Historische Vereniging Arnemuiden

Brievenboek 1824-1825
Zeeuws Archief Inventaris van de Archieven van de Gemeente Arnemuiden
Toegangsnummer:1200 Inventarisnummer 98
Brievenboek juli 1824- augustus 1825
Aan zijne Excellentie de Gouverneur van Zeeland
Ik heb d’ Eer hierbij aan Uwe Excellentie te doen toekomen de staat van de Broodzetting zooals die gedurende het tweede kwartaal dezes Jaars in den gemeente heeft plaats gehad.
Waarmede ik d’ Eer heb mij Eerbiedig te noemen
Uwe Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 2 Julij 1824
Idem
Daar in gedurende de nu afgeloopen maand mij geen verandering in het Personeel van het Bestuur, Secretaris of ontvanger dezer stede heeft plaats gehad, zo heb ik d’ Eer Uwe Excellentie daar van berigt te doen en mij met verschuldigde Eerbied te teekenen
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 2 Julij 1824
Idem
Ik heb d’Eer Uwe Excellentie te berigten dat ik geen kennis draag dat in de vorige drie maanden iemand in deze gemeente is gevaccineerd geworden of dat de kinderziekte alhier heeft geheerscht, terwijl ik met verschuldigde Eerbied mij teeken.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 2 Julij 1824
Idem 
Bij Uwe Excellentie Missve van den 30e de vorige maand 1 afd Reg A no 4615 een borderel van Likwidatie van den Franschen achterstand ten mame van H.W. Hogerheide groot f.56:06 wegens achterstallig tractement van de negen laatste maanden van 1810 als schoolonderwijzer bij mij ontvangen en aan den belanghebbende uitgereikt zijnde, heb ik d’Eer Uwe Excellentie daarvan kennis te geven en mij Eerbiedig te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Aan De Heeren G.S. van Zeeland,
In voldoening aan UEGA:dispositiën van den 21 e der vorige maand no 19 betrekkelijk de gesubsidieerd wordende Arm-administratien en de door dezelve verleend wordende onderhoud van wezen, heb ik d’ Eer UEGA te berigten
Dat alhier geen ander Armadministratie welke subsidie uit de stedelijke kas geniet bestaat dan het Diaconie Armbestuur van de hervormde gemeente, en dat op ingewonnen informatiën hetzelve thans met geen wezen belast is.
Waarmede ik d’ Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
UEGADW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 12 Julij 1924
Aan den Heer Gouverneur van Zeeland
Ik heb d’ Eer hierbij aan Uw Exc: te doen toekomen een borderel van de gedane betaling ten Kantore van den Agent te Middelburg voor tractement van de veldwagter over het 3e kwartaal van dit jaar.
Waar mede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
UwExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 19e Julij 1824
Aan de ouderlingen en diakenen van de hervormde Kerk
Van Arnemuiden
De voorstellen door een Commissie uit UEd mij Zondag nademiddag gedaan ten opzichte van onzen leeraar heb ik heden avond ter kennis gebragt van de Regering en Kerkmeesteren dezer stede.
Ten opzichte van het eerste voorstel betrekkelijk deze Rekening van de toelage van het Tractement is men genegen om gedurende het verblijf van dezen Predikant  hunne inteekening voor zover zij die gedaan heeft jaarlijks te blijven voldoen en de nalatige of onwillige zo dringend mogelijk daar toe op te wekken en aan te sporen terwijl men op het door UwE gepresenteerd Rekest aan Zijn Majesteit waar op van deze zijde over eenige tijd een gunstig en verzoekend berigt is opgezonden  met vertrouwen eene gewenschte uitslag verwagt waar door deze zoodanigheid mag worden uit den weg geruimt.
En ten opzichte van vrijdom van accijnsen  met de Rekening verklaren dat deze vrijstelling niet in haar magt is van te verleenen terwijl Kerkmeesters hebben verklaard dat zij door den last voor twee jaren en die van het vorige jaar op haar gelegd hen buiten de mogelijkheid stelde enige meerder lasten voor hare Rekening te nemen daar zij door het vorengemelde als reeds in de onmogelijkheid is gebragt het kerkgebouw in eene behoorlijke staat te onderhouden en in derzelver behoeften te voorzien.
Vertrouwende hiermede aan UwEd: verzoek voldaan te hebben heb ik d’ Eer met betuiging van alle achting mij te teekenen
Arnemuiden den 27 Julij 1824.
Aan Zijne Excellentie de Heer
Gouverneur van Zeeland.
Uwe Excellentie missive van den 19 der vorige maand A1 afd. no 5096 met een afschrift der verordeningen welke men verlangd ter ondersteuning en aanmoediging van de kust of Hoekwants visscherij door zijne Majesteit worden vastgesteld bij ons den 26e Julij is ontvangen zijnde, hebben wij op dat stuk de nodige Informatiën bij de visschers dezer gemeente ingevolge Uwe Excellentie ’s verlangen ingewonnen en hebben bij deze d’Eer de bedenkingen daar opgemaakt Uwe Excellentie mede te deelen hierbij bestaande:
Op art.2: dat men alhier geen schrobnetten kent noch gebruikt, maar wel onderscheidene kordnetten als
Rogkorden, waarvan de mazen zijn gebreid op een spaan van 1 palm 9 duim in de kuil en de wijdte der kuilen 4 ellen en ruim 2 palmen wijd zijn en de lengte meer dan 19 Ellen.
Scholkorden 7 ned: duimen in de kuilen van 70 Mazen in de rondte en lengte en voorst als den eerst genoemden.
Zodat de netten  in dat en in art 8 genoemd minder worden bepaald  dan die door onze visser worden gebezigd.
En op art:8 dat de zo genaamde panharing de eenige die hier gevangen word gedurende het wintersaisoen met anker en Raamkuilen word gevischt en indien dit het vistuig is welke  in dit articul verboden word te gebruiken dat als dan die visschers welke in den winter daar in hun bestaan vinden moeten stil leggen, vermits schakelnetten zowel als schrobnetten alhier niet bekend zijn, waarom men verlangd dat in dat articul eenige verandering mogt worden gemaakt.
Zijnde op de andere of verdere bepalingen geen bedenkingen voorgekomen daar de netten welke alhier gebruikt worden ver de gemaakte bepalingen overtreffen en ook deze schuiten meest in volle zee hun beroep uitoeffenen.
Waar mede wij d’ Eer hebben ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Gemeente Raad van Arnemuiden
Ter ordonnantie van deze 
C.D. Baars
Arnemuiden den 4 Augustus 1824.
Arnemuiden den 16 Augustus 1824
Idem
Het Register JJ van de verlofganger der Nationale Militie behoorende tot deze gemeente en omtrent dewelke ik niets heb aan te merken heb ik d’ Eer hier bij aan Uwe Exc: te doen toekomen en mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Idem
Ter beantwoording van Uwe Excellentie ’s Missive van den 15 dezer maand A 1e afd. nr 5569  betrekkelijk de alhier bestaande middelen van vervoer zo van Personen als van goederen  zo heb ik d’ Eer Uwe Excellentie te berigten dat alhier op publiek gezag niet anders bestaat dan een overzetveer met een boot aan het hoofd dezer stede op het Nieuwland welke veer aan de gemeente is behoorende en door het bestuur om de 7 jaren word verpagt en dat het weinig meer dienstbaar is  dan tot het overzetten van personen, aangezien dat zedert het verleggen van de postweg, het alhier bestaan hebbende Pontveer is te niet gegaan en daar door ook de vervoer van goederen heeft opgehouden, ten aanzien van het laastgenoemde worden wel is waar hier twee vragtwagens gevonden welke strekken tot vervoer van goederen van deze plaats naar Middelburg en van daar herwaarts dan dit geschied of heeft plaats op eigen gezag en patent, en welke vrachtwagens behalve des donderdags ook dan rijden wanneer er maar eenig transport van goederen voorhanden is, zo dat ik ten opzichte van de verdere punten van uwe Excellentie genoemde missive moet te kennen geven, dat ik geen middelen kan voordragen zo ten reguarde van den binnenlandsche brievenmail de verhindering van den verboden vervoer van brieven als ten opzichte van het bestaande veer in overeenstemming met het belang des Rijks; daar betrekkelijk de brieven die van wege het gouvernement komen of derwaarts behooren en ook die met de post worden ontvangen en verzonden dat weinig beduid, daar de veldwagter word waargenomen de vervoer van personen weinig plaats vind en dat van goederen daar die alleen betrekking hebben tot deze gemeente en niet verders door de gemelde vragtwagens plaatsvind, om daaromtrent geen verbeterde veranderingen meer te kunnen voorstellen.
De beide staten door uwe Excellentie bij die missive gevoegd heb ik conform deze inlichting ingevuld, in vertrouwen dat zulks aan uwe Intentie mag voldoen, terwijl ik d’ Eer heb met verschuldigden Eerbied mij te noemen
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester voornoemd
C. Crucq.
Arnemuiden den 21 Augustus 1824  
Aan de Heeren G.S. van Zeeland
De Staat van Begrooting in ontvang en uitgaaf dezer stede voor den dienst van 1825 door ons opgemaakt zijnde hebben wij d’ Eer dezelve me de nodige bewijzen hier bij aan UEAGA te doen toekomen en merken daar bij aan;
Ten opzichte van de Buitengewone ontvangsten, dat die na de begrooting  van dit jaar en de gearresteerde Rekening van 1823 zijn gebragt, en met betrekking tot de gewone Inkomsten, dat daar is geen verandering word voorgesteld alleen is no 8  met f.20 vermeerderd wegens pagt van den berg dat in de vorige begrooting was geomitteerd  doch echter in de rekening van 1823 verantwoord en in de geleidende missive is geobserveerd geworden.
