zeeland

Het betreft de uitbetaling van een tractement aan het bestuur.
De bedoeling van G.S. is dat alleen de burgemeester een tractement ontvangt..
Op voorstel van de Raad kan toestemming en autorisatie aan G.S. worden gevraagd over de invoering van een geringe som bij wijze van presentie-geld aan de leden van den Raad.
Over dit laatste gedeelte bij ons nader gedelibereerd zijnde, hebben wij in aanmerking genomen de Staat der Stedelijke finantiën, welke zeer gunstig staan. Staan nog een Jaar na dit loopende de stede van hare Schuld zal zijn ontdaan,ja, mogt de pretensie ten laste van Frankrijk inkomen, dit nog spoediger zoude kunnen geschieden, voorts dat de Leden van den Raad voor 1811 altijd eenige belooning hebben genoten, en dit onze bedunkens weder zoude kunnen plaats hebben, waarom wij de vrijheid gebruiken om aan UwEd:Gr:Achtb; voor te dragen, dat aan de Leden van den Raad zijnde zeven in getal onder hun allen jaarlijks voor presentie-geld de som van f.100 mogt worden uitbetaald.
Hier op Uw gunstige dispositie verzoekende, hebben wij d’eer ons met verschuldigde Eerbied te noemen,
UwEdGr:Achtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden van Arnemuiden.
C,Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Den 3e Meij 1820

Aan het Prov:Kollege van
Toezigt voor de admin der Kerkelijke
Fondsen bij de Hervormden in Zeeland

Het Extract uit UwEerw:Notulen van den 11 Maart dezes jaars bij ons ontvangen zijnde, betrekkelijk het addres door de Kerkenraad en Kerkbestuur gepresenteerd houdend verzoek van Vrijdom of Modificatie in de toepassing van het Reglement op de administratie der Kerkelijke fondsen bij de Hervormden in Zeeland, en waaromtrent UwEerw: van ons eenige Informatiën verlangen.
Zo hebben wij d’Eer in voldoening daaraan aan U te berigten
1. dat wij volkomen avoueren het ter nedergestelde in het addres van de Kerkenraad en Kerkbestuur van den 21e Junij 1819.
2. Dat de Kerkelijke administratie tot heden in een volledige orde word beheerd en uit de gewone inkomsten in alle behoeften is voorzien terwijl jaarlijks in het voorjaar door den Boekhouder ten overstaan van Kerkenraad en Kerkbestuur Rekening en Verantwoording word gedaan.
3. dat zeer zeker het aanzienlijkste gedeelte der Gemeente verlangd dat die administratie op den tegenwoordige Eenvoudige voet voortduren.
4. dat onze bedunkens, dat Kerkbestuur zoude kunnen worden geautoriseerd, om provisioneel voor Een jaar op den tegenwoordige voet te kunnen voortgaan, en na verloop van dat Jaar met een generaal berigt omtrent den toestand van het Kerkenfonds, aan UwEerw de Continuatie van die Administratie op dezelve wijze verzoeken:
5. En eindelijk dat voorschreve Kerkbestuur zeer gemakkelijk thans kan waargenomen worden, daar dezelve niet anders te verigten hebben,dan een à tweemaal te vergaderen, tot het opnemen der te doene reparatie aan het Kerkgebouw, en eene tot het sluiten en teekenen der Rekening terwijl zij kan ? zonder daar in tourbeurten te houden,laten vinden tot het inzamelen van liefdegiften, bij het eindigen van iedere godsdienstoeffening, daar moet het nieuwe Reglement in werking worden gebragt, waarbij bepaald word het maken van jaarlijkse begrooting, Lijsten van stembevoegden en afwisseling van Notabelen en Kerkvoogden en van een Personeelen Omslag, die hier voor de stede niet heeft kunnen voortduren,zoo? Daartoe geen genoegzame Leden voor zullen gevonden worden aangezien het getal Burgers zeer gering is, en de vissers daar toe geheel onbekwaam;waarom wij van oordeel zijn, het tegenwoordig beheer voor deze Gemeente verkieslijkst is.
Waar mede wij d’eer hebben om met alle Eerbied te noemen.
Het College van Notabelen
bij de Hervormde Gemeente
te Arnemuiden
Namens dezelve
J.Crucq
A.Adriaanse.
Den 10 Meij 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Aan onzen aandagt gebragt zijnde, dat van wegen het Gouvernement eenige tegemoedkoming en schadeloosstelling zoude geschieden aan hen die door den zwaren storm en hoogenvloed van den 20 Maart dezes jaars eenige schade hebben bekomen en hoe zeer bij die occasie zo zeer geen bijzondere schaden zijn veroorzaakt aan Huizen?? Of andere gebouwen in deze Gemeente, hebben wij thans vijf visschuiten een voor hun aanmerkelijk nadeel bekomen , daar niet tegenstaande zij aan de wal aan deze zijde behoorlijk waren gemeerd,, evenwel genoemde vijf cordeschuiten door den storm van hun touwen zijn geslagen, en door den hoogen vloed tot genoegzaam op den Nieuwlandschen dijk zijn gedreven, en daar van niet konde afgebragt worden dan met groote moeijtens en kosten, zo dat voor iedere schuit daar voor is betaald geworden eene somma van 16 Zeeuwsche Rijksd: of f 41:60.
De schade is voor hun des te drukkender geweest, daar de visserij weinig voorspoed in de vroege zomer heeft genoten den daar op volgende winter zich geen haring heeft opgedaan en daar bij door de koude en langdurige Vorst zo veel armoede hebben geleden, dat ware geen Edele menschenvrienden opgestaan om de behulpzame hand te bieden, en mildadige ondersteuning toe te reiken, onderscheidene aan gebrek van de noodwendigste levensbehoeftens zoude zijn omgekomen, terwijl op het tijdstip dat zij weder de zee zoude gaan bezoeken, om voor hun levensonderhoud poging aan te wenden, de vijf genoemde al reeds bij den aanvang de hier vorengemelde ramp is overkomen, welke kosten zij dadelijk mogten voldoen, wilde zij daar van afkomen en zeewaarts gaan.
Wij hebben gemeend dit aan de attentie van UwEdGeAchtb: te moeten brengen, met Eerbiedig verzoek om ingeval eenige schadeloosstelling mogte plaats vinden ook de schippers van de gemelde schuiten daar aan eenig deel mogen hebben, ten welk einde wij die arme lieden in UwEdGrAchtb: gunstig aandenken nedrig aanbeveelen.
Waar mede wij d’Eer hebben ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester & Raden van Arnemuiden
De President Raad
J. de Marée
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Secretaris
Den 10 Meij 1820

Aan den Eerw: Heer H.I van Ingen
Predikant te Waarde
In Zuidbeveland

Wel Eerwaarde Heer!

Hoe zeer de tegenwoordige kerkelijke verordening de waereldlijke magt bij het beroepingswerk uitsluiten, evenwel word daar bij niet verboden, dat men gemeenschappelijk de Godsdienstige belangen der Gemeente behartigd, en vriendbroederlijk daaromtrent werkzaam is, maar houden ons overtuigd dat zo den Koning als Hooge Kerkvergadering onzes Lands, dit steeds wenschen en begeren.
Tot heden kunnen en mogen wij zeggen dat vrede en Eensgezindheid tusschen Regering en Kerkenraad in dat werk heeft plaats gevonde(n) en kunnen dus Uw Eerw: berigten, dat het beroep door den Kerkenraad heden op Uw Eerw: uitgebragt met ons voorgaande overleg is geschied, en mitsdien onzen volkome goedkeuring wegdraagd.
Het zal ons waarlijk tot vreugde verstrekken wanneer deze eenparige roepstem door een gewenscht gevolg worde bekroond, daar toe noodige wij Uw Eerw: vriendelijk uit met betuiging dat wij gaarn steeds dat geen zullen toebrengen dat in onze magt staat, en dat Uw Eerwaarde bij een inwoning alhier kan veraangenamen ja ook dat aan de onderlinge genoegens en vrede bevordelijk zijn kan.
Hartelijk wensche ja bidden wij, dat Sions Koning het hart van Uw Eerw: overlange om deze verEende Roepstem in Zijne vreeze op te volgen, en daar door ons met de Kerkenraad eene ruime Stof verleene om Zijnen naam te verheerlijken.
Met deze Bede en onder betuiging van ware hoogachting, hebben wij d’eer ons te noemen
Uw Eerw: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der
Stede Arnemuiden
De President Raad
J. de Marée
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Secretaris
Den 12 Meij 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Na ingewonnen Informatiën hebben wij d’Eer de Tabel van de Fabrieken en Trafieken bij UwEd:Gr:Achtb: dispositie van den 14 April l.l no 10 gevoegd, met alle naauwkeurigheid ingevuld hier bij aan UwEdGr:Achtb: te doen toekomen
Wij hebben d’Eer in vertrouwen van aan U Intentie te hebben voldaan ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw EdGr:Achtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der
Stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris

Aan Heeren G.S, van Zeeland

Hoe zeer het een waarheid is, dat de Landlieden het meest belang hebben bij het weren van schadelijke gevogelte,is het ook niet minder waar, dat gedurende de wet daaromtrent zonder kragt ? zulks door hun maar al te veel is verzuimd geworden;waarom ik meen UwEdGrAchtb: op den zelver dispositie van den 19 dezer maand no 23 te kunnen berigten, dat het Reglement op het weren van het schadelijk gevogelte binnen deze Provincie alhier zeer wel aan het oogmerk heeft beantwoord, en mitsdien wenschelijk ja noodzakelijk is,dat het zelve voortduren, en ook dat dus boete op het niet weren; werd bepaald zoals bevorens op Een Gulden voor ieder gevonden wordende vogelnest welke mogt zijn gespaard geweest, en wilde men van die bepaling nog meerder nut trekken, dan behoorde die boete aan de leden van het Bestuur te worden toegekend, die den omgang deden, op de bepaalde dagen, daar doch de Raden ten platte Land geenerleij tractement of Emolument genieten.
Ik heb d’Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
UwEd:Gr:Achtb: DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C. Crucq.
Den 26 Meij 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland.

Ik heb d’Eer in voldoening aan Uw Exc: Missive van den 19 dezer maand de Staat van de geledene Schaden door eenige visschers veroorzaakt door den Storm van den 7 Maart l.l behoorlijk ingevuld, hier bij aan Uw Exc: te doen toekomen, en met de wensch dat dezelve daar in eenigsints zullen worden te gemoed gekomen heb ik d’Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 24 Meij 1820.

Aan den Heer Griffier der Staten van Zeeland

Uw EdGrAchtb: Missive van den 20e dezer maand nevens het Rekwest door Maitland aan U gepresenteerd tot het aanleggen op een afgezonderde plaats van Engelsche oesters mij toegekomen zijnde heb ik daar over met eenige voornaame vissers dezer gemeente gesproken, en heb d’Eer U hierover te berigten
Dat die vissers niet kunnen begrijpen ,hoe dat Een visser van Arnemuiden de opgegeven plaats in het addres, als aan hun visvangst niet schadelijk heeft kunnen considereren, daar aldaar de Eerste garnalen en de grootste molenaars worden gevangen ook de bot en andere kleine vis word daar gevonden, daar bij komt dat die plaats diend tot eene Reede voor de groote visschuiten, wanneer dezelve des avonds uit de zee komen, en is vooral voor dezelve bij Storm eene veiligen schuil en legplaats, dewijl dezelve door aanwas van de punt aan Fort? Den haak meerder binnenwaarts bij zodanige gelegenheden moeten komen ??

Slecht leesbaar!!