En ten reguarde van de gewonen uitgaven hebben wij no 13 voor het tractement van den secretaris f.25 meerder voorgesteld , dat reeds in een vroeger jaar zoude geschied zijn, doch van hem niet is begeerd geworden, dewijl wij overtuigd zijn dat de vermeerderde werkzaamheden ook door de toegenome bevolking dezer Gemeente ’t welk zedert zijn komst alhier tot heden , een verschil van 300 zielen opleverd  en de Secretaris geen andere verdiensten opleverd dan den stedelijken ontvangst, waar voor de belooning mede wel verdiend word en mitsdien eenige verhooging van het Eerstgenoemde Tractement vereischt.
Dat wij no 15 hebbe moeten vermeerderen ten opzichte van de Registers van den Burgelijken Stand zo door de begrooting derzelve, als door het verzwaarde zegelregt.
Dat voor no 19 & no 20 wegens te doene reparatiën  aan de Gebouwen , straten en wegens de beramingen hier bijgaan, welke door den Architekt zijn geteekend, die  voormaals het beroep van timmerman   is uitoeffende en en dus daar mede het best bekend is.
Dat voor no 21  voor de klok bestaat als voor den kloksteller f.60 den adsistent f.18 en voor verbetering en onderhoud van het uurwerk ook nog dit jaar zoals in het loopend jaar f.60 dat wel  vereischt word om het zelve in een goeden staat te brengen.
Dat no 28 voor subsidie aan den armen voor dit jaar f.100 word voorgesteld , vermits den predikant dezer gemeente van hier vertrekt waar door gedurende de vacature minder Godsdienst oefening zijn zal, en dus ook de Collecten bij dezelve minder zullen wezen, waarom wij wenschten hier in eenigermate tegemoet te komen en eindelijk dat alle de andere uitgaven zijn voorgesteld zo als die voor dit loopend jaar zijn geaccordeerd geworden en op doe begrooting voorkomen.
Uw Edele Groot Achtbare approbatie op deze begrooting verzoekende , hebben wij d’ Eer ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw Ed Groot Achtbare DW Dienaaren
De Gemeente Raad der Stede Arnemuiden
Ter ordonnantie van dezelve 
Corn: Dan: Baars.
Arnemuiden den 20 Augustus 1824.
Uw EdGADW Dienaar
C.Crucq.
Den 4 September 1824
Aan Zijne Exc: de heer Gouverneur van Zeeland
In voldoening aan UwExcie aanschrijven van den 31 Augustus dezes jaars 2e afd Reg: A no 6444 heb ik d’ Eer aan uwe Excie tot Zetters dezer gemeente voor de werkzaamheden van 1825 voor te dragen de Personen van
J. de Marée P. de Meulmeester, en Jan Kraamer alle te Arnemuiden woonachtig
I. Baaijens en W. Midavaine wonende te Cleverskerke waar mede ikd’ Eer heb mij te noemen.
UwExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Aan HEGA de Heeren G.s van Zeeland
Wij hebben d’ Eer hier bij aan UEGA te doen toekomen het relaas van onze deliberatiën van heden houdende voordragt van een dubbeltal Personen voor drie leden van den Raad, welke ingevolge art. 3 van het Reglement van Bestuur voor deze stede van den 21 Julij 1816 no 4 met november aanstaande zoude moeten aftreden
Waarmede wij d’ Eer hebben ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw EdGADW Dienaar
De Gemeente Raad van Arnemuiden.
Ter Ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Secretaris
Aan HEGA de Heeren GS van Zeeland
Het Rekwest van G.Meerman gewezen veerman van het overzet veer dezer stede op het Nieuwland aan uwe Excellentie gepresenteerd verzoekende onder overlegging van een Pagt Contract restitutie van de helft der waarde van de schuit welke hij volgens art 5 van dat Contract heeft uitgekeerd, bij uwe Excellentie missive van den 27 Augustus j.l. Reg A 2e afdeeling no 6307 in onze handen gesteld om daar op te dienen van berigt en advies.
Zo hebben wij d’ Eer in voldoening daaraan Uwe Exc: te informeren dat den Rekwestrant de waarheid in dat verzoekschrift spaart wanneer hij zegd, dat hij in den jare 1817 bij volgende verhuring dat veer niet heeft ingehuurd, alzo hij bij Pagtcontract van den 30 December 1817 hetzelve opnieuw voor zeven jaren voor geen groote som heeft ingehuurd hoewel bij HEGA de heeren GS dezer Provincie bij dispositie van den 6e maart 1818 no 6 slechts voor den tijd van drie jaren geapprobeerd om redenen dat aan de eene zijnde de bedonge Pagtsom bij HEGA zeer laag is voorgekomen en aan den anderen kant de onzekerheid in hoe verre dit jaar  veer naar de vereeniging van Walcheren met Nieuw & St Joosland zoude kunnen blijven bestaan, terwijl den Rekwestrant nog bij dispositie van Heeren G.S. van den 26. Februarij 1818 no 16 op voordragt van het bestuur van zijn pagt over de maand December 1816 f.12 afslag heeft bekomen.
Wat nu betreft het 5e art van het Pagtcontract van 1816 dat in art 6 van dat van 30 December 1817 is herhaald, waar in bepaald wordt dat ingeval dat veer met de ponte bij het einde van die pagt opnieu verpagt word den nieuwen pagter bij taxatie den aftredenden pagter omtrent de Ponet   zal moeten te gemoet komen.
Dan genoemde veer op den 16 December 1820 door Heeren GS den 28 daaraan geapprobeerd voor zeven jaren wederom verpagt zijnde is met overleg en overEenstemming van en met den rekwestrant, aangezien de gelegden en als toen gebruikt wordende Dam aan het Nieuwland bij art.2 aan den nieuwen pagter  de vrijheid gelaten om Ponte over te nemen voor een daar bij bepaalde som in art. 9 gezegd , dat wanneer hij zulks niet mogt verkiezen hij alsdan een Roeiboot mogt aanschaffen en voor zijn rekening onderhouden.
En daar den nieuwen Pagter volgens het slot van het laatsgenoemde Pagt Contract de ponte etc verklaard heeft niet over te nemen, sprak het van zelve dat art.2 verviel en het nu aan ons met den Rekwestrant, dit een en ander verbleef, om daarmede te handelen, zo als men ten meesten voordeele van beide belanghebbede mogten oordeelen.
Dien ten gevolge heeft men bij missive van den 16 December 1820 de approbatie van laatstgemelde verpagting aan Heeren gedeputeerde Staten voordragende daar bij tevens verzogt de Ponte publiek of uit de hand ten meesten voordeele te mogen verkoopen, waarop door HEGA bij dispositie van den 22 december 1820 no 11 art 3 dat verzoek is geaccordeerd geworden, waarna die ponte Reep en toebehoorde publiek is verkogt en de helft vanhet provenue aan den Rekwestrant is betaald zoals uit het verbaal en kwitantie bij de Rekening van 1821 den 24 Meij 1822 door Heeren G.S. gearesteerd . overgelegd kan blijken.
Aangaande de Dammen die voor de ponte dienstbaar waren geweest, kon men niet verkoopen, en ook den nieuwen Pagter tot de betaling niet verpligten, dewijl hij die niet behoefde te gebruiken, dat ook in het laatstgenoemde Contract met overleg van den Rekwestrant opgesteld niets was bepaald, maar zo als gemeld is vrijgelaten; en het nadeel dat hij daar aan lijd, heeft hij gemeen met de stede zo wel als dat van de geringe prijs der verkogte ponte. Want bij den aanleg van deze ?? in 1798  heeft men toen en vervolgens telkens bij de verpagting bepaald dat den pagter den helft in de ponte, dammen en ook in den onderhoud daar van zoude dragen, met bedoeling dat de pagter , dat het eene en ander beter en voordeeliger in acht zoude nemen en tevens daarbij bepaald, dat indien dat veer met de ponte op nieuw zoude worden verpagt, den nieuwen pagter den afgaande daar in zoude tegemoet moeten komen, zonder te zeggen dat ingeval dat veer, met een overzet ponte mogt ophouden te bestaan, hij dan van stadswege  over die dammen betaling zoude genieten, daar hij gebruik van had gehad gedurende de Pagttijd, en ook niet konde  voorzien worden dat in 1820 Walcheren met Nieuwland zoude vereenigd worden, dat zeer ten nadeele van de financiën dezer stede heeft verstrekt om welke redenen dan ook de Burgemeester zo wij meenen op goede gronden de betaling van die dammen ( want het andere heeft hij volgens bewijs bij H EGA berustende genoten) geweigerd dewijl dan de stede behalve hij eene dubbelde schade zoude lijden.
Voorzigtigheids halve zwijgt den Rekwestrant in zijn addres dat hij in1812 wanneer het Fransche bestuur dat veer zonder schadeloosstelling willekeurig heeft genaderd, hij het toen daar van met een verhoogd veergeld voor 850 franken heeft gepagt, dat hij te voren met minder veergeld voor zoveel guldens van de stede pagte, die daar van tot in 1814 niets heeft genoten, en door hem op geenerleij wijze  is te gemoet gekomen, zoals nog bij zijn laatste pagt voor drie jaren van de 30 December 1817 is gebleken, wanneer men geen raad wist, hem dat veer voor de door hem aangeboden som maar mogt verwagten aangezien er wel pagters waren, doch die niet in staat zich bevonden om Ponte voor den helft over te nemen.
Wij zijn dus onder? Verbetering van oordeel daar de Copiën der Pagt Contracten verbaal van verkoop en kwitantie hier voren gemeld bij Heeren G.S. berusten dat den Rekwestrant geen pretensie ten laste der stede zo min als ten laste van de nieuwen pagter heeft, en dat mitsdien zijn verzoek behoord te worden gewezen van de hand.
Met terugzending van dat Rekwest en bijlage hebben wij in vertrouwen aan Uwe Excellentie intentie voldaan te hebben d’ Eer met verschuldigden Eerbied te noemen
Uw Exc: DW Dienaar
De gemeente Raad der stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Den 10e September 1824
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland
In voldoening aan uwe Excie: verlangen bij deszelfs missive van den 13e dezer maand A2 afd no 6817 mij te kennen gegeven, betreffende de voordragt aan uwe Excellentie  van een ander persoon tot Zetter dezer gemeente in plaats van den schout Ingel Baaijens, zo heb ik d’Eer uwe Excellentie voor genoemden voor te dragen den persoon van P.Bogert wonende onder de gemeente van Cleverskerke.
Met verschuldigden Eerbied heb ik d’ Eer mij te noemen.
Uwe Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C. Crucq.
Den 15 September 1824
Aan den WelEdelen Gestrenge Heer Vis
President van den Algemeenen Armen te Middelburg.
Het Armbestuur dezer Gemeente heeft aan mij bij missive van den 15e dezer te kennen gegeven dat zij zich in het voorjaar van dit jaar in de verpligting heeft bevonden om aan zekere Johannis Hermanis Sijbrants welke als schoenmakersknegt alhier woonde in zijne zekerlijken(ziekelijken?) toestand onderstand te verleenen en geneesmiddelen  te laten toedienen en na bekome Informatiën den zelven tot de gemeente van Middelburg was behoorende hun aan UwEdGestrenge als President van den Algemeenen Armen hadden geaddresseerd, ten einde conform de wet van den 25e November 1818 restitutie te erlangen van de verleende hulp, waarvan zij, op UwEdGestrenge verzoek specifique opgaaf hebben gedaan, bedragende f.20:05 doch dat zij tot heden geene belivening? Daarvan hadden bekomen, maar hare finantiele staat niet zeer gunstig was, en die restitutie hoogst benodigd had, heeft zij verzocht dat ik ten haren behoeve daaromtrent werkzaam zoude zijn
Ik neem mitsdien de vrijheid UwEdGestrenge vriendelijk te inviteren om de nodige orders wel te willen verleenen dat aan het Armbestuur dezer gemeente de restitutie van het gedane voorschot plaats vind, terwijl ik d’ Eer heb met alle hoogachting te zijn.
Uw Ed gestrenge DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden 
C.Crucq
Den 17 September 1824
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland
Wij hebben d’ Eer in voldoening aan uwe Excellentie ’s verzoek, vervat in deszelfs missive van den 21 dezer maand A2 afd no 6928 hier bij aan Uwe Excellentie te doen toekomen een afschrift van de conditiën der op de 16 December 1820 gedane verpachting van het veer dezer stede, en daar bij tevens op de aan ons in genoemde missive gevoegde inlichting Uwe Excellentie te informeren.
Dat de bedoeling der woorden van een somme van pond 24:6:8 vls welke in het slot van art: 6 der conditiën van de verpagting op den 30 December 1817 zijn opgenomen geweest is dat ingeval eene nieuwe pagter voor het ponte veer zich mogt opdoen , denzelven den aftredende pagter zowel daar in mogt tegemoet komen als in de taxatie  van de overzet Ponte  Reep en toebehooren, die als dan door twee neutrale deskundige lieden mogt plaats hebben te benoemen door den aftredende en aankomende Pagter dan waaromtrent wij uwe Excie nog van vroeger tijden meenen te moeten inlichten; Dat ten jare 1798 bij den aanleg van dat Veere de Ponte, Reep en de dammen voor de Rijtuigen gemeenschappelijk door de stede en den toenmalige Pagter Jacob Schroevers zijn bekostigd, en daar na bepaald, dat bij opvolgende verpagtingen daarvan taxatie zoude plaats hebben, en voor de dammen de genoemde som is bepaald,omdat voor geen taxatie vatbaar waren, waarin dan den nieuwen Pagter mogt deelen, om den afgaande eenigsints voor zijn gedane betaling aan zijn voorganger gedaan te gemoed te komen, en dat mitsdien niet zo zeer die som, voor de helft of de geheele waarde is gerekend van de dammen te zijn als wel om dat den Eersten pagter in den aanleg die niet gering is geweest voor den helft daar in gedragen hebbende, eenige schadeloosstelling zoude bekomen, en volgende pagters daar in ook iets zouden dragen wat nu G. Meerman, aan zijn voorganger Janis Smout in 1807 behalven zijn aandeel in de dammen , voor de Ponte, reep & toebehooren heeft betaald, is ons onbekend, daar den afgaande met den aankomende Pagter met door hun te benoemen taxateur of bij onderlinge overeenkomst mogten vinden, en wij daar over nimmer gemoeid zijn; daar zover ons bekend is dit altijd zonder verschil heeft plaats gevonden.
En eindelijk dat de dammen van waarde meerder waren, wanneer dat veer met geen overzet Ponte werd bediend daar dezelve strekten om wagens, Rijtuigen, bestiaal etc  eene behoorlijke in-en uitgang te doen hebben, dat met een Roeiboot die alleen voor het overzetten van Personen konde dienstbaar zijn niet behoefde, waarom ook altijd in de pagt  conditiën is bepaald geworden, dat indien dat veer met een overzet Ponte werd verpagt den aftredende pagter die te gemoedkoming zoude erlangen.
En daar nu volgens bijgaande Pagtconditiën met overleg van G. Meerman opgemaakt het aan den nieuwen pagter vrij stond, om dat veer met de Pont of een Roeiboot te bedienen, wanneer hij in het eerste geval een zekere som mogt voldoen, waar van hij in het laatste vrij was, en dat door den aankomende is verkozen zo bleef er niet anders over zo voor den aftredende pagter als voor ons, om te verkoopen dat verkoopbaar was en het provenue daar van gelijkelijk te verdeelen, zoals ook heeft plaatsgevonden daar hij, nog  wij, oorzaak waren van den gelegde dam aan het Middelburgsche hoofd die de overzet Ponte nutteloos maakte waarmede wij  d’ Eer hebben ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaaren
De Gemeente Raad van Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
C.D. Baars.
Den 25 September 1824
Aan de Heeren G.S. van Zeeland.
Bij het opmaken van de Begrooting dezer gemeente voor den dienst van 1826 aan ons berigt gedaan zijnde dat het Molendijkje aan deze stede, ter voorkoming van overstrooming bij Extra vloeden nog voor het winter saisoen eenigsints behoorde verhoogd te worden, zo hebben wij de noodige orders gegeven, om van de daar toe vereischte kosten een beraming op te maken, waaraan voldaan zijnde, hebben wij als nu d’ Eer die hier bij aan UEGA te doen toekomen, en neme tevens de vrijheid UEGA te verzoeken om aan ons de nodige autorisatie te verleenen van eene som van f.54,70 zo daar toe benoodigd uit de gealloueerde onvoorziene uitgaven van dit jaar te mogen voldoen daar in 1824 die te doene reparatiën niet waren te voorzien aangezien dezelve zo door de veel gevallene regens in den winter als wel in dit voorjaar zijn veroorzaakt geworden.
Waarmede wij d’ Eer hebben ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw Ed:GADW Dienaren
De Gemeente Raad der stede 
Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Corn:Dan; Baars
Secretaris
Den 30 October 1824
Aan Zijne Excie de Heer Gouverneur van Zeeland
Van tijd tot tijd het noodig toevoorzigt doende houden. Op het uitsluitend gebruik van de nieuwe Nederlandsche maten en gewigten, zo heb ik het genoegen uwe Excellentie te berigten, dat in deze gemeente deswegens tot heden geen overtredingen hebben plaats gevonden, terwijl ik d’ Eer heb mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C.Crucq
Den 4 October 1824
Den 3 Juni 1825
Idem
In voldoening aan Uwe Excellentie’s missive van den 28 der vorige Maand 2e afdeeling A no 7315 betrekkelijk de benoeming van twee leden voor de Commissie voor de personele belasting, volgens Art:58 der wet voor den dienst van 1825 hebben wij daar toe uit ons midden benoemd de Leden
L.Wisse en A. van Eenennaam
Waarvan wij d’ Eer hebben Uwe Excellentie berigt te doen en ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Exc: DWDienaren
De Gemeenteraad van Arnemuiden.