Het schijnt dhr Maitland geen andere plaatsen zeggen zij uitzoekt dan die tot nadeel van deze vissers moet verstrekken, want werd het hun niet verboden om aan zodanige plaats te komen, dan zouden zij er niets tegen hebben, maar nu daar door den aanwas der banken of plaatsen, de gelegenheid tot vissen zeer verminderd , zo als ik reeds in mijne missive van den 30e Aug: 1819 aan Uw EdGestrenge heb gemeld, moeten zij klagen dat men de gelegenheden welke hun nog overig blijven wilde wel afnemen, en in hun gering middel van bestaan berooven, door iets te ondernemen van welks uitslag men nog geheel onzeker is
Zij hebben reeds een en ander plaats, die hun’s oordeel zeer goed en geschikt zoude zijn tot aanleg van een oesterbank aan dhr Maitland opgegeven, en die het minste hun benadeelen zouden, hoewel in der daad weinig voor hun bestaan kan gemist worden, dan die Heer begeerd juist alleen die plaatsen, welke zeer nabij en in een tij door hem kunnen bezogt worden, en welke voor de vissers zeer schadelijk zijn.
Begeerd nu dien Heer tusschen de plaat de Schotsman en Walcheren een plaats in te nemen laat, zeggen zij; zijn Ed: dan beginnen van het opgegeven Paalhoofd Zuid op na Veere en daar door zoude weinig schade aan hun worden toegebragt.
Zie daar den Uitslag van mijn onderhoud met de vissers over het teruggaande ? addres van den Heer Maitland en met de Wensch dat Uw Ed:Gestrenge nevens HunEd:GrAchtb: ook in deze de belangens van mijn vissers zullen behartigen,, is het dat ik in het volkomen vertrouwen daar op ik d’Eer heb met allen Eerbied mij te noemen.
UwEdGestrenge DWDienaar
C. Crucq
Den 27e Meij 1820.

Aan Egbert Jesse Hondius te Middelburg

In voldoening aan eenen aanschrijving van ZExc: den Heer Gouverneur dezer Provincie van den 26 dezer maand moet ik UED: vermanen,om ingevolge art.98 der wet van 8 jan 1817 onverwijld aan den Kaptein kwartiermeester der 2e afd.Infanterie de de volgens contract met uw remplacant aangegaan verschuldigde sommen ter hand te stellen en mij van de voldoening daarvan kennis te geven ten einde ik den Heer Gouverneur daar van kan berigt doen.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den 29 Meij 1820

Aan Heeren Burgemeester der stad Goes

Ik heb d’Eer aan UwEdAchtb: kennis te geven dat den Persoon van Anthonij Kanaar Remplacant van Leendert Wisse, behoorende tot het Reserve Battaillon van de 2e afd. Infanterie Nat: Militie met een onbepaald verlof zich alhier opgehouden hebbende, als nu begeerd na UEdAchtb: stad te vertrekken, waarvan ik aanteekening heb gedaan, op het aan hem verleende attest, met last om het zeven aan U te vertoonen.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 26 Meij 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’Eer hier bij aan UwExc: te doen toekomen het Register I.I. houdende de namen etc
Der Verlofgangers van de Nat:Militie behoorende tot deze Gemeente en heb niet bijzonder ten hunnen opzichte te remarqueren terwijl ik d’eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen
Uw Exc: DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 1 Junij 1820.

Idem

Daar gedurende de nu afgeloopen maandag Meij geen verandering in het Personeel heeft plaatsgevonden, heb ik de eer U hiervan kennis te geven Etc

UwExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq

Aan dhr: Griffier der Staten van Zeeland,

De bijgaande teekening van wege den Heer Maitland ontvangen betrekkelijk de door zijn Ed: gezochte plaats voor den aanleg van Engelsche oesters, heb ik aan eenige ervaren vissers dezer Gemeente vertoond, en daar over nogmaals onderhouden, waarvan den uitslag is zoals ik UwEd:Gestrenge heden over agt dagen schriftelijk heb berigt.
De vissers hebben mij op die teekening, aangetoond hun wijs van visschen daar ter plaatse, zijnde die met de twee vorige door dhr Maitland opgegevene de beste voor hun; en nu zij eisen (te)weten,welke visser dien Heer gezegd heeft, die plaats voor oesters innemende zal niet schadelijk zijn aan Arnemuiden, nu kunnen zij het bevatten want die man was al bejaard als hij is gaan visschen heeft zeer weinig kennis van de visvangst van garnalen molenaars of bot terwijl hij weinig belang daar bij heeft en mitsdien de regte man niet is, waar mede gezegde Heer behoorde te raadplegen..
Zij hebben mij aangetoond dat wanneer zij op des molenaars vangst uitgaan, zij zeer dikwils de plaats bezoeken , die voor een oesterplaats word opgegeven, en dat dezelve vooral bij een Zuidwesten wind, als die zich wat hard doet hooren voor hun nog een veilige visplaats overig blijft, want dan is de zandplaat de Schotsman hun tot een bescherming.
Bij het vissen aan die plaats gaat een man uit den hoogaars aan het noordelijk Paalhoofd, die de lijn van het visnet trekt langs vaste wal over de oesterplaats, en dit zoude dan niet kunnen geschieden, of men zal met de ???netten? de oesters daar van afslepen, of het net zal in en onder de oesters ver???/, en zo aan een en ander schade veroorzaken, ook wanneer zij bot garnalen of andere kleine vis vangen, , gaat of vaart den hoogaarts langs de wal over die plaats tot dat het net genoegzaam droog valt om de vis te kunnen hebben; zo dat hij door het wegnemen van die plaats aanmerkelijk zoude benadeeld worden, want tusschen die plaats en de plaat de Schotsman te visschen zoals dhr Maitland opgeeft, is voor hun daar zij de wal voor het opgegevene behoeven ondoenlijk
Zoals dhr Maitland opgeeft, is voor hun daar zij de wal voor het opgegevene behoeven ondoenelijk en van geen nut en zo als ik reeds heb gemeld, is hun door het aanwassen van platen of banken, onderscheidene plaatsen om te visschen ontnomen,dat niet belet kan worden, en nu nog beroofd te worden,waren die welke hun overig blijven, en waar zij nog eenig middel van bestaan vinden, zoude waarlijk beklagenswaardig zijn.
Wat nu aangaat de aangeteekende plaats voor de legging van de groote visschuiten is waarlijk daar bij goedweer,dog bij zware wind of storm komen zij meerbinnenwaarts,na de aangeteekende oesterplaats waar het hun dan verboden zoude zijn.
Indien de plaats bij mijn vorige opgeve dhr Maitland niet behaagd, laat zijn Ed: dan de oostzuidkant van de zandplaat de Schotsman gebruiken, die mede voor den aanlig van oesters goed is, en hoewel men niet veel missen kan, evenwel deze nog al niet veel schade aan hun zoude toebrengen.
Ik herhaal bij deze hetgeen ik bij mijn vorige heb gemeld, en men is bereid om aan deskundige of wie het ook zijn mag , plaatselijke aanwijzing te doen,en overtuigend te bewijzen,dat men niet genegen is, dien Heer tegen te werken, maar het in waarheid zo is als men opgeeft, en dus zijn eigen brood niet vrij kan weggeven om een ander deszelfs onderneming te begunstigen.
Na nogmaals de belangens van mijne ingezetene ,die bij de visvangst alleen hun bestaan vinden, aan UwEdGestr goedgunstige bescherming ,en aan die van HunEdGrAchtb: te hebben aanbevolen, teekene ik mij met verschuldigde Eerbied.
Uw EdGestr.DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 3 Junij 1820

Aan den Heer Gouverneur
Van Zeeland

Er zijn in deze Gemeente geen zeevarende Personen woonachtig dan Visschers die niet begrepen zijn onder de zodanigen welke volgens art.94 der wet van den 8 jan 1817 op het Register der Zeevarenden model D moeten worden gebragt.
Waarom ik het tot dus ver onnodig heb geacht,zodanig Register te doen opmaken.
Etc
Uwe Exc: DWDienar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C.Crucq
Den 9 Junij 1820.

Aan Heeren G.S.van Zeeland

Uwe dispositie van den 26e der vorige maand bij ons ingekomen etc houdende bepalingen nopens het beheer en onderhoud van het Arnemuidsche Kanaal , de daar in leggende sluis en verdere werken, verlangende te weten of wij berusten in de benoeming van de Provisionele Commissie dan wel bij eene definitieve benoeming daarin eenige verandering verlangen te brengen,hebben wij d’Eer U te berigten dat wij in de benoeming van die Commissie volkomen berusten, terwijl wij met verschuldigden Eerbied ons teekenen.

Uw EdGrAchtb: DWDienaren Burg: & Raden der Stede
Arnemuiden
C. Crucq
Ter Ordonnantie van denzelven
Corn: Dan: Baars

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Opden Ontvangst van Uwe Exc: Missive van den 26 Meij j.l. betrekkelijk de voldoening van remplacement gelden door E.J Hondius verschuldigd heb ik denzelven daar toe dadelijk een schriftelijke order gezonden waar van hij mij heeft toegezegd daar aan te zullen voldoen , en hoe zeer mij daar van nog geen bewijs is vertoond , heb ik evenwel gemeend niet langer te moeten vertragen om Uw Exc: van mijn verrigte rapport te doen toekomen, terwijl ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 19 Junij 1820

Idem

Uw Exc: Missive van den 13e dezer maand houdende kennisgeving van het overlijden van H.K.H. Mevrouw de Princesse Douarière van Oranje moeder des Konings op den 9e dezer maand bij ons ontvangen zijnde,betuigen wij gevoelig getroffen te zijn, over de diepe smart waar in dat Koninklijk Huis nu in weinige maanden bij herhaling is gedompeld geworden, en bidden hartelijk dat God die voor Neerland zo dierbare Koninglijke Familie, van alle verder diepbedroevende ongevallen goedgunstig verschoonen en Haar die Vertroosting welke den Christelijken Godsdienst aan bedroefde opleverd, mildelijk in deze omstandigheid verleenen.
Wij hebben gemeend als hartelijk deelende in de droefheid van Z.M. en Hoogstdeszelfs Huis deze onze gevoelens te moet mededeelen;terwijl wij met verschuldigden Eerbied ons noemen
Uw Exc: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der stede Arnemuiden
C. Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris
Den 17 Junij 1820

Aan de Heeren Mirandelle & Francois te Den Haag

Mijne Heeren!

In de Staatscourant van Dingsdag den 4e Julij 1820 heb ik onder de aankondiging van de Liquidatie van den franschen achterstand van de maand Meij 1820 onder no 13037 gevonden het bestuur van Arnemuiden wegens geleverde fourage – en dat is voor voeder aan de fransche jagers; die alhier lagen voor ordonnances , geliefd zo goed te zijn het Borderel van Liquidatie of ordonnantie voor mij te doen ligten, aan mij over te maken, en opgaaf te doen van daar op gevallen onkosten.
Ik heb d’ Eer met alle hoogachting mij te noemen
Uw Ed: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 8 Julij 1820

Aan de Heer Gouverneur en
Aan de Provinciale Geneeskundige Commissie in Zeeland

Hierbij ingevolge de bij mij Ontvangen berigten de Staten der Gevaccineerde in deze Gemeente, over het 1e en 2e kwartaalvan dit loopend jaar.
Etc.
Uw Exc:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 8 Juli 1820.

Idem

Bij Uwe Exc: missive van den 5e dezer maand zijn mij toegekomen de alphabetische Lijsten der 3e 4e en 5e klasse van de ligting van het jaar 1807
Ik heb al de Lijsten zedert 1815 nagezien en bevonden dat er geen ontbreken, dan alleen de Alphabetische Lijst van den Jaren 1816 welke voor zo ver mij bekend is, aan mij niet is terug gekomen.Met verschuldigde Eerbied heb ik d’ Eer mij te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 12 Julij 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

De Rekening dezr stede over den Jare 1819 door U den 19 Meij dezes jaars gesloten en bij ons ontvangen zijnde,hebben wij gemeend over een en ander door UEGrAchtb: niet gevalideerde posten de vrijheid te moeten gebruiken ons deswegens nader te addresseren
Wij hebben gezien, dat den ontvanger zijn Loon met f. 3:19cts is verminderd geworden, omdat hij ook 5% van de add:cents heeft gerekend, en dit toch is geschied op grond van art: 10 zijner Instructie in dato 8 Januarij 1819 dewijl die ontvangst doch niet tot de buitengewone behoord, waarom wij ook bij het opnemen der Rekening, deswegen geen aanmerkingen hebben gemaakt.
Voorts is een post van f.7 voor het luiden der Klokken op’s Konings geboorte dag, en op oude jaars avond niet gevalideerd, omdat die uit de Post van Huishoudelijke onkosten zonder autorisatie zijn betaald geworden.
Dan mogen wij UwEdGrAchtb: Eerbiedig observeren dat wel is waar daar voor geen bijzondere autorisatie is verzogt, echter die Post voor het Huishoudelijke niet is overschreden, daar wij alle mogelijke bezuinigingen betrachten, en daar men hier nog al daar op gezet is, dat op Z.M. geboorte dag de klokken worden geluid zo mede op oude jaarsavonds dat een oud gebruik is, hebben wij gemeend, daar die Post zulks volkomen toeliet, en dit meermalen is gebeurd, met de betaling daar van niet te zullen misdoen.
Eindelijk is door Uw EdGrAchtb; niet gevalideerd f. 17.90 voor geleverde tras, daar dit kunstcement moet zijn geweest.
Hieromtrent merken wij aan, dat het besluit van den 14 Decb. 1816 hoewel in de Staats Courant van dat Jaar te vinden, in geen Staatsblad is geinsereerd, en wij dus gedagt hebben, zulks maar Voorname Werken betrof, die openbaar worden aanbesteed, en geensints dagelijkse ge(dane)? Reparatiën, waar bij komt dat bij den Staat van Begrooting voor 1819 bij onze missive van den 21 Aug; 1818 aan u gezondene op de daar bijgevoegde beraming waarschijnlijk die Tras voor de te doene reparatie: staat vermeld en wij bij de terug ontvangst van die staat in beraming daar op geen reflexiën hebben ontdekt.
En daar er niets moeijlijker valt, dan reeds gedane betalingen terug te vorderen,vooral ook dan, zo als hier het geval is, die deugdelijk zijn verdiend, , en waar voor het gebruikte is geleverd, zo vervrijmoedigen wij ons, om UwEdGrAchtb: Eerbiedig te verzoeken. Om die hier voren opgenoemde betaalde posten, tenminsten de twee laatstgemelde ditmaal te valideren, daar wij aannemen om alle mogelijke oplettenheid te zullen in acht te nemen, ten einde zodanige aanmerkingen te voorkomen, en zo veel in ons is te zorgen, dat alle gemaakte bepalingen en verordeningen worden geobserveerd.
Waar mede wij d’Eer hebben os met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der Stede
Arnemuiden
C.Crucq
Den 17 Julij 1820.


Aan Heeren G.S. van Zeeland

Daar men verlangt de Jaardag van Z.M. onzen geEerbiedigden Koning, welke aanstaande is, zo door het uitsteken der vlaggen van de Publieke gebouwen, als het luiden der Klokken te vieren, waar toe eenige geringe kosten vereischt worden en waarvoor niets op de begrooting van dit jaar is gealoueerd, evenzo min als voor het luiden der Klokken op den oude jaars avond, dat hier ook een oud gebruik is.
Zo nemen wij de vrijheid UwEdGrAchtb: Eerbiedig te verzoeken, om daar voor uit de post van onvoorziene uitgaven een som van f.7 te mogen gebruiken voor dit jaar, terwijl wij voor het vervolg op de staat van Begrooting dit aan UwEdGrootAchtb: zullen voordragen.
Etc
Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris
Den 12 Aug: 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland.

Burgemeester en Raden der stede Arnemuiden hebben d’Eer hier bij aan HEGrAchtb: Heeren G.S. van Zeeland te doen toekomen de Staat van Begrooting en Ontvangst en Uitgaaf dezer Stede voor den dienst van 1812/1821? en observeren daar bij

Met opzicht van de Buitengewone Ontvangsten

Daar men op ons Eerbiedig addres van den 17 Julij 1820 aan U gepresenteerd nog geen dispositie heeft ontvangen, zo is het batig saldo der Rekening van 1819 l.l is gearresteerd
Men verlangd om de essen en willige tronken rond de Stede hier en daar staande in de aanstaande winter te kappen waar van het Provenue is berekend en word voorgedragen

Met opzicht tot de gewone Inkomsten

Is van de additioneele cents, zoals die voor dit jaar zijn gebragt.
De Indirecte belastingen die men nog benoodigd zullen hebben, tot den afleg van het laatste Een vijfde stedelijke agterstand, is in Provenue hooger gesteld als waarschijnelijke opbrengst, daar niet alleen de toenemende bevolking der gemeente maar ook de lage markt der granen een meerder provenue als zeker voorspeld, hoewel op een jaar ondervinding anders geen vaste basis voor het vervolg opleverd.
De Pagt van het Veer, die dit Jaar ten einde loopt, heeft men minder voorgesteld ,te zullen opdragen, daar de passage door de nieuw gelegde weg in het Nieuwland nog al meerder alhier is afgenomen.
-blijft als voor dit jaar
De Landpagt is met f.20 vermeerderd, wegens de verpagte berg, volgens PagtContract door U den 5e April 1820 geapprobeerd.
Grondrenten en Pagt…. Ondergaan geen verandering

Met opsicht tot de gewonen Uitgaven

Voor het Plaatselijk bestuur heeft men f.100 meerder voorgedragen, zoals men bij missive van den 5 meij 1820 U om onder de leden te verdeelen hebben verzogt,maar daar op nog geen dispositie is ingekomen.
Zijn als dit loopend jaar voorgesteld.
Heeft men f.10 meerder voorgedragen, daar men met de post van voor vuur licht en schrijfbehoeften niet kan toekomen
Ondergaan geen verandering
Voor deze posten gaat hier bij een beraming door den architect der gebouwen opgemaakt.
Voor het onderhoud der Ponte heeft men f.10 minder voorgesteld te zullen bedragen.

Word genoegzaam geen verandering voorgedragen alleen merke men op, dat hoe zeer men nog niet geslaagd is, in het bekomen van Een chirurgijn, evenwel gemeend heeft nogmaals op no 16 de f.75 daarvoor te moeten voordragen, of men soms daar in of in het volgende jaar mogt reüseren terwijl de Revenuen het toelatende, men ook iets meerder voor onvoorziene uitgaven voorsteld

Met opzicht tot de Plaatselijke schuld en buitengewone Uitgaven:

Dat door den afslag van 1/5 van den agterstand der stede ook aan Intrest voor 1821 is verminderd voorgedragen
Het laatste 1/5 van den agterstand is als dit loopend jaar hier gebragt
Voor het planten van Boomen is weder een som voorgesteld, om de Revenuen voor het vervolg bij genot verbeterd te zien.
Is voor de Keersluis in het Kanaal volgens Besluit van Z.M. in dato 3 Meij 1820
Is een geringe som, tot genoegen op Viering verjaardag van Z.M. en op den laatsten avond des jaars
Deze staat aldus aan UEGrAchtb: ter approbatie voordragende, hebben wij d’eer ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw EdGr: Achtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der Stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris
Den 10 Aug: 1820

Aan den Kerkenraad van Arnemuiden

Bij eene Missive van zin Excie den Heer Gouverneur dezer Provincie, in dato te deze, word mij kennis gegeven dat door A.H. de Ridder alhier overleden bij hare testamentaire dispositie gepasseerd voor Schepenen dezer stad den 11 Julij 1809 aan den armen dezer gemeente is gelegateerd een som van f.1.50 voor welks aanvaarding door Uw Eerw: tot heden nog geen aanvraag bij het Gouvernement is gedaan.
Ik verzoek dus Uw Eerw conform het Besluit deswegens genomen te vinden in de Staat Courant van den 27 Januarij 1814 de nodige autorisatie tot de aanvaarding van dat Legaat te doen, of wel aan den Heer Gouverneur de rede op te geven, waarom Uw Eerw; vermeenen mogten in die aanvaarding te moeten difficulteren.

De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 8 September 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

De Visschers dezer Gemeente, inzonderheid die welke hun bestaan in het najaar en in den Winter vinden in het vangen van oesters, hebben mij klagelijk te kennen gegeven, dat hoewel zij, zowel als de andere Zeeuwsche visschers hun nog bestendig houden aan de voormalige wet van Zeeland van op de Banken van Yerseke geen oesters te korden voor den 1e October van ieder jaar, maar wel in de kreken en bijzonder kleine banken nu reeds in de voorgaande week, Vlaamsche of Brabandsche visschers eerstgem: Banken beroofden, dat zij zelve aan die plaats een getal van 19 schuiten daar mede hadden gezien, hen onledig te houden, dat zeer in nadeel van de Zeeuwsche visschers verstrekt, en die banken voor een groot deel zoude geruineerd zijn voor den bepaalde tijd daar was, indien daar in niet spoedig werd voorzien, mij verzoekende in deze hunnen belangens te behartigen.
Ik neem mitsdien de vrijheid mij aan UwExc: te addresseren, en behoeve de visschers dezer Stede Uw Exc: Eerbiedig te solliciteren, om hier omtrent zodanige maatregelen te nemen, als UwExc: zal behagen en meestig dienstig mag oordeelen, tot behoud van de Yerseke banken de Zeeuwsche visschers in het gemeen en die van deze Plaatse derzelver belangens in deze inzonderheid bevordelijk zijn kunnen.
Waarmede ik d’Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te teekenen
Uw Exc: Dw Dienaar
Bij absentie van de Burgemeester
De president Raad
J. de Marée
Den 18e September 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Hier bij gaat het addres van Diakenen der hervormde Gemeente verzoekend om autorisatie tot het aanvaarden van een legaat van f. 1,50 aan de armen gemaakt door Alida Hubregtse de Ridder
Etc
Uwe EdGrAchtb: DW Dienaar
Bij absentie van den Burgemeester
De president Raad
J de Marée
Den 19 september 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Hierbij heb ik de Eer tot Zetters dezer Gemeente voor den dienst van 1821 voor te dragen
J. de Marée, P. de Meulmeester en J. Kraamer alle wonende binnen deze Gemeente en
D Bogert en W. Midavaine
Wonende in de gemeente van Cleverskerke
Etc
Uw Exc: DW Dienaar
Bij absentie van de Burgemeester
De president Raad
J. de Marée
Den 18 september 1820


Aan Heeren G.S. van Zeeland

Daar met November aanstaande conform art.3 van het Reglement van bestuur ten Platten land van Zeeland Een derde uit den Raad moet aftreden, welke voor dit jaar, ingevolge de plaats gehad hebbende Loting, uit ons midden bestaat uit de leden J. de Marée en Leendert Wisse, zo hebben wij d’eer overEenkomstig art.2 van het zelve Reglement aan UwEdGrAchtb: een Dubbeltal kandidaten voor te dragen, als dezelfde Leden
Jannis de Marée
Leendert Wisse nevens
Paulus de Meulmeester en
Johannis Schets
Ten einde daar uit door UwEdGrAchtb: twee leden voor dezen Raad worde benoemd.
Waarmede wij d’Eer hebben met verschuldigden Eerbied ons te noemen.
Burgemeester en Raden
Der Stede Arnemuiden
C.Crucq
Ten ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars.
Den 28 Sept: 1820.