C.Crucq
Aan Zijne Excellentie de Heer Staats Raad Administrateur
Van de Registratie en Loterijen in het
Koningrijk der Nederlanden.
Geeft met verschuldigden Eerbied te kennen C.Crucq, Burgemeester beambte van den Burgelijken Stand der stede Arnemuiden in Zeeland.
Dat bij eene dispositie van Zijne Exc: den Heer Gouverneur dezer Provincie in dato 30 September dezes Jaars no 6833 R hem is ter kennis gebragt dat zijne Excellentie onder meerder ook een Proces verbaal tegen hem als ambtenaar van den Burgelijken Stand dezer gemeente was opgemaakt, wegens overtreding der wetten van den 22 frimaire en 13 Brumaire 7 jaar opde Registratie en Zegel had goedgekeurd, met aanschrijving om tot het bekomen van vrijstelling der Boete aan uwe Excellentie te addresseren terwijl bij eene missive van den Heer Ontvanger der Registratie te Middelburg in dato 4 dezer maand hem ondergetekende is te kennen gegeven, dat het bedrag der boete, Regten en  opcenten bedraagde f.96,92 ½  volgens copie Missive hier bijgevoegd; terwijl na ingewonnen Informatiën, hij supponant is kennelijk geworden dat die overtreding bestond in het afgeven van certificaten van overlijden door vier getuigen voor hem verleden, wanneer geene aanteekening daar van in de Registers werd gevonden, zoals voor 1811 veelal plaats heeft gevonden.
Dat tot in het voorgaande jaar den ondergeteekende onkundig is geweest van het bestaan der genoemde wetten, wanneer hij deswegen mede door den Ontvanger der Registratie te Goes een boete is opgelegd en waar over hij zich bij missive van den 6 mei 1823 aan Zijne Excellentie den Minister van Staat belast met Generale directie der ontvangsten heeft geaddresseerd welke het behaagd heeft hem van de voldoening der boete te verschoonen.
En daar door den suppliant zedert dien tijd geen zodanige Certficaten ongeregistreerd zijn afgegeven geworden maar deze overtreding voor dien tijd heeft plaatsgevonden; zo neem den ondergeteekende de vrijheid zich aan uwe Excellentie te addresseren Eerbiedig verzoekende dat het uwe Excellentie mogte behagen, in aanmerking te nemen dat deze overtreding anterieur is aan de zo even genoemde; en dat zoals hij bij genoemd addres van den 6 Meij 1823 heeft te kennen gegeven dat hij meende dat alleen die acten van bekendheid welke volgens art 70 van het Burgerlijk Wet Boek voor den vrederegter worden verleden alleen aan de Registratie regten waren onderworpen, en geensints zodanige Certificaten welk ter gemoetkoming van behoeftigen werden verleend dewijl alle Extracten uit de Register van den Burgelijken Stand, zo uit die voor 1811 als uit die na dat tijdperk afgegeven wordende van die regten vrij zijn, en dat mitsdien Uwe Excellentie hem suppliant van die opgelegde betaling gunstig mogt verschoonn.
Met allen verschuldigden Eerbied teeken zich den ondergeteekende
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester beambte van den Burgelijken Stand
Te Arnemuiden
C.Crucq
Arnemuiden 
Den 12 October 1824
Aan den Heer Ontvanger van de Registratie
Te Middelburg
Tengevolge van de Resolutie van zijne Excellentie den Heer Gouverneur dezer Provincie in dato 28 der vorige maand no 6833 R Een UwEd:Gestrenge missive van den 4 dezer maand betrekkelijk door mij geïnsureerde boet wegens overtreding van wetten van 22 frimaire 7 13 Brumaire 7e jaar, heb ik mij tot bekome vrijstelling daarvan geaddresseerd aan den Heer Staatsraad Administrateur van de Registratie & Loterijen, waarvan ik d’ Eer heb UwEdGestrenge kennis te geven.
De Burgemeester
Beambte van den Burgelijken Stand.
C.Crucq.
Den 18 October 1824
Aan den Kerkenraad van Arnemuiden
Ten einde aan het verlangen van Z.Exc: de Heer Gouverneur dezer Provincie te kunnen voldoen, verzoek ik UwEerw: bijgaande staat behoorlijk in te vullen, en de nodige inlichting op de vragen aan de ommezijde van den staat gemeld mede te deelen al het welk ik Uw Eerw: moet verzoeken voor het einde van deze maand mij te doen toekomen.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 15 October 1824
Aan den Eerwaarde Heer Wanrooi
Hoe zeer volgens de thans bestaande verordeningen geen Coll: Qualificatums in de steden geen Ambachtsheerlijkheden zijnde, worden gehouden, en er geen bepalingen bestaan die aan Kerkenraden voorschrijft om in het beroepen van Leeraren de Regering te kennen, verstrekt het ons tot een bijzonder genoegen Uw Eerwaarde te kunnen zeggen dat in deze gemeente tusschen den kerkenraad en ons, tot heden de beste verstandhouding en overeenstemming plaats heeft bijzonder in het voor dezelve zo gewigtig beroepingswerk; en wij mogen dus met waarheid UweEerw: melden dat het beroep door den kerkenraad dezer gemeente op Uw Eerw heden uitgebragt, met ons overleg en agreatie  is geschied, en kunnen mitsdien onder kennisgeving daar van aan Uw Eerw met genoegen noodigen om deze roepstem volvaardig in ’s Heeren vreeze op te volgen.
Het zal ons bijzonder aangenaam zijn wanneer deze vereende poging met een gewenscht gevolg mag bekroond worden, en met bede dat Sions koning het hart van Uw Eerw: mag neigen om aan het verlangen van deze gemeente te voldoen hebben wij d’ Eer ons met alle hoogachting te noemen.
Uw Eerw:DWDienaaren
De Gemeente Raad der Stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Den 15e October 1824
Aan Heeren G.S. van Zeeland
De Staat van Begrooting in ontvang en uitgaaf dezer stede voor den dienst van 1825 door UwEdele GA den 15 dezer maand gearresteerd bij ons heden ingekomen zijnde, hebben wij bij het inzien van dezelve ontdekt dat in de 3 afdeeling van den uitgaaf 3 Hoofdstuk no 36 voor reparatiën aan de sluisdeuren f.135 staat ingetrokken volgens UEGA Resolutie van den 23 Julij 1824 no 27 terwijl onze Secretaris als lid van de Commissie  van Toezicht over de keersluis ons heeft te kennen gegeven dat door de Commissie bij missive van den 13 Julij dezes jaars is verzogt om die som van f.135 in hunne begrooting voor 1825 te mogen regulariseren, en dat zulks bij UEGA hier bovengemeld dispositie aan hun is geaccordeerd geworden. En daar mitsdien die som geen schuld is welke de stede moet kwijten, verzoeken wij UEd GrootAchtb; dat  dezelve op onze Begrooting mag worden geroijeerd ,ons het waarschijnelijk Batelijk  Saldo van dat jaar daar mede mag worden vermeerderd.
Wij hebben d’ Eer ons met verschuldigde Eerbied te noemen.
UEGADWDienaar
De Gemeente Raad van Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
C.D. Baars.
Den 29 October 1824
Aan Zijne Excellentie
De Heer Gouverneur van Zeeland
De bij Uwe Excellentie missive van den 26 dezer maand 2 afd no 7843 A gevoegde ordonnantiën behoeve C. Kraamer van f 0,15, f.1,10 en f1,40 bij mij ontvangen zijnde heb ik dezelve aan den belanghebbende ter hand gesteld waar van ik d’ Eer heb uwe Excellentie berigt te doen en mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 29 October 1824
Idem
Ik heb de Eer in voldoening aan Uwe Excellentie aanschrijving van den14 Oct. L.l B 2 afd no 1438 de daar bij gevoegde staat der administratie over den thuiszittende Armen dezer gemeente na ingewonne Informatie behoorlijk ingevuld aan uwe Excellentie hier bij te doen toekomen en tevens daar bij te berigten dat in deze gemeente niet anders bestaat dan een diakonie Armbestuur van de Hervormde kerk.
Dat de mindere inkomsten als die van het vorig jaar is toe te schrijven aan de mindere giften welke plaats hebben gevonden waarvan den zachten winter de redenen zijn en waaraan ook de minder uitgaven zijn toe te kennen. Dat het beheer op de gewone wijze plaats vind, de bedeeld wordende armen, oude en gebrekkige lieden en weezen zijn, dat dat getal ook door den openen winter minder is geweest, en de bedeeling geschied in geld kleederen en ook wel brood en brandstoffen.
Voorts dat de diaconie met allen ijver het belang van de armen behartigd, doch aan dezelve geen werk kan verschaffen, als zijnde meest oude gebrekkige personen die onderstand genieten en dat genoemd Armdirectie zonder moeite voltallig blijft, terwijl geen personen door de Maatschappij van Weldadigheid zijn opgenomen en alhier geen Israëliten worden gevonden.
Waar mede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 3 November 1824.
Aan het Armbestuur van de hervormde Gemeente van Arnemuiden
De Burgemeester der Stede Arnemuiden brengt bij deze ter kennis van het Armbestuur dezer Gemeente dat door den Raad bij dispositie van den 5e dezer maand, tot Heelmeester alhier op het gewoon stedelijk Tractement  is aangesteld de Heer Johannis Jongejan als Heel- en Vroedmeester door de Provinciale Geneeskundige Commissie in Zeeland geadmitteerd, en recommandeerd het Armbestuur om met denzelven ten spoedigsten voor de door haar bedeeld wordende Armen de gewone overEenkomst aante gaan
De Burgemeester voornoemd
C.Crucq
Den 6 Novb:1824
Aan Zijne Excellentie 
De Heer Gouverneur van Zeeland
In voldoening aan Uwe Excellentie Besluit van den 8 dezer maand, heb ik d’ Eer Uwe Excellentie te berigten, dat de verlofgangers van de Nationale Militie op den daar bij gevoegde staat vermeld, in deze gemeente zich bevonden, en waar van ik het Duplicaat Register JJ hier bij voeg.
Waar mede ik d’ Eer heb mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 12 November 1824
Aan den WelEdele Gestrenge Heer
Griffier der Staten van Zeeland.
Daar waarschijnlijk het Register ter inschrijving van geboorne dezer gemeente voor dit jaar niet voldoende zijn zal, zo neme ik de vrijheid UEG te verzoeken van aan mij nog te laten toekomen een suppletoir Register van een vel houdende acht actens, en tevens dat dat Register voor 1824 met een vel mag vermeerderd worden
Met allen eerbied heb ik d’Eer te zijn
UwEdGestrenge DWDienaar
De Buregemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 19 November 1824
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland.
De onkosten der Registers van den Burgelijken Stand voor 1824 bedragen de somma van f.41,95
En die van de suppletoire egisters voor geboorte:
f.2,15
te zamen f 44,10
waarvoor op de begrooting voor dit jaar is gealloueerd 
f.40.
verschil: f. 4,10
welk bedrag ik verzoek om uit de onvoorziene uitgaven voor dit jaar geaccordeerd te mogen worden.
Waarmede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen
Uw Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 26 November 1824
Aan Hun EGA de Heeren G.S. van Zeeland.
Bij UwEGA dispositie van den 9 April dezes jaars no 26 de voorgedragen overeenkomst van het Armbestuur dezer stede met den Heelmeester van Opdorp alhier betrekkelijk de belooning van dezen voor de behandeling der zieken van den Armen gedesapprobeerd zijnde met uitnoodiging om bij aldien de genoemde Heelmeester zich aan zijne verpligting mogt onttrekken als dan maar eenen anderen in deszelfs plaats om te zien, zo hebben wij poging aangewend om gemelde Heelmeester te overreden van aan Zijne verpligting te voldoen, dan denzelven volstandig zulks geweigerd hebbende, zijn wij Eindelijk over gegaan een ander in deszelfs plaats aan te stellen en mitsdien tot Heelmeester dezer Gemeente op het gewoon Tractement te benoemen, den Heel en vroedmeester Johannis Jongejan, voorheen alszodanig gefungeerd hebbende te Colijnplaat, en nu laats mitsgaders als  Apotecal ??(apotheker?) te Delfshaven, waar van hij de voldoenste bewijzen aan ons heeft overgelegd, zo mede een Extract uit de Notulen van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Zeeland van den 3e dezer maand waarbij genoemde Jongejan als heel en vroedmeester als voor hier gevestigd werd geadmitteerd om zich in Zeeland te etablisseren.
Waarvan wij d’ Eer hebben UwEGA Heeren berigt te doen en ons met verschuldigden Eerbied te noemen
UEGA DW Dienaaren
De Gemeente Raad van Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Den 26 Nov: 1824
Aan de Provinciale Geneeskundige Commissie in Zeeland
Ten gevolge van Een dispositie van HEGA de Heeren G.S van Zeeland van den 9 April dezes jaars no 26 waarbij wij uitgenoodigd zijn om ingeval den Heelmeester van Opdorp aan Zijne verpligting betrekkelijk de behandeling der zieken van den Armen voor de daar voor bepaalde belooning niet verkoos te voldoen naar een ander in deszelfs plaats om te zien en denzelven niettegenstaande onze daar bij hem aangewende poging en zulks is blijven weigern  , hebben wij ons gedrongen gezien behoeve den Armen een ander op het gewoon tractement  te benoemen, en daar toe is aangesteld de Heer Johannis Jongejan bij Uw Ed: Resolutie van den 3 dezer maand als heel en vroedmeester in deze provincie als voor hier gevestigd geadmitteerd, waar van wij d’Eer hebben UEd kennis te geven en ons met alle hoogachting te noemen
De Gemeente Raad van Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
C.D. Baars.
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland.
Daar in den loop van dit jaar geen verandering in deze Gemeente is voorgevallen met betrekking tot den stierhouder of keurmeester zo heb ik d’ Eer Uwe Excellentie daar van berigt te doen en mij met verschuldigden Eerbied te noemen
Uwe Excie DW Dienaar
DE Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den  4e December 1824
Idem
In voldoening aan den inhoud van uwe Excellentie Missive van den 29e der vorige maand A afd:no 9012 betrekkelijk de goederen en bezittingen der voormalige schutterijen, heb ik d’ Eer Uwe Excellentie te berigten dat in deze gemeente van de te voren bestaan hebbende Burgerwagt geen goederen noch bezittingen aanwezig zijn.
Waarmede ik d’ Eer heb mij met verschuldigden Eerbied te noemen
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 4 Dec: 1824.
Aan HEGA Heeren G.S. van Zeeland
Het Armbestuur dezer gemeente heeft ons te kennen gegeven dat door die geringe inkomsten, veroorzaakt door dien men in den loop dezes jaars veelal iedere Zondag maar eenmaal Godsdienst heeft gehad, en nu zedert het vertrek van den Leeraar van Ingen naar de gemeente van Ouwerkerk dit voortduurt totdat de geroepene Leeraar Wanroij van Bruinisse herwaarts zal zijn overgekomen, zij buiten staat is, om in de behoeften der armen te voorzien—dat wel is waar, tot dus ver eene zachte en opene winter de behoeften minder schijnen te zijn, dan wel bij strenge vorst, maar wanneer  men in aanmerking neemt de veelvuldige stormwinden die men in dit najaar en voorwinter hebben gehad waardoor den visscher in het uitoefenen van zijn beroep is verhinderd geworden;  en die stand genoegzaam de Eenigste is, waarin deze gemeente haar bestaan vind, dan zal men zich wel overtuigd houden, haar behoeften en armoede weinig minder zijn, om welke redenen dezelve ons hebben verzogt hun eenig subsidie te verleenen.
Overreed van de waarheid  van het door het Armbestuur hier vorengemelde, zo zijn wij genegen, aan hetzelve uit de onvoorziene uitgaven van dit jaar gealloueerd eene Extra subsudie toe te kennen van f.75.
Wij nemen mitsdien de vriijheid UEGA autorisatie daar toe te verzoeken terwijl wij d’ Eer hebben ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
UEGADW Dienaren
De Gemeente Raad van Arnemuiden
C.Crucq
Ter Ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Den 17 December 1824
Aan Zijn Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland.
Hierbij : de kwartaal Staat der Broodzetting van de drie laatste maanden van het afgeloopenen jaar.
Uwe Excie: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 3 Januarij 1825
Idem
Betrekkelijk de goederen en bezittingen van voormalige Schutterijen: hoegenaamd geen goederen of bezittingen van te voren bestaan hebbende schutterijen Gilden of Corporatiën bekend geweest onder de benaming van Bus, voet of handboog  schieten en dergelijke in deze Gemeente voorhanden zijn of gevonden worden.
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 27 Decb: 1824
Idem
Hierbij doe ik Uwe Excie: toekomen de staat in triplo van mijne handteekening, zo  mede die van mijn Plaatsvervanger en twee leden van den Raad, ten einde door UwExc: tot de teekening der attesten voor de Nat:Militie voor 1825 te worden gekwalificeerd.
Met verschuldigden Eerbied heb ik d’ Eer te zijn
Uw Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 27 Decb.1824
1825
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland
In voldoening aan Uwe Excellentie aanwijzing van den 11 November H.A.2 afd nr 8121 heb ik d’ Eer Uwe Excellentie te berigten dat ik  van het benoodigde getal gezegelde Patentbladen
Ben voorzien terwijl ik met verschuldigde Eerbied mij teeken.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 1e januarij 1825
Idem
Ik heb d’ Eer in voldoening aan Uwe Excellentie te berigten dat binnen deze gemeente geen krankzinnigen worden gevonden.
Waar mede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Excie DW Dienaar.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 1e Januarij 1825
Idem
Daar geen verandering in het Personeel van het bestuur secretaris of ontvanger dezer stede in de nu afgeloopenen maand is voorgevallen, zo heb ik d’ Eer Uwe Excellentie daarvan kennis  te geven, en mij met verschuldigden Eerbied te noemen
Uwe Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 1e Januarij 1825
Idem
Ik heb d’ Eer uwe Excellentie te berigten dat gedurende het vorige jaar, anders geen verandering in de Fabrieken, & Trafieken of werkwinkels in deze gemeente zijn voorgevallen als dat eene zoutkeet, waarin zedert verscheidene jaren niet meerder werd geraffineerd is afgebroken, en alzo nu nog twee zoutkeeten alhier aanwezig zijn.