Aan den Heer Lt Koll: Koning
Het 1 Dep Batt: 2e afd: Inf:
Den Bosch

Hoezeer den persoon van H. J. van Heijl als Remplacant voor deze gemeente bij de Nat:Mili: is dienende, nogthans berust zijn verlofpas niet bij mij, en ook, is hij op de Nom: staat door Zexc: den Heer Gouv: dezer Provincie , mij bij deszelfs missive van den 1e Sept: l.l. niet vermeld, denzelven zo ik geinformeerd ben,houdt zich op te Middelburg, en ik meen UwEdGestrenge zich zal behooren te addresseren aan Heeren Burgemeesteren van die stad, alwaar zeer zeker zijn verlofpas is gedeponeerd.
De Burgemeester der Stede Arnemuiden
C.Crucq.
Arnemuiden den 2 October 1820.

Aan den Heer Inspecteur der Posterijen in 13 District te Breda.

In antwoord op Uw EdGestr.Missive van den 30 der vorige maand, diend; dat de post ruim een jaar geleden geen gebruik meer maakt van het veer aan de stede behoorende, en ook niet behoefd, daar hij door het Nieuwland passerende gebruik maakt van den gelegden Dam aan het oud Middelburgsche hoofd, waar hij niets voor behoeft te betalen.
De Burgemeester der Stede
Arnemuiden
C.Crucq
Den 2 Oct: 1820.

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

De collecte welke krachtens de dispositie van Heeren G.S. dezer Provincie in dato 1e September j.l. no 5 alhier is gedaan, behoeve het Dorp Beilen in Drenthe bedragen hebbende eene somma van Elf Gulden zestig cents is ter Provinciale Griffie overgebragt, waarvan ik Uwe Excie kennis geef, en d’Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.Uw Excie DW Dienaar
Bij absentie van de Burgemeester
De President Raad
J. de Marée
Den 7 Oct. 1820


Idem

Ik heb d’eer Uw Excie kennis te geven, dat het Kohier der Patenten over dit loopend jaar mij zijnde toegekomen, hetzelve op heden door mij is gepubliceerd, en aan den Heer Ontvanger ter hand gesteld.
Etc.
Uw Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuidedn
C.Crucq.
Den 16e Oct:1820

Aan dhr Schout van Heijnen ? bij Oudenaarde
Provincie Oostvlaanderen

De Persoon van Pieter Frans van den Putte Verlofganger van de Nat:Mil: begeerd hebbende uit deze Gemeente tot het vinden van zijn bestaan na UE Gemeente te gaan, zo is zijn verlofpas bij mij gedeponeerd, en bij mijn absentie doorden President Raad dezer stede het gewone attest gegeven, waar op zijn verzoek is genoterd, en waar van ik UEd bij deze kennis geef.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 25 Oct: 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’ Eer hier bij aan UwExc: te doen toekomen de naamlijst van de beambten of bedienden dezer Stede, welke ingevolge Uw Exc: aanschrijving van den 16. dezer maand no 2846 behoorlijk is ingevuld, alleen observere ik daar bij dat de bediening van Bode dezer Gemeente thans vacant is, en provisioneel door den veldwagter word waargenoemen.
Waarmede ik d’Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C.Crucq
Den 28 Oct:1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

De Centrale directie des Eilands Walcheren heeft de Burgemeester bij Missive verzogt, om de nodige orders te willen stellen, dat de Bermweg van deze stede naar de Oude Arne in een rijdbare staat worde gebragt, en vervolgens door het op zijn tijd opronden wateraflaten en toekappen der sporen dezelve in eenen behoorlijken staat worden onderhouden.
Die Missive door den Burgemeester bij ons ingebragt zijnde, hebben wij gemeend dat hoewel Arnemuiden bij die weg weinig belang meer heeft maar maar wel dien, welke waarschijnlijk bij de Directie van Walcheren daarover klachten heeft ingediend, ten minste is het zeker dat thans door afgezetenen dezer stede meerder als door Inwoonders van die weg gebruik word gemaakt en die echter moeijlijk zullen over te halen zijn om eenigsints in den onderhoud te deelen, dat wij evenwel daar den Dijk behoeve deze stede is verpagt, en in die conditiën niet vermeld staat dat de Pagter die weg moet onderhouden, vermits op die tijd dezelve als een Post weg werd gebruikt en mitsdien van ’s Landswege ook werd onderhouden, dus nu eenigsints verpligt zijn, om aan dezelve de nodige reparatiën en onderhoud te doen, waar van wij berekend hebben voor dit loopend jaar eenen som van f.25 te zullen behoeven.
En daar op den Staat van Begrooting voor dit Jaar daar voor niets staat vermeld , zo nemen wij de de vrijheid UwEdGrAchtb: Eerbiedig te verzoeken van aan ons autorisatie te verleenen, om die f.25 uit het fonds van onvoorziene uitgaven vover 1820 gealloueerd te mogen gebruiken terwijl voor het volgend jaar 1821 eene nadere voordragt aan uwe EdGrAchtb: door ons zal gedaan worden.
Etc
Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester & Raden der stad Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Corn: Dan: Baars
Secretaris
Den 28 Oct: 1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

De Verlofgangers der Nat: Mil: behoorende tot deze gemeente en welke de najaars Exercitiën hebben bijgewoond, alhier geretourneerd zijnde, heb ik d’eer Uw Exc: daar van berigt te doen, en hier bij te voegen, het Duplicaat Register waar op de nodige aantekening is gedaan.
Etc
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den10 Novb.1820


Aan Heeren G.S. van Zeeland

De pagt van het Veer met de overzet Ponte van deze stede op het Nieuwland, met ultimo December dezes jaars expirerende, zo meenen wij de tijd daar is,om ten dien opzichte zodanige maatregelen te moeten in het werk gaan stellen, als ten meesten voordeel der stede kan verstrekken.
Het is eene waarheid, dat veer door den gelegden Dam, aan het oude Middelburgsche hooft zeer aan verloopen is, en ook dat de overzet Ponte voor een groot gedeelte versleten is, daar aan bij verdere Reparatiën verEischt worden, en mitsdien tot last zoude gaan verstrekken van de Stede zonder daar van voldoende Inkomsten te genieten.
Wij hebben dus met den tegenwoordige veerman daar over gesproken, die voor den helft Eigenaar van gezegde Ponte reep(kabel) en toebehooren is, En zijn mitsdien te rade geworden, om dat Veer als een zogenaamd stuiver Veer, met gebruik van een Roeiboot te verpagten; met behoud is het doenelijk van de overzet Ponte en wel in dezer voege.
1. Dat voorschr:? Veer werd verpagt voor den tijd van 7 jaren, zoals gebruikelijk is geweest met een Roeiboot, door den Pagter zelve aan te schaffen en voor zijn rekening jaarlijks te onderhouden.
2. dat den nieuwen pagter de vrijheid zoude hebben, om de overzet Ponte met zijn ap en dependentiën van de stede en den tegenwoordigen Pagte over te nemen, en van dezelve zo lang doenelijk gebruik te maken op den tegenwoordigen voet mits binnen 4 weken na de geapprobeerden verpagting daar voor in contante penningen betalende f.300 aan de Stede, en gelijke som aan den tegenwoordigen Pagte, en die Ponte voor zijn rekening reparerende en onderhoudende , doch na erloop van tijd dezelve onbruikbaar wordende , die weg te doen, en als dan zich van een behoorlijke Roeiboot voorziene waaromtrent den nieuwen Pagter bij zijn Pagt zich dadelijk zoude moeten declareren.
3. Dat den Pagter die overneming niet begerende volgens art Een dadelijk een Roeiboot moet aanschaffen, en zich als dan moet vergenoegen met het oude Loon van vijf cents voor een persoon en 2 ½ cents voor een kind overzettende zonder meer.
4. dat den Pagter zijn beloofde Pagtpenningen alle drie maanden voor ¼ part zoude moeten voldoen en de kosten van de conditiën zegels en Registratie volgens gewoonte voor zijn rekening moet nemen.
Terwijl in cas den nieuwen Pagter niet verkoos de Ponte etc over te nemen, het Bestuur met den Veerman dezelve Publiek of uit de hand zoals het ten meesten voordeele van de Eigenaren zal kunnen verstrekken, alles onder nadere approbatie van UwAchtbaren.
Dit een en ander is ons na rijpe overweging voorgekomen met de belangens der Stede overEen te stemmen, en nemen mitsdien de vrijheid tot het vorengemelde UwEdGrAchtb: autorisatie eerbiedig te verzoeken.
Waar mede wij d’Eer hebben ons met verschuldigde eerbied te noemen.
Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der stede
Arnemuiden
C. Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris
Den11 novb.1820


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Onderscheidene Eigenaren van ongebouwde Eigendommen dezer Gemeente, hebben mij geklaagd dat zij boven mate waren aangeslagen in de grondlasten over dit loopend jaar, waar voor zij geen gegronde redenen konden bedenken.
Weshalven zij mij verzogten hunne gemeene belangens deswegens aan Uwe Excellentie voor te dragen.
Ik heb de repartitie van deze gemeente van 1810 en van dit jaar nagezien en bevonden dat die over 1820 zonder de verhooging of opcenten met ongeveer f.200= vermeerderd was, het welk zeer zeker bezwarend is, voor de Eigenaars van ongebouwde Eigendommen , te meer daar den aanslag der vorige jaren alreeds zeer hoog was, naar mate van de waarde en deugdzaamheid der landen in deze gemeente gelegen, aangezien de Tauxatie uit hoofde van den toevoeging van Terrein, dat onder de fransche administratie abusievelijk bij Nieuw & Sintjoosland was gevoegd mede te hoog is gesteld.
Ook is de Personeele en Mobilaire belasting in den aanslag drukkend voor deze Gemeente daar de meeste Ingezetenen zeer behoeftige Lieden zijn, welke jaarlijks op den Nonvaleur Staat komen, ’t welk een herbelasting ten gevolge heeft, dat wederom tot bezwaar van hun komt;welke alles aanwenden om hun verschuldigde te voldoen, en was dien aanslag minder zoude men meer van die behoeftige van de Lijst of het Kohier kunnen aflaten.

Ik heb gemeend dit een en ander aan de Intentie van UwExc: te moeten brengen, met Eerbiedig verzoek dat Uw Exc: hetzelve mag in aanmerking nemen, en bij de repartitie over den dienst van 1821 eenige vermindering in dien aanslag te vergunnen.
Waar mede ik d’eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
UwExc: DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 22 Novb.1820

Aan de Heer Griffier der
Staten van Zeeland.