Waarmede ik d’ Eer heb met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq.
Den 3 Januarij 1825
Aan de Provinciale Commissie van Geneeskundige toevoorzigt in Zeeland
Daar ik geen kennis draag dat in de nu afgeloopene drie maanden in deze gemeente iemand is gevaccineerd gevonden ook niet dat de kinderziekte alhier geheerscht heeft, zo heb ik d’Eer Uw Ed daarvan berigt te doen en mij hoogachtend te noemen.
UWelEd DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 3 januarij 1825
Aan de Gouverneur
Zie vorige missive.
Idem 
Ik heb d’ Eer hier bij aan Uw Excellentie te doen toekomen de Staten van de geborene en overledene in deze gemeente gedurende het vorig jaar plaats gehad, terwijl in dat jaar alhier Tien Huwelijken zijn voltrokken en geen Echtscheiding heeft plaats gehad.
Ik voeg hier tevens bij een staat van de bevolking dezer gemeente zoals die was op den 31 December jongstleden en heb d’ Eer mij met  verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie  DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 4 Januarij 1825
Aan HEGA Heeren G.S. van Zeeland    
Bij UEGA dispositie van den 17 December l.l. no 18 gevoegd zijnde Eene Nota van aanmerkingen op de staat der Broodzetting van het 3e kwartaal van 1824 heb ik die met genoemde zetting nagezien en niet anders kunnen ontdekken of dezelve heeft plaatsgehad volgens de opgaven  van de districts hoofdplaats, alleen moet ik daar bij opmerken, dat bij de aanziening ?  mogelijk niet is geobserveerd geworden, dat deze  Gemeente behalve de steden de Eenigste is die opcenten op het gemaal geniet dat in de zetting met de andere plaatsen altijd moet differeren.
Waar mede ik d’Eer heb mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
UwEdGADW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C.Crucq
Den 5 Januarij 1825
Aan den Heer Gouverneur van Zeeland.
Ik heb d’ Eer Uwe Excellentie te berigten dat bij mij van reeds dienende bij de Nationale Militie behoorende tot deze gemeente geen aanvrage is gedaan ter bekoming van vrijstelling en teken mij met verschuldigde Eerbied.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
15 Januarij 1825
Idem
Ik heb d’ Eer hierbij aan uw Excellentie te doen toekomen een Borderel van gedane betaling ten kantoor van den Agent van den algemeenen rijkskassier te Middelburg, voor Tractement van de veldwagter dezer gemeente over het eerste kwartaal van dit jaar, terwijl ik met de verschuldigde Eerbied mij teeken.
Uw Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 15 Januarij 1825
Aan de Heer Kolonel Speelman
Kommanderende de 2 afd; Infanterie te ‘’s-Bosch
Daar ik van de personen van Jacob Derto fuselier in de 3 Komp 2 afd: Inf Plaatsvervanger van L. Wisse en van J. van Belzen fus: in gemelde Komp: 2 afd van het depôt Batt: broeder van M. van Belzen alhier woonachtig, het attest, dat zij nog in dienst zijn bij de Mil: Raad van Zeeland behoor over te leggen , zo neeme ik de vrijheid UwEdGestrenge te verzoeken mij gem: attesten te laten toekomen.
Inmiddels heb ik d’ Eer met alle hoogachting te zijn.
UwEGDWDienaar
De Burgemeester van Arnemuidedn
C.Crucq
Den 20 Januarij 1824
Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Ik heb d’ Eer hier bij aan uwe Excellentie te doen toekomen, het Inschrijvings Register en Alphabetische Lijst van de manspersonen in 1806 geboren en tot deze gemeente behoorende; terwijl geen vrijwilligers voor de Nationale Militie zich hebben aangeboden.
Waarmede ik d’ Eer heb met verschuldigde Eerbied mij te noemen.
Uwe Excellentie DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 29 Januarij 1825
Idem
Den buitengwone hoogen vloed van heden heeft ook alhier schade toegebragt, als zijnde deze nademiddag ruim twee uren het molendijkje overstroomt, waar door dat Poldertje is onder ‘t water gezet, evenwel heeft aldaar geen doorbraak plaats gegrepen, alleen is aan de binnen zijde eenige roeden afgeka(l)ft; zijnde voorts het zogenaamd Christiaan Poldertje mede op die tijd, zonder doorbraak overstroomt en volgeloopen.
Ik heb dadelijk de nodige orders gegeven ten einde die beide Polders van het water te ontlasten, en het afgekalfde te herstellen, waarvan ik voor dit oogenblik de kosten nog niet kan opgeven, maar dit met het verzoek om het zelve uit de onvoorziene uitgaven van dit jaar te mogen voldoen; zodra mogelijk Uwe Exc: mede te  deelen, terwijl door de genomene voorzorgen, verder weinig water in de Plaats is geweest, of eenige andere schade alhier is toegekomen.
Dan aan de Keersluis is een importante Schade  door den vloed veroorzaakt, daar eerst een dwarsdijkje  aan de zuidzijde van de sluis is overstroomt, en daar op een doorbraak aan hetzelve is gekomen, waar door het Kanaal is volgeloopen; daar echter het nodige water door de schoven/schuiven ?  was ingelaten om een voldoende steunsel voor de vloeddeuren te hebben, daarna is bij het afloopen van het water uit het kanaal dat door de doorbraak buitengewoon was opgezet, de beide Ebdeuren uit deszelver kassen gerukt, en zeer zwaar beschadigd geworden, waarvan door de Commissie van Toezigt zodra zulks volledig kan opgenomen worden uw Exc: nader berigt zal worden gedaan.
Ik heb gemeend Uw Exc: van het een en ander voorlopig berigt te moeten doen, waarmede ik d’ Eer heb eerbiedig mij te noemen.
UwExc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C.Crucq
Den 4 Februarij 1825
Aan de Heer Speelman
Commanderende de 2 afd 
Infanterie te ’s Bosch.
De jongeling Lieven Meulmeester in de Loting van dit jaar vallende reclameerd op vrijstelling uit hoofde Zijn Broeder Marinus Meulmeester is dienende als fuselier in de 2 Komm: 1 Bat: 2 afdeeling Infanterie ,zo ben ik zo vrij Uw Ed Gestrenge te verzoeken om daar van een attest volgens art: 94  der wet van den 8 januarij 1817 aan mij te laten toekomen.
Met alle Hoogachting heb ik
D’ Eer te zijn
Uw Ed Gestrenge DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq.
Den 7 Februarij 1825
Aan de Provinciale Commissie
Van Landbouw in Zeeland
Ingevolge art 4 der Publikatie  van hunEGA de Heeren G.S. van Zeeland  van den 20 Januarij 1817 heb ik d’ Eer hierbij aan UEG te doen toekomen van A.Adriaanse landman in deze gemeente waar bij hij verklaard het voornemen te hebben, dit jaar een hengst te houden met alle Eerbied heb ik d’ Eer te zijn.
Uw EdG :DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 5 Februarij 1825
Aan Zijne Excellentie
De Heer Gouverneur van Zeeland 
In voldoening aan Uwe Excellentie verzoek vervat in deszelfs missive van den 5e dezer maand B.1 afd:No 104 betrekkelijk het vaststellen van een tarief volgens welk het maalloon voor alle de Steden en Plaatsen in deze Provincie tegelijker hoogte zoude worden bepaald, heb ik d’ Eer uwe Excellentie te kennen te geven, dat ik na de gemeente Raad alhier daar over te hebben gehoord ik met dezelve  van gedagten ben daar men nog aan de zijde van de Inwoonders, noch van die van den Koornmolenaar, eenige klagten verneemd het maalloon der stede voor de tarwe Rogge, gerst en beesten voeder wel en goed bepaald is in de bijlage… het Reglement op de Broodzetting gearresteerd den 15 September 1818.
Waarmede ik d’ Eer heb mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 8 Februarij 1825
Idem
Het Kohier van de Grondbelastingen op de gebouwde en ongebouwde Eigendommen dezer gemeente voor dit jaar bij mij ontvangen zijnde, heb ik het zelve heden aan de gemeente bekend gemaakt en daar na aan den Ontvanger ter hand gesteld, waarvan ik d’ Eer heb Uwe Excellentie kennis te geven en mij Eerbiedig te teekenen
Uwe Exc: DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 9 Februarij 1825
Aan HEGA Heeren G.S. van Zeeland
Het Armbestuur van de Hervormde Gemeente dezer stede heeft ons te kennen gegeven dat zedert de dispositie van UEGA van den 9 April 1824 no 26 houdende desapprobatie van het door den Heelmeester van Opdorp ontworpenen Contract betrekkelijk de belooning voor geneeskundige diensten aan de bedeeld wordende Armen, den zelven geweigerd had om aan de bepaling van UEGA en dus voor het gewoon Tractement van deze Stede en dat van den Armen, dezelve armen dienstbaar te zijn, anders, dan op hun schriftelijke order  der belooning even als voor particulieren, dat zij evenwel tot den tijd dat de Heelmeester Jongejan alhier was aangesteld geworden, van hem hadden moeten gebruik maken daar hier nog in den omtrek geen Heelmeester werd gevonden, en een  medicine(Medicinae) docter(Doctor) uit het naburig Middelburg te kostbaar zoude zijn geweest,waar door zij nu over dien tijd een Particulier Rekening wegens door den heelmeester van Opdorp behandelde zieken hadden ontvangen, ons verzoekende ter hunner gemoedkoming, om (h)alf jaar tractement ter somma van f.37,50 door de stede aan hem niet betaald aan hun mogt worden verleend.