Daar het Register van geboorte dezer gemeente voor dit loopend jaar waarschijnlijk niet voldoende zijn zal, neeme ik de vrijheid UwEdGestr: te verzoeken, van mij een suppletoir Register van Een vel waar in agt Akten te verleenen, en aangezien de bevolking dezer gemeente, zedert weinig jaren nog is toegenomen zo dat ik al meermalen in de noodzakelijkheid ben geweest, een suppletoir Register te vragen, zo verzoeke ik, kan het zijn, dat de Registers van geboorte voor 1821 werden vermeerderd.
Ik heb d’eer met verschuldigden Eerbied mij te noemen.
Uw EdGestrenge DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 25 Novb.1820

Aan de Heer Kapitein der
1e Komp; 2e Batt: Schutterij

In voldoening aan UwEdGestr: verzoek bij missive van den 19 dezer mij gedaan, bekomt UwEdGestr: hierbij een opgaaf van de Persoonen in deze gemeente, welke volgens de Wet, tot den dienst der Schutterij kunnen worden gedesigneerd.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 29e Novb: 1820

Aan Heeren G.S. van Zeeland

Daar wij het een van onze Eerste en Voornaamste pligt rekenen, om is het immer doenelijk de lasten door onze gemeente gedragen wordende, te verminderen, en alzo deszelver welvaard naar onze vermogens bevordelijk te zijn, zo is het, dat wij daar aan, als in de gelegenheid daar toe gesteld wordende , als nu Menschen te beantwoorden.
Op het berigt en voorstel van onzen Plaatselijken Ontvanger mogen wij UwEdGrAchtb: mededeelen, dat de Plaatselijk Indirecte belastingen over de nu verloopene Elf maanden dezes jaars zuiver hebben opgebragt eene somma van
f. 1924—87
Waar voor op de staat van begrooting
Over dit jaar als waarschijnelijke
Opbrengst is berekend
Te zullen bedragen f. 1243--- 90

Dus reeds heden een meerder
Rendement ter Somma van f. 680 -- 97

Dat zeer waarschijnlijk nog over de maand December met Een Honderd Gulden staat vermeerderd te worden,
Waar bij komt de belasting op het bestiaal en dranken, die over de Elf maanden onzuiver heeft opgeleverd f. 593--48
Weshalven wij van gedagten zijn, dat wij met het meerder Rendement over dit loopend jaar en de voortdurende belasting op het Slagtvee dranken, de waarschijnlijke berekening in de staat voor 1821 voorgesteld wel zullen erlangen.
Waarom wij de vrijheid nemen ter gemoedkoming onzer Gemeente aan UwEdGrAcht: voor te dragen, om met Primo Januarij aanstaande de belasting op het gemaal te doen cesseren.
Wij vermeenen die voordragt gerust te kunnen doen, daar de laatste 1/5 Stedelijke Schuld voor 1821 bepaald, reeds nu konde betaald worden.
Hier op UEdGrAchtb: gunstige dispositie verzoekende, hebben wij d’eer ons met verschuldigde Eerbied te teekenen

Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der Stede
Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris
Den 8 Decb. 1820


Aan Heeren G.S. van Zeeland

Ten gevolge van UEdGrAchtb; verleende autorisatie bij deszelver dispositie van den 17 Novb. Dezes jaars hebben wij het veer van deze Stede op het Nieuwland op heden Publiek verpagt aan den persoon van C. Kraamer voor eene somma van f.109 ’s jaars, waar van wij de conditiën nevens een duplicaat ter approbatie aan UwEdGrAchtb:aanbieden.
En daar den nieuwen Pagter heeft verklaard de Overzet Ponte niet over te nemen, verzoeken wij UEdGrAchtb: tevens om die Ponte met reep(kabel) en toebehooren, als nu het zij uit de hand of Publiek ter meesten voordeele der stede en den actueelen veerman te verkoopen onder nadere approbatie van UEdGrAchtb:
Waar mede wij d’Eer hebben ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
UwEdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester & Raden van Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan:Baars
Secretaris
Den 16 Decb.1820

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’Eer hierbij aan Uwe Exc: te doen toekomen mijn handtekening in triplo, zo mede van mijn Plaatsvervanger en de Leden van dezen Raad, tot de teekening van de Certificaten voor de nationale Militie gekwalificeerd, terwijl ik d’Eer heb mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 29 Decb.1820


Aan Heeren G.S. der Staten van Zeeland

In voldoening aan UwGrootAchtb: dispositie van den 22 dezer maand no 11 houdende prov: approbatie van de verpagting van het veer van den Stede op het Nieuwland voor den tijd van 7 jaren, den 16 tevoren door ons Publiek gedaan, hebben wij de Eer hierbij aan UwEdGroot Achtb: te doen toekomen
Een Extract uit onze Notulen van den 8 dezer maand betreffende de verandering van het tarief voor het genoemde veer,zomede het tarief zo als dat door ons is opgemaakt, dat evenwel niet anders is dan de hernieuwing van het voormaals bestaan hebbende, wanneer dat veer met eene Roeiboot werd waargenomen, zoals nu ook zal plaats vinden.
En ingevolge van uw GrAchtb: dispositie van evengemelde datum no 20 houdende autorisatie van Prov: met 1e Jan: 1821 de belasting op het gemaal voor de helft, en die op de dranken en die op het Beestiaal voor drie vierde der tegenwoordige aanslagen te heffen, hebben wij d’Eer hier mede aan U te doen toekomen een Extract deliberatie inhoudende de motieven waarom wij de vermindering der stedelijke belastingen verlaagd hebben, en opgave der hier voren geaccordeerde mate van vermindering.
Waarmede wij d’Eer hebben ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
UwEdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der Syede
Arnemuiden
C. Crucq
Ter Ordonn: van dezelve
Corn: Dan: Baars.
Den 30 decb. 1820

Aan de Heer Gouverneur
En aan de Prov:Geneeskundige Commissie


1821

Ingevolge de bij mij ontvangen berigten heb ik d’Eer aan UwExc: hier bij te doen toekomen de staat der gevaccineerde in deze Gemeente over het 3e kwartaal van 1820 terwijl voor zover mij bekend is die kunstbewerking in het 4e kwartaal alhier geen plaats heeft gehad.
Ik heb d’Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen
UwExc: DW Dienaar
C.Crucq
Den 8 jan: 1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’Eer hierbij aan UwExc: te doen toekomen de staat der Zetting van het Brood over het 4e kwartaal van 1820 in deze Gemeente plaats gehad, terwijl ik met verschuldigde Eerbied mij teeken.
UwExc: DW Dienaar
C.Crucq
Den 8 jan:1821

Aan Zijn Exc: de Heer
Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’Eer hierbij an UwExc: te doen toekomen de Staten van de geborenenen overledenen in deze Gemeente gedurende den Jare 1820 terwijl in dat jaar vijf paar zijn gehuwd en geene Echtscheidingen hebben plaatsgevonden.
Waarmede ik d’Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 17 Jan 1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’ Eer UwExc: te rapporteren dat ik het verlangen van het Gemeente bestuur van Nieuw en St.Joosland door Uw Exc; mij te kennen gegeven betreffende om een veldwagter in die Gemeente afzonderlijk te hebben aan den Raad dezer Stede hen medegedeeld, zo mede dat mij daarna was berigt genoemde Gem: Bestuur zoude toestemmen in de kosten van een afzonderlijken veldwagter, wanneer de f.160 door die nu gecombineerde gemeente daarvoor gedragen wordende ten laste dezer gemeente zoude komen, of wel begeerde dat de veldwagter bij hun inwoonde in welk geval zij iets meer en deze Gemeente iets minder daar voor zoude moeten dragen
Den Raad heeft daar op hare verwondering over het aanhoudend dringende van dat Plaatselijk Bestuur ten dien respecte te kennen gegeven, daar zij daar voor geen gebiedende noodzakelijkheid konde zien, vermits deze Plaats nu bijna drie jaren geleden de eenige passage na het Sloe zijnde, men het zeer wel met Een veldwagter die voor drie Gemeenten dienstbaar was heeft gedaan, terwijl nu nog veele voetgangers die de kortheid betrachten deze Gemeente passeren en de Nieuwlandsche Gemeente van de Lieden welke met een Rijtuig na het Sloe rezen, waarschijnlijk geen overlast of bezwaar ontmoet dan Bedelaars komen nu zeker meerder in die Gemeente, en dit is men aldaar niet gewoon, en die verlangd men te weren, dan daar zal men werk mede hebben, zolang het werkhuis te Vere die niet opneemt, want die komen hoe arm ook Arnemuiden is na herwaarts en daar te boven wandelen die Lediggangers alleen des daags, en dan dog is de veldwagter veeltijds in die Gemeente, daar men alhier des avonds de meeste dienst van hem heeft en die behoefte ter voorkoming van geschreeuw en baldadigheden, die anders plaats hebben en aan een Visschers plaats meer eigen is dan aan een Landdorp.
Intusschen hoewel de Stedelijke finantien in eene redelijke staat haar bevind heeft de Raad verklaard niet genegen te zijn om meerder kosten voor een veldwagter te dragen, daar zij niet gaarne de nu verminderde belasting op nieuw in verhooging zoude voordragen- en dus nu den tijd beschouwende? Om alle spaarzaamheid in acht te nemen., mogt zij over de f. 120 die voor een veldwagter van deze Gemeente worden, vrij disponeren, dan zoude zij een afzonderlijken veldwagter begeren in het vertrouwen daar voor voldoende diensten voor hare Gemeente te zullen verlangen.
Doch om aan die zonderlinge begeert van het Nw en St Joosland bestuur eenige mate toe te geven, heeft den Raad verklaard , liever dan een verhoogde toelage te betalen, dat zij instemt die man in hare gemeente gaat wonen, en wanneer de ondervinding nader mogt leeren het volstrekt noodzakelijk was, dat hier zo een veldwagter inwoonde, zij alsdan de vrijheid zoude gebruiken om deswegens de nodige voordragt te doen en dit onder voorwaarde gemelde veldwagter ook voor deze Gemeente dienstbaar blijft, zoals hij nu voor Nieuwland en Cleverskerke is , en men daar ook naar de mindere mate van dienst ook minder in den onderhoud van denzelven draagd.
En hier mede vertrouwende aan de Intentie van UwExc; te hebben voldaan, zo heb ik d’Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
UwExc: DW Dienaar
De burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 20 Jan: 1821


Aan Heeren G.S. van Zeeland

Daar het in werking brengen van de Wet voor de nieuwe maten en gewigten, als nu bepaald zijnde, zo hebben wij den stedelijken ijker gelast om de oude maten en gewigten onder hem berust hebbende , bij en aan ons over te brengen, waaraan denzelven heeft voldaan, en vermeenen nu het voordeligst te zijn om die van de hand te doen.
Weshalven wij de vrijheid gebruiken om aan Uw EdGrAchtb: voor te dragen en derzelver benoodigde autorisatie Eerbiedig te verzoeken ten einde die oude kopere tinne loode en ijzere maten en gewigten uit de hand te mogen verkoopen, en en uit de daar van komende gelden de benodigde nieuw gewigt voor commissarissen Broodwegers, ook een Nieuwe turfton, kolen en kalkmaten te mogen aankoopen, waarvan wij bereid zijn, zo de bewijzen van verkoop als inkoop aan UwEdGrAchtb: na het verrigte of wel bij het doen der Stedelijke Rekening voor dit loopend jaar over te leggen.
Waarmede wij d’Eer hebben ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden
Der Stede Arnemuiden
C.Crucq
Ten Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Den 20 Jan:1821.

Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Ik heb d’ Eer hier bij aan Uw Exc: te doen komen het Inschrijvings Register en de Alphabetische Lijst van de manspersonen in 1802 geboren en tot deze Gemeente behoorende terwijl ik UwEerw moet berigten dat geen vrijwilligers zich voor de Nat:Militie hebben opgegeven, en geen reclames van reeds dienende bij mij zijn ingebragt
Waar mede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 29 Jan: 1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Uw Exc missive van den 27 dezer maand betrekkelijk de verplaatsing of de aanstelling van eenen afzonderlijken Veldwagter bij ons zijnde ingekomen, hebben wij d’ Eer daar op Uw Exc; te rescriberen
Dat wij gaarne erkennen de noodzakelijkheid dat de veldwagter in deze Gemeente blijft wonen, en wij mogelijk bij eene verplaatsing van denzelven nog meer zouden overtuigd worden, door dat het ons toeschijnt evenwel een groot bezwaar voor deze stede zal zijn dat wij daar voor f.160 meerder en alzo jaarlijks f.200 moeten dragen, hetgeen met de f.65 door Cleverskerke gedragen wordende f.335 uitmaakt, waar van Echter de veldwagter voor tractement maar f.190 en voor gratificatie f.10 dus te zamen f.200 geniet, en evenwel voor kleeding geen f.135 jaarlijks kan kosten, zodat wij moeten veronderstellen door die meerder betaling aan andere Gemeenten toe te dragen, wel is waar dat onze stedelijke geldmiddelen haar in eenen goeden staat bevinden en ook daar in verlangen wij die te houden, en ook daar toe strekken onze poging om zo veel ons doenelijk is, onzen Inkomsten te verbeteren zonder drukking van onze zeer behoeftige Ingezetene, en alle lasten af te wenden.
Wij hebben nu reeds f.50 tot onzen duurzame last bekomen voor den onderhoud van de keersluis en vreesen dat die last eerder zal verzwaren dn verminderen, aangezien die van deszelfs Inkomsten niet voldoende onderhouden kan worden, en evenwel is het behoud van dezelve van een groot belang voor deze Gemeente, die het behoud van eenen afzonderlijken veldwagter overtreft.
Mogen wij Uw Exc: nog observeren dat twee veldwagters in de drie Gemeenten geen bestaan kunnen vinden, daar de man die wij nu hebben met bijvoeging van de f.60 voor de klok en zijne nieuwe jaars Emolumenten nog maar een sober bestaan heeft, en moet hij nu de voordeelen van het Nieuwland missen, , en die van het Nieuwland dat van de klok, zo zal beider bestaan gering zijn, of zij moeten zo als in andere gemeenten gaan werken, en dan mist beide het gewenschte doel en dienst.
Intusschen mogten wij met een toelage van f.45 zo als onze Burgemeester ons heeft medegedeeld en het eerst was gezegd, eenen afzonderlijken Veldwagter houden, dan zouden wij ons gereeder laten vinden, om aan het Bestuur van Nieu &St Joosland genoegen te geven, dan nu vinden wij ons met een f.200 zeer bezwaard, want wij weten dat Cleverskerke niet kan toebrengen en wij vreesen die last aanhouden zal, en bij de minste tegenspoed die deze Plaats mogt bekomen, zouden wij lasten moeten voordragen die onze arme Inwoonders niet dragen kunnen, waarom wij het als een groot voorregt beschouwen, dat onze financien thans haar ineene goeden staat bevind.
De veldwagter verplaats wordende is het niet doenelijk hij de klok behoud, en moet dus de f.60 verliezen, want die man kan niet tweemaal daags na herwaarts komen, om die klok op te winden, zo verliest hij nog de f.10 die hij geniet voor het zuiver houden van de mestputten etc.
Weshalven wij na het een en ander Uw Exc; te hebben medegedeeld, niet meerder kunnen doen dan aan Uw Exc: de dispositie omtrent deze zaak over te laten, naar Eerbiedig aanbeveling van onze belangens, en in het volkomenst vertrouwen Uw Exc: ook die zult behartigen, waar aan wij ons Eerbiedig zullen onderwerpen.
Met terugzending van het Rekwest van den Veldwagter, waar omtrent wij het niet nodig
Geacht hebben een bijzonder berigt te doen daar wij het een en ander daaromtrent aan Uw Exc: hebben te kennen gegeven, zo hebben wij d’Eer ons met verschuldigde Eerbied te noemen
Uw DWDienaaren
Burgemeester &Raden der stede Arnemuiden
C.Crucq

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
In voldoening aan den inhoud van Uw Exc: missive van den 27. der vorige maand 2e afd. no 658 hebben wij d’ Eer hier bij aan Uw Exc: te doen toekomen.
Een inventaris van de oude maten en gewigten met derzelver toebehooren, voor den stedelijken IJk gediend hebbende, waarvan bij verkoop wij calculeren circa 20 à 25 Guldens zal geproveneerd worden.
Verder zal men hier benoodigd hebben een koper gewigt van 2 Nederlandsche Ponden met deszelfs onderdelen voor de Broodzetting; een nieuwe houten turfton, dito kalk en dito kolen maaten, met ijzere banden beslagen.
De juiste prijs daar van nog niet bekend zijnde zal mogelijk daar toe circa f. 30- benodigd zijn
Waarmede wij d’Eer hebben om met verschuldigde Eerbied te noemen
Uw Exc: DW Dienaren
Burgemeester en Raden van Arnemuiden
C. Crucq
Ter ordonnante van dedzelve
Corn:Dan: Baars
Den 2 febr: 1821

Idem

Ik heb d’ Eer het Duplicaat Register van de Verlofgangers dezer Gemeente aan Uw Exc: te doen toekomen welke ik vernieuwd heb in voldoening aan Uw Exc: aanschrijven van den 14 Januarij etc.
Uw Exc: DW Dienaar
De burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 2. februarij 1821

Aan de Provinciale Commissie
Van Landbouw in Zeeland

Ik heb d’ Eer aan Uw Ed: hierbij te doen geworden een bij mij ingekomen Billet van Adriaan Koets alhier woonachtig , daar bij den oogmerk te kennen gevende van dit jaar een dekhengst te houden en zulks in voldoening aan art. 4 der Publikatie van G.S van den 20 Januarij 1817
Uw Ed: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 5.febr:1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik voel mij verpligt UwExc: te berigten, dat den Persoon van Anthonij Kanaar tot de reserve van de Nat:Mil: behoorende en op de nominative staat der manschappen welke den 1 maart 1821 zich onder de wapenen moeten vervoegen, bij Uw Exc: missive van den 17 dezer maand nm no 486a vermeld thans, zoals ik geinformeerd ben wegens een begane moord te Middelburg gevangen zit, en dus buiten de mogelijkheid, om denzelven op den 25 aanstaande aan Uw Exc: te doen overgeven.
Etc.etc.
Uw Exc:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
Den 19.februarij 1821

Idem

De jaarlijkse reparatie aan de Overset Pont waarin de Stad voor 1/3 moet dragen, door mij aan de gewezen Veerman G. Meerman betaald zijnde voor het verloopen jaar 1820 waardoor het daarvoor gealloueerde op de Begrooting van dat jaar is gebezigd, zo blijft nog aan gem: veerman de restitutie te voldoen den helft in het lastgeld? Ter somme van f. 72- hetgeen onder den gewone onderhoud niet mag berekend ?, waarom ik de vrijheid? Gebruik UwExc: Eerbiedig te verzoeken van de nodige autorisatie te verleenen om de f. 72- aan gem: gewezen veerman uit de Post van onvoorziene Uitgaven van het vorig jaar te mogen restitueren.
Etc.
Uw Exc:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 24 Februarij 1821

Aan d’ Heer Schoolopziener van
‘t 1e District in Zeeland

Na ingenomen Informatiën , heb ik d’ eer in antwoord op UEdGeerde van den 21 dezer te berigten dat de schoolonderwijzer dezer Gemeente eenige EigenAardige straffen aan de kinderen gebruikt door middel van een dun Spaansch rietje, waarmede hij de kinderen de letters op het letterbord aanwijst en dit doet met overleg; meer om dezelve schrik aan te jagen dan om hun pijn te veroorzaken.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 28 Maart 1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Uw Exc: Missive van den 26 dezer maand NM no 866 bij mij ontvangen zijnde, betrekkelijk het niet compareren van Gecomm. Uit den Raad dezer stede bij deplaats gehad hebbende Loting voor de Nat: Mil: waaromtrent het mij spijt de Heer Militie Commissaris deswegens bij Uw Exc: klagten heeft ingediend; hoewel het een waarheid is, dat de door mij daar toe verzogte Leeden? Zulks hebben van de hand gewezen dewijl zij ongenegen waren daar voor hunne affairens te verlaten of door verlet schade te lijden.
Het is UwExc: bekend, hoeveel moeijte men heeft gehad, en ook de poging door Uw Exc: zijn aangewend ten einde het bepaalde getal Leden voor den Raad te bekomen, die hoewel tot heden voltallig en nu en dan bij den Raad verschijnende evenwel zeer ongaarne zich laten vinden tot iets waar door zij eenig verlet of schade moeten lijden, dewijl zij voor het meerderdeels ambachtslieden zijn.
Ik vermeen ook daar op niet te sterk te mogen aandringen, of dadelijk over hun bij UwExc: te moeten klagen, daar den Raad voor 1811 eenige Schadeloosstelling van hun verlet bij wijze van presentie of ook Commissie gelden van stadswege werden goedgedaan, en waaromtrent zij nu weder gerekend hadden, op grond van HEdGrAchtb: Heeren G.S dispositie van den 14 April 1820 no 24 en de daar op door den Raad gedane voordragt bij missive van den 5 Meij 1820 aan G.S dat herhaald is, bij en in de Memorie gevoegd bij de Staat van Begrooting van 1821 in dato 11 Aug: 1820, doch waar op geen dispositie is gekomen dan alleen dat men op de Staat der Begrooting heeft gezien? Die voorgedragen somme niet is geaccordeerd geworden, waarvan de Leden geen redenen kunnen bevatten, aangezien aan andere Steden, die nog met veele schulden zijn beladen, voor de Raden eenig presentie geld word verleend, en aan deze stede, die hare schulden heden volkomen afdoet niet word vergund ??? aangezien hare finantiële toestand zulks toelaat.
Ik neem mitsdien de vrijheid Uw Exc:Eerbiedig te verzoeken. Om door deszelfs veel vermogende invloed bij HEdGrAchtb: te bewerken dat aan den Raad eenige Schadeloosstelling mag worden vergund, wanneer men ook meerder regt en kragt kan uitoeffenen om hun bij voorkomende gelegenheden dienstbaar te doen stellen, wanneer ik ook vertrouw dezelve zich gereeder zullen laten vinden, daar ik nu geen vrijheid vind hun derzelver daggeld te doen verliezen waar voor zij geen de minste dedommagement genieten, waarom ik ook bij Uw Exc: mij verstoute van te verzoeken ditmaal de gemelde noncomparitie te excuseren.
Ik heb d’ Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc:DW Dienaar
C. Crucq
Den 30e Maart 1821


Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Ik heb d’ Eer hier bij aan Uw Exc: te doen toekomen, de Alphabetische Lijst van de bevoegden tot Kiezer dezer Gemeente terwijl het getal Stemgerechtigden 29 bedraagt.
Waarmede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.

Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
Den 3 April 1821

Idem

Ik heb d’ Eer UwExc: te berigten dat door mij heden de Publicatie is gedaan van de Ontvangen Kohieren der directe belastingen, over deze Gemeente, voor den dienst van dit loopend jaar, terwijl ik mij met verschuldigde Eerbied teekene
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 13 April 1821

Idem

Bij Uw Exc: Missive van den 11 dezer maand Reg:A 1 Afd:Lett.F ontvangen hebbende Een staat van Borderellen van liquidatie van de Franschen achterstand, nevens een Borderel ten behoeve het Gemeente bestuur van Arnemuiden no 13037 groot f. 22:60 heb ik beide geteekend en d’ Eer die aan uw Exc: te retourneren.
Wat nu de vraag aangaat, welke Uw Exc: mij doet waarom die pretensie niet indertijd onder den achterstand dezer Gemeente door mij is opgegeven, diend dat het geen pretensie is behoeve de gemeente, maar van mij, aangezien dezelve spruit van door mij gekogte haver voor de Paarden van de jagers, welke hier hebben gecantonneerd geweest, en dat nog?? mogt geautoriseerd zijn geworden door de commissaris van oorlog in der tijd te Vlissingen woonachtig.
Volgens zijn schriftelijke order en toezegging welke ik des gerequireerd nog zoude kunnen overleggen, en hoe dat die pretensie ten name van het Gemeente Bestuur komt, is mij onbekend, alleen moet ik veronderstellen dat de Heer Mr Moens die al de Pretensiën behoeve de Steden heeft opgemaakt, ook deze onder de naam van het bestuur heeft opgegevn.
Ik heb d’ Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 16 April 1821.

Aan de Heeren G.S. van Zeeland

De Stedelijke Rekening van 1820 op heden door den Raad en Gecommitteerden uit de Gemeente, voor zo ver die gecompareerd zijn opgenomen zijnde, heb ik d’ Eer die in triplo met de daar bij behoorende bescheiden ter finale Sluiting aan UwEdGrAchtb: te doen toekomen, en mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw EdGrAchtb:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 24e April 1821.