En daar wij aan genoemd Heelmeester uit hoofde van Zijn weigering om aan aan EdGA dispositie te obeïderen  die zes maanden tractement niet hebben uitbetaald, zijn wij genegen om aan het Armbestuur ter hunner gemoedkoming die f.37,50 te voldoen indien UEGA ons dat wij Eerbiedig verzoeken ,daar toe de nodige autorisatie geliefden te verleenen.
Etc.
UEGADWDienaren
De gemeente Raad van Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Den 14 Februarij 1825 
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland
De Miliciens Jacob van Belzen fuselier in de Comp.1 Battaillon en Jacob Derto fuselier in genoemde Komp. Depôt Battaillon 2e afdeeling Infanterie  Nationale Militie, behoorende tot deze gemeente en welke met de maart aanstaande hun paspoort staan te bekomen, hebben mij hun zakboekjes vertoond waaruit bleek  Eerstgenoemde den 21 October l.l. te Middelburg en laatstgemelde den 26 van die maand te ’s-Hertogenbosch met hun Korps hadden afgerekend waarvan ik d’ Eer heb in voldoening aan uwe Excellentie ’s missive van den 30 Augustus 1824 A 1 afd NM no 6372 bij Uwe Excellentie berigt te doen, en mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 15 Februarij 1825
Idem
Het Register JJ van de verlofgangers van de Nationale Militie behoorende tot deze gemeente en op dewelke ik niets heb aan te merken hierbij aan Uwe Excellentie voor de aanstaande Inspectie doende toekomen, heb ik d’Eer mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C. Crucq
Den 15 Februarij 1825
Aan de Heer Plaatselijke Kommandant
Der Stad Middelburg
De persoon van G.Meerman Tapper alhier, heeft mij heden kennis gegeven , dat op Zaturdag den 12 December een militair bij hem is gekomen, en na het gebruiken van een glas bier, hem had verzogt om zijn snaphaan met bajonet en een Patroontas alles gemerkt met no 474 voor hem te bewaren, dewijl hij nog eens na Middelburg mogt gaan, en dat tot heden die militair niet was geretourneerd.
Ik heb het genoemde bij mij laten brengen en gemeend UwEdgestr onder kennisgeving daar van te verzoeken, het zelve met een reçu te doen afhalen.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 16 Februarij 1825
Wel Eerwaarde Heer
Ik heb d’ Eer hier bij aan Uwe Eerw: te doen toekomen een circulaire van zijne Excellentie de heer Gouverneur dezer provincie in dato 17 dezer maand betrekkelijk het doen eener algemeene Collecte aan de huizen der Ingezetenen door het geheele Rijk, ten einde de Rampen zoveel doenelijk te leenigen welke ons vaderland door de ontzagchelijke watervloeden getroffen hebben, bepaald bij Z.M. besluit van den 9 dezer.
Ik vertrouw Uw Eerw: aan den Inhoud van die Missive volgaarne zult voldoen, terwijl ik het doen van die collecte in deze gemeente bepaald op zaturdag den 26 aanstaande.
Uw Eerw DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden.
C. Crucq
Den 18 Februarij 1825
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland
Ter voldoening aan Uwe Excie aanschrijving van den 28 December 1824 betrekkelijk de door Laurens van Eenennaam te leveren plaatsvervanger voor den gedeserteerden Johannes Gerardus Bos, heb ik d’ Eer Uwe Excie te berigten dat ik zulks dadelijk aan denzelven heb ter kennis gebragt en hij mij heden heeft berigt dat hij een ander heeft bekomen, en aan het Bureau van de Militie denzelven heeft aangediend, om te worden aangenomen, terwijl zodra ik geïnformeerd ben, dat hij is goedgekeurd ik uwe Excellentie nader daar van zal informeren.
Waarmede ik d’ Eer heb met verschuldigden Eerbied  mij te noemen 
Uwe Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 28 Februarij 1825
Aan de Heer Militie Commissaris
In Zeeland te Goes
Ik heb d’ Eer hierbij aan Uw Ed:Gestrenge te doen toekomen de bewijzen van de Lotelingen mijner gemeente van dit jaar, welke op vrijstelling hebben gereclameerd met de daar bij behoorende Inventaris.
Met allen Eerbied heb ik d’ Eer  te zijn.
Uw Ed:Gestrenge DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 1 maart 1825
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland
Ik heb d’ Eer aan Uwe Excie hierbij te doen toekomen een Extract uit de Notulen van de Gemeente Raad dezer stede van den 22 dezer maand houdende deliberatiën nopens de  door de Staten der Provincie voorgestelde combinatie aan deze gemeente met Cleverskerke, vermeld  in Uwe Excellentie  missive van den 15 dezer maand B 1 afd no350.
Waarmede ik d’ Eer heb mij met verschuldigde Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 25 Maart 1825
(dit Extract ontbreekt in het Brievenboek)
Aan HEGA Heeren GS van Zeeland.
Bij missive van onze Burgemeester van den 4 Februarij dezes jaars is aan zijne Excie den Heer Gouverneur dezer Provincie kennis gegeven van de Schaden bij den hoogen watervloed van dien dag toegebragt, zo aan het molendijkje als aan dat van het Christiaan Poldertje, waar in dadelijk ter voorkoming van verdere rampen is voorzien geworden.
Wij hebben daarna laten opnemen  welke kosten zouden benoodigd zijn om die beide dijkjes in zodanige verbeterde staat te doen brengen, waardoor men voor overstrooming bij hooge vloeden beveiligd werd, en daar toe zoude een som van f.62,40 vereischt worden daar onder begrepen de daaraan provisioneel gedane voorziening:
De begrooting daar van, doen wij hier bij aan UEGA toekomen, met eerbiedig verzoek UEGA autorisatie te mogen bekomen om die som uit de onvoorziene uitgaven voor dit jaar gealloueerd te mogen gebruiken ten einde de gemelde reparatiën te kunnen doen verrigten.
Wij hebben d’ Eer ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw Ed:GrootAchtbDW Dienaren
De Gemeente Raad van Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
C.D. Baars
Den 26 maart 1825
Aan de Heer Gouverneur van Zeeland.
Ik heb d’ Eer hier bij aan Uwe Excellentie te doen toekomen de Alphabetische lijst van de bevoegde tot de Kiezers in deze gemeente terwijl het getal van de Stemgerechtigde alhier 22 bedraagd.
Waar mede ik d’ Eer heb mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 2 April 1825
Aan de Heer Gouverneur en Provinciale Commissie van Zeeland.
Ik heb d’ Eer Uwe Excellentie hier bij te doen toekomen de Staat van de gevaccineerde in deze gemeente over het eerste kwartaal van dit jaar volgens opgave van den Plaatselijken Heelmeester J.Jongejan terwijl de kinderziekte zover het mij bekend is gedurende dat tijdvak alhier niet heeft geheerscht.
Waar mede ik d’ Eer mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 2 April 1825.
Aan den Heer Gouverneur van Zeeland.
Ik heb d’ Eer in antwoord op Uw Exc: missive van den 2 dezer maand A2 afd no2551 betrekkelijk een opgave van schade welke Particulieren bij den jongsten watervloed geleden hebben, te berigten, dat door niemand in deze Gemeente verliezen zijn ondergaan, daar onder niet begrepen de schaden door de overstrooming van het molendijkje en dat van het Christiaan Poldertje aan landerijen door het zeewater toegebragt.
Ik heb d’ Eer met verschuldigde Eerbied mij te noemen,
Uw Exc:DWDienaar,
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Idem
Ik heb d’ Eer aan Uwe Excellentie te doen toekomen een borderel van gedane overstorting bij den Agent van ‘Rijkskassier te Middelburg, voor het tractement van den Velwagter dezer gemeente over het tweede kwartaal van dit jaar, terwijl ik met verschuldigden Eerbied mij noemen.