Aan de Centrale Directie
Van Walcheren

Na ingenomen te hebben de gedagten van de Leden van dit Bestuur nopens eene doelmatige wijze van te gemoedkoming aan hun welke jaarlijks in deze Gemeente vergund worden, om hunne Koebeesten op de Kleijwegen te beweijden dat men voor ’t vervolg wenscht te doen ophouden.
Zo heb ik nu d’ Eer in antwoord op UEdMissive van den 12 dezer maand deswegen te rescriberen
Dat het Bestuur is voorgekomen, om bij afschaffing van die vergunning aan de Lieden welke gewoon zijn om hun Koebeesten op de wegen in deze Gemeente te beweiden, te vergunnen om jaarlijks het gras genoemde wegen of wegelingen voor hun vee te doen of laten afmaijen, en zij jaarlijks daar voor mede een Permissie Billet bekwamen, ten einde niet ieder willekeurig dit doe, ’t welk men meend het minst schadelijk voor hun zijn zoude.
Ik heb d’ Eer met alle respect mij te noemen.
Uw DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 25 April 1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Door Uw Exc: bij deszelfs missive van den 25e dezer maand Reg: A afd nr 1130 nadere ophelderingen van mij begeerd wordende ten opzigte van het Borderel van liquidatie nevens Uw Exc: missive van den 15 dezer gevoegd, die ten mijnen name mogt gesteld zijn geweest, kan ik Uw Excellentie geen andere vermoedelijke reden daarvoor mede deelen dan deze:
Dat ik den Heer Mr Moens belast hebbende met de opmaking van de Pretensiën dezer stede ten laste het Fransche Gouvernement, ik ook de mijne, die ik als gewezen maire dezer stede heb opgegeven, en ten dien einde ook de missive van de Commissaris van Oorlog te Vlissingen, waar in eerst betaling voor de te leveren fourage aan de paarden van de hier gestationeerde geweest zijnde Jagers , voor de correspondentie ter hand gesteld was toegezegd, doch waar op geen voldoening had bekomen en dat aangezien Brieven ? aan mij als maire waren geaddresseerd gem: Heer Moens waarschijnlijk ook die Pretensie op naam van het Gem: bestuur heeft gesteld, hoe zeer ik deswegens voorschotten had gedaan, in de verwagting dat de toezegging van betaling zoude volgen, waarom ik met veele anderen ook ben teleurgesteld geworden.
Ik heb d’ Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
UwExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den 27 April 1821

Idem

Ik heb d’ Eer Uw Exc: te berigten dat de collecte alhier gedaan ingevolge Uw Exc: aanschrijving van den 24e April l.l. afd Reg A no 1146 de noodlijdende te Paramaribo, heeft opgebragt de som van f. 8:10 ct
Waar mede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 7 Meij 1821

Idem

Ik heb d’ Eer aan UwExc: hier bij te doen toekomen een Verbaal heden opgemaakt houdende het resultaat der Stemming van Kiezers voor dit District, en zulks in voldoening aan art.8 van het Reglement omtrent de zamenstelling van de Staten der Provincie Zeeland in dato 2e April 1817
Waarmede ik d’ Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 8 Meij 1821

Idem

Ik heb d’ Eer hierbij aan Uw Exc: te doen toekomen het Register J.J. bevattende de Verlofgangers van de Nationale Militie tot deze Gemeente behoorende, en die zich thans alhier bevinden.
Etc.
UwExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den 24 Meij 1821

Aan de Heer Officier bij de
Regtbank te Middelburg

Door L. van Eenennaam alhier woonachtig klagten gedaan zijnde, wegens beledigingen welke zijn zoon Casper van Eenennaam door zekere Maria Caljouw op den 6e dezer waren aangedaan, en vreezende voor verder gevolgen, zo heb ik daar van Verbaal opgemaakt, het wel ik gemeend heb aan UwEd:Gestrenge te moeten opzenden.
Waar mede ik d’ Eer heb mij met alle respect te noemen.
Uw Ed:Gestrenge DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 8 Junij 1821


Aan Heeren G.S. van Zeeland

Bij een Missive van de Centrale Directie van Walcheren van den 19 April l.l. onderrigt geworden zijnde, dat Z.Majesteit bij dispositie van den 21 febr l.l.no 86 heeft gedifficulteerd in het verzoek van Mr. I.C. de Bruin om Octroij tot heffing van een tol en strekkende Roedegelden tot het onderhouden van de weg van de Zaagmolens langs Arnemuiden naar deszelfs Kruidmolen den Gouden Draak en dat dus die weg als voor deze moet blijven onderhouden worden.
En dewijl inzonderheid de Bermweg door deze stede behoorde onderhouden te worden aangezien de pagter van de Keetdijk daar toe niet kan verpligt worden, dewijl dat in de Pagtconditien niet is bedongen, daar op de tijd van verpagting die weg als Postweg van ’s Lands wege werd onderhouden, en wij oordeelen dat voor dit jaar daar voor ongeveer f.50 zullen benodigd zijn
Zo verzoeken wij UEdGrAchtb: die som uit de onvoorziene uitgaven voor dit jaar gereserveerd te mogen gebruiken.
Waar mede wij d’Eer hebben ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw EdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden van Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Corn:Dan; Crucq
Den 12 Junij 1821

Aan de Heer Controleur der Directe belastingen te Middelburg

In antwoord op UEd Missive van de 15e dezer maand diend dat de Landlieden dezer Gemeente gewoonlijk de Producten van hun land, zo voor als na het jaar 1786 ter markte van het naburig Middelburg gevoerd en zulks nog tot heden doen
Bij absentie van de Burgemeester
De President der Raad
J. de Marée
Den 19 Junij 1821

Aan Heeren G.S. van Zeeland
Door de Commissie van Toezigt over de Keersluis in het Arnemuidsche kanaal ons zijnde te kennen gegeven dat tot in standhouding van de stads bijzondere werkzaamheden verEischt worden, waarvan dezelve de beraming bij ons heeft overgelegd, die circa f.1000 bedraagd, doch waartoe bij hun geen fondsen voorhanden waren , en mitsdien ons verzogt dat wij in overeenstemming van de andere belanghebbende in gemelde sluis, dit jaar een dubbeld contingent geliefden toe te dragen en ook de visschuiten hetzelfde mogten doen, omdat werk dat zo dringend en allernoodzakelijkst is te kunnen doen verrigten.
Overreed zo van het nuttige van de voorgestelde reparatiën, aan het Pakveste? En den Bodem aan het einde van het Stortebedde, als van het belang dat deze Gemeente bij het behoud van die sluis heeft, zo hebben wij aan de Commissie onze bereidwilligheid betuigd, mits UEdGrAchtb: goedkeuring daar op erlangende
Dien ten gevolr nemen wij de vrijheid daar de beraming van U thans zal zijn ingediend bij U te verzoeken om ons de nodige autorisatie te verleenen ten einde daar aan Eene som van f.100 te mogen verleenen uit de Post van onvoorziene uitgaven voor dit jaar gevallen te vinden.
Dat wij f.100 verzoeken komt daar van daan dat wij de visschuiten, welke gansch geen voorspoed genieten, van die dubbelde betalen, wenschen te bevrijden en wij mitsdien van gedagten zijn dat dewijl men jaarlijks continueel verpligt is om voor de hoogaartsen f.550 te contribueren, wij hun in dit extraordinair geval ook wel eens voor de eendere? visschers een gelijke som uit de Stedelijke kas kunnen betalen
Uw EdGrAchtb: gunstige dispositie hier op Eerbiedig verzoekende teeken wij met verschuldigde Eerbied.
UwEdGrAchtb: DW Dienaren
Burgemeester en Raden der
Stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Den 26 Junij 1821


Aan de Gouverneur van Zeeland

Daar mij Particuliere Affairens verpligten om in de volgende week voor de tijd van 14 dagen uiterlijk drie weken mij buiten dit koningrijk te begeven, zo geve ik Uwe Exc: daar van kennis en tevens dat de President Raad dhr J. de Marée gedurende mijne absentie mijn functie zal waarnemen en ik neem de vrijheid Uw Exc: te verzoeken van mij daar toe een Buitenlandsch Paspoort te verleenen.
Ik heb d’Eer mij met veschuldigde Eerbied te neoemn.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 30 Junij 1821

Idem

Het Kohier van de Patenten over dit jaar bij mij ontvangen zijnde, is het zelve den 30e der afgeloopen maand alhier gepubliceerd, en voorts aan den Heer Ontvanger ter Invordering ter hand gesteld; waarvan ik de Eer heb Uw Exc: berigt te doen, en mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 2e Julij 1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland

Uw Exc: missive van den 1e dezer maand bij mij ontvangen zijnde betrekkelijk eene te doenen onderzoek of de Heelmeesters Lahn, de Man en Gillissen te Middelburg, binnen deze Gemeente de inwendige praktijk uitoefenen, en aan de door hun inwendig behandeld wordende lijders geneesmiddelen afleveren.
Ik heb d’Eer Uw Exc: daar omtrent te berigten dat na het door mij gedane onderzoek, ik moet betuigen niet te kunnen gelooven van de gem: Heeren hoewel niet alle, evenwel een en ander van de uitoeffening der inwendige Praktijk binnen deze gemeente geheel zijn vrij te pleiten.
Hoewel ik de door UwExc: aangehaalde Wet en Besluit van den 12 Maart en13 Meij 1818 gaarne wensch te helpen handhaven. Zo moet ik doch Uw Exc: observeren dat ik vertrouwende de Wetgever in het daar stellen van de Wetten, het Oogmerk heeft om het algemeen welzijn bevordelijk te zijn, het echter zeer wel mogelijk is, dat een zodanige Wet niet ten nutte aan het heilsaam doel, van de wetgever kan voldoen en zodanig is het met de genoemde Wet ten opzichte van mijne gemeente gelegen, want indien de letter van de Wet hier in moeijlijk wordt gevolgd en gehandhaafd, dan moeten verder mijne Ingezetenen bij voorkomende ziekten aan hun noodlot worden overgelaten, en dat zal doch niet het doel van de wetgever niet overeenstemmen, en daar van zijn de reden deze De Heeren Med.Doct: van Middelburg de naaste van deze Gemeente om hun hulp in te roepen kunnen nog verkiezen niet zonder Rijtuig te komen,en dit en hunne meerder kostbare Visite is er oorzaak dat de meeste Ingezetene die doch inderdaad zeer armoedig zijn, na iemand omzien, die zich getroost om na herwaarts te voet te komen, en minder voor een visite declareerd, zo dat dezelve circa drie visites doet, tegen een door den Eerstgenoemd.
Den Raad dezer gemeente heeft reeds twee jaren agter den anderen nevens Cleverskerke op de Staat van Begroting, een Tractement voor een chirurgijn voorgedragen, dat ook door HEGrAchtB: is geaccordeerd geworden, ten gevolge waarvan men zo in de Staat- als Midd:Courant een en andermaal een uitnooding tot bekoming van een chirurgijn heeft gedaan dan dat tot heden vrugteloos is geweest, daar evenwel eene bekwaam Persoon, zo ik vertrouw in deze met de omliggende gemeenten een bestaan zoude vinden, en zo iemand had men hier wel zo nodigd, als een veearts die door de Zorg van de Prov: Comm: van Landbouw hier thans is gevestigd, mogt het mitsdien Uw Exc: behagen de Prov.Comm van Geneeskundig Onderzoek derzelver aandagt te doen vestigen, op de geneeskundige Verzorging en bediening der Armen ook in deze Gemeente waar toe dezelve conform
Art:28 van het Besluit van den 31 Meij 1810 Staatsblad no 25 bijzonder verpligt is te zorgen, opdat deze gemeente met den zelve naburen eene van een kundig Chirurgijn worde versien, wanneer ik mij overtuigd houde, dat men minder zwarigheid zoude hebben van overtreding der Wet te dien respecte bestaande zoals bevorens zulks trugt? Gekeerd, daar tijde men hier een Chirurgijn had, geene van een andere Plaats herwaarts kwamen, en zelfe zeer zelden een Med.Doctor dan in buitengewone gevallen.
Ik zal mitsdien trachten zo veel doenelijk aan Uw Exc: aanschrijven te beantwoorden en na mijn Gemeente in het gunstig aandenken van Uw Exc: ook ten genoemde opzichte eerbiedig te hebben aanbevolen, zo heb ok d’Eer mij met alle respect te noemen.
Uw Exc; DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 25 Julij 1821

Idem

De Loteling mijner Gemeente Leendert Wisse welke voor den geexecuteerde Anthonij Kanaar volgens de bestaande Wet op de Nat: Militie ingevolge Uw Exc: aanschrijven van den 16 Julij dezes jaars een anderen Plaatsvervanger moet aanbieden heeft mij berigt van zodanig Persoon thans voorzien te zijn.
Ik geef Uwe Exc: daar van kennis, ten einde Uw Exc: Plaats Dag en Uur gelieve te bepalen waae en wanneer den zelven ter goedkeuring kan worden aangeboden.
Etc
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 27 Julij 1821

Idem

Gisteren avond tusschen 10 en half Elf uuren ontstond alhier brand in het zogenaamd zaagselschuurtje van den Broodbakker P.I. Crucq, waarvan de aanleidende oorsaak niet bekend is; het stille weder en de ijvervolle toegebragte hulp van de inwoonders, die voor van het meerder gedeelte zich reeds ten rust hadden begeven, doch weldra op de been kwamen, en te hulp snelden, waren onder Goddelijken zegen de oorzake dat men den brand reeds voor Elf uuren meester was en kort daar na reeds uitgebluscht had, zodat niet dan het genoemde schuitje een prooij der vlam is geworden.
Ik heb gemeend Uw Exc: daar van kennis te moeten geven, en heb d’ Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
UwExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C.Crucq
Den 14 Aug: 1821


Idem

In voldoening aan Uw Exc: aanschrijving van den 4e dezer maand 1 afd:Rega? no 2272 heb ik d’ Eer hierbij aan Uw Exc: te doen toekomen een staat van de bevolking dezer Gemeente zoasl die was op den 31e Decb. 1820 waar op de verandering daar in plaats gegerepen zedert de laatste opgave wanneer die is opgemaakt geworden, is genoteerd.
Ook voege ik hier bij Een model van het Register der bevolking dezer gemeente waar in de nodige aantekeningen van tijd tot tijd geschieden.
Waarmede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 20 Aug: 1821

Aan de Heeren G.S. van Zeeland

De Gemeente Raad der Stede Arnemuiden heeft d’ Eer hierbij aan U Heeren G.S. van Zeeland te doen toekomen de staat van Begrooting in ontvang en uitgaaf dezer Stede voor den dienst van 1822 en observeren daarbij
Ten opzichte van denOntvangst
1. Dat de additioneele Cent op de grondlasten zijn gebragt, zoals die voor dit loopend jaar renderen.
2. De Collecte op de Dranken en Eetware, zoals die thans geheven worden, draagd men voor 1822 op den zelven voet voor, daar geene belastingen voor deze gemeente zijn uit te denken, welke zo algemeen zonder fraude of eenig onaangenaam ongenoegen en zo juist voldoende, in de voorziening der onmisbare behoeften, gedragen worden, als de thans bestaande, en moeten die ophouden, dan, wanneer de nieuwe gearresteerde belastingen voor het Rijk worden ingevoerd, dat ons bedunkens waarschijnlijk nog wel eenige tijd zal aanlopen, dan zullen wij de vrijheid gebruiken, ons schikkende naar den regel welke de groote naburige steden houden, de verEischte voordragt aan Uw Heeren G.S. inzenden.
N0 3 à 7
Dat deze Ontvangsten voor het volgende Jaar dezelfde blijven, als die voor het
Loopend jaar zijn vastgesteld, en waar van de benodigde Pagtcontracten
Copielijk bij UwEdGrAchtb: berusten
Ten opzichte van den Uitgaaf
No1 : Dat onder de Jaarwedden voor het Plaatselijk bestuur f.75 –is begrepen voor de leden van den Raad ingevolge Uw dispositie van den 21 Meij 1821.
No 2 & 3 : Deze Posten zijn op den gewone voet gebragt en berekend
No 4 : hier voor is een Tableau bij de Staat gevoegd.
No 5, 6 & 7: blijven dezelve als voor 1821
No 8 & 9: Daar voor gaat hier bij eene beraming van de te doene reparatiën, en daar onder is nu begrepen den onderhoud van de Berm aande Keetweg
No 10: is vervallen door den verkoope der Ponte
No 11 à 16 worden ten gelijke hoogte en op denzelven voet voorgedragen als die voor dit jaar zijn vastgesteld.
No17: Subsidie voor den Armen is mede dezelfde som, waar voor bijgevoegd is, copie Rekening van 1820 en begrooting voor 1821
No 18 à 21: deze posten gaan mede met geen verandering gepaard, en worden dus voorgedragen zo als die thans bestaan.
No 22 & 23: de schulden of agterstand der Stede betaald zijnde, vervallen deze Posten van zelve
No 24: gaarn voortgaande met het Planten van Boomen, in en in den Omtrek der Stede waarvan bij vervolg vrugten kan genoeten worden, heeft men weder een gelijke som als dit jaar voor 1822 voorgesteld.
No 25: komt niet te pas voor het volgende jaar en is dus vervallen.
Aldus deze Staat ter approbatie van UwEdGrAchtb: voordragende , heeft de Gemeente Raad d’ Eer haar met verschuldigden Eerbied te noemen.
UwEdGrAchtb: DW Dienaren
De Gemeente Raad der stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
Corn; Dan; Baars
Secretaris
Den 24e Aug: 1821.


Aan de Heer Gouverneur
Van Zeeland

Bij dispositie van HEdGrAchtb: Heeren G.S van Zeeland in dato 3 Aug JLno 14 eene som van f.50- op de onvoorziene uitgaven voor dit jaar te vinden, geaccordeerd zijnde, voor het onderhoud van de Berm of zogenaamde Keetweg dezer stede , mits als nog eene specifieke beraming daar van overleggende; zo heb ik d’ Eer hierbij zodanige beraming aan uw Exc; te doen toekomen, en mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq

Den 1 Sept. 1821

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland; en aan de Prov;Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt

Ik heb d’ Eer Uw Exc: kennis te geven dat den Persoon van Josephus Hendr: van Opdorp geboren te Antwerpen den 17 Meij 1820 door de Prov: Comm: van Geneeskundig Toevoorzigt in Noordbraband te ’s-Hertogenbosch residerende als Plattelands Heelmeester en den 9 Meij 1821 door dezelve Commissie als vroedmeester voor het Platteland geexamineerd & geadmitteerd en door de Prov: Commissie van Zeeland mede als zodanig geadmitteerd , aan den Raad dezer stede heeft verzogt de Inwoning en uitoeffening zijner kunst alhier toe te laten, onder vergunning van het daar voor uitgeloofde tractement, hetwelk door dezelve op vertoon van de hier voren aangehaalde Diploma’s aan genoemde I.H, van Opdorp is geaccordeerd geworden.
Waarmede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 3 Sept: 1821

Aan de HeerBurgemeester van Heijnen
Bij Oudenaarde in Oostvlaanderen

De Persoon van P.F. van de Putte verlofganger van N:M; behoorende tot deze Gemeente, welke zich naar UwE Gemeente begeven heeft, volgens mijne missive aan UwED; van den 25 Oct: 1820 als nu moetende opkomen om de Exercitiën bij te wonen, verzoek ik Uw Ed zeer vriendelijk te doen aanzeggen om herwaarts te komen en wel voor of uiterlijk op den 15 dezer maand zullende hij bij nalatigheid daar van de onaangename gevolgen aan zich zelve te wijten hebben.
Ik heb d’ Eer mij met alle hoogachting te noemen.
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 6 Sept: 1821

Aan de Heer Officier bij de
Rechtbank te Middelburg

Ik heb mij verpligt gevonden, van een ongelukkig voorval, dat in de vorige week op een visschuit van deze Stede varende in zee heeft plaatsgevonden, waarbij een Robbert Meerman door Eeuwoud ? Baak beide Vissers alhier woonachtig is gewond.
Proces verbaal op te maken, dat ik d’ Eer heb hier bij aan UwEdGestr te doen toekomen, en mij met alle respect te teekenen.
Uw EdGestr:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland.

Bij Uwe Exc: Missive van den 30e der vorige maand Reg: A 1e afd no 2609 twee adviesbrieven wegens gelikwideerde Schuldvorderingen van den franschen agterstand gevoegd zijnde als een ten name Rokè groot f. 16:26 en een ten name H. Martinies à fr 51, moet ik dezelve aan Uw Exc: retourneren, daar die Personen in deze Gemeente niet bekend noch aanwezig zijn; dan mogelijk wonen dezelve te Ameide, want ik al meermalen brieven bekomen heb, die aldaar en niet hier behoorden.
Ik heb d’ Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 8 sept: 1821

Idem

In voldoening aan Uw aanschrijving van 11 september l.l
Heb ik de eer als zetters voor te dragen
Janis de Marée, P. de Meulmeester, J. Kraamer, J. Baaijens en W. Midavaine de drie eerstgenoemde alhier en de twee laatste te Cleverskerke woonachtig.
Ik heb d’Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uw Exc; DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq

Den 15 sept 1821

Idem

Het is UwExc bekend dat thans in deze Gemeente een vrouw gevonden word, die kort na hare bevalling, het ongeluk is overkomen van hare verstandelijk vermogens te missen en wel zodanig dat zij al spoedig een verdubelden oppassing behoefde, en dat haar man en vier kinderen, hun in eene behoeftige staat bevindende, den onderstand van de diakonie dezer gemeente behoefde.
Een Commissie uit den Kerkenraad met het Bestuur deswegen geraadpleegd hebbende aangezien dezelve niet in de mogelijkheid was de buitengewone kosten goed te doen, welke ter voorziening in den oppas en verzorging van dat ongelukkig Voorwerp !! verEischt word, heb ik geen zwarigheid gemaakt, Uw Exc: mondelinge gunstige toezegging mij onlangs gedaan van dadelijk aan den Kerkenraad f.25- ten genoemde einde ter hand te stellen, dewijl men overEengekomen was, om door het aanwenden van eenige middelen te onderzoeken of het doenelijk was haar te herstellen; dan alzo die pogingen tot heden vrugteloos zijn geweest, de kosten te zwaar vallen, om op dien voet voort te gaan, zo heeft de Kerkenraad met overleg van de Commissie uit het bestuur geoordeeld het nuttigset voor haar en het voordeeligste voor de Diaconie te zijn, haar in het Huis den Simple(der Simpelen) te Middelburg te plaatsen, ten welk einde door den Kerkenraad de daar toe verEischt wordende middelen zullen worden in het werk gesteld.
Ik heb gemeend Uw Exc: daar van te moeten kennis geven, terwijl den Raad zich nader zal addresseren tot het bekomen van de benodigde autorisatie, om aan de Diaconie Extra subsidie te verleenen, zodra men de hoegrootheid der behoefte kent, waaromtrent zo ook ten aanzien van de bevordering van deze zaak ik de vrijheid gebruik Uw Exc: voorspraak en goedgunstige medewerking Eerbiedig in te roepen,mij intusschen met allen verschuldigde hoogachting noemende
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 22 Sept: 1821

Ga naar boven