Uwe Excellentie DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 11 April 1825
Aan de Centrale Directie van Walcheren
Ik heb d’ Eer in voldoening aan den inhoud van UwEd: missive van den 7. dezer maand UwEd: te berigten dat ik aan de Persoonen van Adriaan Zuurmond en J, Tramper welke gewoon zijn ieder met een koe op de wegen onder deze gemeente te weiden van het door UwEd bepaalde heb kennis gegeven en teeken mij met alle hoogachting
UwEd:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 11 April 1825
Aan HEGAHeeren GS van Zeeland
Heden de Plaatselijke Rekening over 1824 door de gemeente Raad en gecommitteerden voor zo ver die op verzoek zijn gecompareerd, opgenomen zijnde heb ik d’ Eer die in triplo met de daar bij behoorende bescheiden aan UwEdGrootAchtb: te doen toekomen en mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw EdGADW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 22 April 1825
Aan de heer Gouverneur van Zeeland
De manschappen welke op den Staat achter uwe Excellentie ’s missive van den 19 dezer maand A1afd N.M.no 3316 staan gemeld, hunne verlofpassen bij mij overgebragt hebbende en op het register der verlofgangers mijner gemeente gebragt zijnde heb ik d’ Eer Uwe Excie daar van berigt te doen en mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Aan de Hoofd Administratie
Van de 2e afd:N:M: te
’s-Hertogenbosch
Bij missive van ZExc: de heer Gouverneur dezer provincie in dato 24 Maart j.l 1 afd:N:M:no 2563 aangeschreven zijnde om den Loteling dezer gemeente L. van Eenennaam te gelasten voor zijn tweeden Plaatsvervanger C. Lanooij de somma van f.18 wegens Eerste uitrusting van zijnen vorigen Plaatsvervanger J.G. Bos in de kas van de  2e afd:N:M: te storten, en van dat verrigte zijnde berigt te doen, zo heb ik denzelven dadelijk die last medegedeeld, en welke mij heeft bewezen volgens Bulletin van de Post te  Middelburg van den 7 december aan UEG die som te  hebben gezonden, zonder nogthans van den ontvangst berigt bekomen te hebben.
Zo ben ik zo vrij UEG te verzoeken mij te berigten of UEG die f.18 hebben ontvangen, om daar van aan Z:Exc: berigt te kunnen doen.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 23 April 1825
Aan den Heer Gouverneur van Zeeland
Bij Uwe Excellentie missive van den 24 Maart j.l. A 1 afd N:M: no2563 aangeschreven zijnde om den Loteling mijner gemeente Laurens van Eenennaam van zijn verpligting te verwittigen betrekkelijk het storten in de kas van de tweede afdeeling Infanterie eenen som van f.18 bij welke afdeeling deszelfs tweeden Plaatsvervanger Cornelis Lanooij is ingelijfd en dat voor eerste uitrusting van zijnen vorigen plaatsvervanger Johannes Gerardus Bos, zo heb ik genoemde L. van Eenennaam daar van kennis gegeven die aan die order dadelijk heeft voldaan, zoals mij is gebleken bij eene missive van de Hoofdadministratie van gezegde afdeeling in dato 30 April dezes jaars, waar bij aan genoemde van Eenennaam berigt word die f.18 den 2e te voren ontvangen te zijn
Uwe Excellentie daar van rapport doende heb ik d’ Eer met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excie DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C. Crucq
Den 3 mei 1825
Idem
Ik heb d’ Eer aan Uw Excellentie hierbij te doen toekomen een Proces verbaal van de gemeente Raad dezer stede houdende het resultaat van de Stemming voor kiezers voor dit district en zulks in voldoening aan art:28 van het reglement omtrent de zamenstelling voor de Staten dezer provincie in dato 2e April 1818
Waarmede ik d’ Eer heb met verschuldigden Eerbied mij te noemen
Uwe Exc:DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 6 Mei 1825
Aan HEGA Heeren G.S. van Zeeland
Het addres van het Armbestuur der Hervormde gemeente dezer Stede van dato heden houdende verzoek om een Legaat  van f.1,50 door Susanna Nijssen alhier overleden in leven Huisvrouw van Jan Bernard Joosse bij testamentaire dispositie aan den Armen bemaakt te mogen aanvaarden, hebben wij d’Eer hier bij aan UEGA te doen toekomen en daar er geen redenen bestaan om dat verzoek te refuseren neme wij de vrijheid UEGA te verzoeken om daartoe de nodige autorisatie te verleenen.
Waar mede wij d’ Eer hebben ons met verschuldigden Eerbied te noemen.
UwEGADW Dienaar
De gemeenteRaad van Arnemuiden
C.Crucq
Den 27 mei 1825
Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
En aan de Provinciale Commissie
Voor zover mij bekend is, is in deze gemeente in de nu afgeloopenen 3 maanden niemand gevaccineerd geworden, en heeft alhier de kinderziekte niet geheerscht, waarvan ik d’ Eer heb Uwe Excellentie kennis te geven, en mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Aan Zijne Excellentie de Heer Gouverneur van Zeeland
De kwartaal Staat der broodzetting van de nu drie verloopenen maanden van dit jaar, zoals die in deze gemeente heeft plaatsgevonden, opgemaakt zijnde, heb ik d’Eer hierbij aan uwe Excellentie te doen toekomen en mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 1 Julij 1825
Idem
Uwe Excellentie ’s missive van den 29 Januarij dedzes jaars A 1 afd no 820 betreffende het lager onderwijs ,bij mij ontvangen zijnde, heb ik het dienstig geoordeeld den inhoud daarvan de gemeente Raad alhier mede te deelen die op mijn voordragt nevens mij twee leden heeft benoemd, ten einde van tijd tot tijd de school te bezoeken, om daar door met den Stand en de behoeften van het onderwijs in deze gemeente te leeren kennen; waar bij op mijn verzoek de onlangs alhier gekomen Leeraar zich wel heeft willen voegen.
Die Commissie daar aan voldaan hebbende heeft bevonden dat hoezeer den onderwijzer genoegzame bekwaamheden voor het onderwijs der jeugd bezit, en de verbeterde manier daarin kend, en ook daar van gebruik maakt, evenwel  geene voldoende onicht??/inzicht? Op zijne pogingen kan bekomen daar er veele van die jeugd geen onafgebroken gebruik maken van dat onderwijs, dat men meend te moeten toeschrijven aan de laauwheid van de ouders die hunne kinderen niet genoeg tot het schoolgaan verpligten, waar onder er echter zijn welke het wel eens aan het noodige ontbreekt om hun dat onderwijs te doen genieten of wel die ter school zoude kunnen gaan,derzelve voor de jongere moeten thuis houden, om er voor te zorgen, daar veele ouders dagelijks hun bestaan buiten de plaats moeten zoeken.
Om nu dat een en ander zoveel doenelijk te keer te gaan, heeft men den onderwijzer aanbevolen om eene naauwkeurige aanteekening te houden van de al of niet trouwe opkomst der jeugd in de school, het bezoeken in dezelve te vermeerderen, en als dan na onderzoek en bevinding die ouders welke oorzaak zijn van dat verzuim, op te wekken  en die kinders welke bij een naarstig gebruik maken van de school wezentlijke vordering maakte, zo door een schoolprijs of eenig loffelijk bewijs aan te moedigen en de andere daardoor en door vermaningen zooveel doenelijk aan te sporen.
Ten einde daar aan te kunnen voldoen, wenste ik dat aan mij vergund werd, om uit de onvoorziene uitgaven van dit jaar eene som van twintig gulden te mogen gebruiken om daar uit enige schoolprijzen aan te koopen. Wat aangaat het Schoolvertrek dien aangaande kan ik uw Excellentie berigten, dat het zelve zedert weinige jaren vernieuwd ruim licht en luchtig is en zo omtrent de tafels als anderzints is ingericht naar de tegenwoordige geprefereerde order.
En hier mede vertrouwende bij voorraad eenigsints aan uwe Excellentie verlangen voldaan  te hebben,zo teekene ik mij met verschuldigden Eerbied.
Uwe Excellentie DWDienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 5 Julij 1825
Idem
Het Borderel van de gedane overstorting bij den Agent van ’s Rijks kassier te Middelburg, voor tractement van den veldwagter dezer gemeente over het derde kwartaal van dit jaar opgemaakt zijnde heb ik d’ Eer hier bij aan uwe Excellentie te doen toekomen, en mij met verschuldigde Eerbied te noemen
Uwe Excie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 11 Julij 1825
Idem
Er zijn geen overtredingen te melden wat betreft het gebruik van de nieuwe maten en gewichten.
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 30 Julij 1825
Idem
In de Staatscourant van Donderdag den 11 dezer maand, gezien hebbende, dat in de Advertentie van de algemeene Commissie van Liquidatie, gevestigd te ’s Gravenhage wegens Liquidatie van den nederlandschen achterstand over de maand  Maart dezes jaars, twee personen mijner gemeente worden genoemd te weten S.L. de Rijke en A van Eenennaam onder de no 16074 en 75, zo neme ik weder de vrijheid uwe Excellentie te verzoeken, deszelfs tusschenkomst te verleenen ter bekoming van de borderellen van Liquidatie, gemelde personen aankomende
Ik heb d ‘Eer mij met verschuldigden Eerbied te noemen
Uwe Excellente DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 13 Aug:1825
Idem
In voldoening aan het verlangen van uwe Excellentie bij deszelfs missive van den 8 dezer maand mij te kennen gegeven betrekkelijk het bekomen van eenige inlichtingen of en in hoe verre de bij Zijne Majesteits Besluit van den 19 Maart no 13 de van oudst bepaalde premie op het vangen van  Zeehonden weder verleend, het aanwezen derzelve heeft doen verminderen, en tot vermeerdering aan visch op de kusten en binnenstroomen kan geacht worden te hebben bijgedragen
Zo heb ik d’ Eer uwe Excellentie te berigten dat ik de meening deswegens van de kleine vissers dezer gemeente heb ingewonnen en dezelve mij eenparig hebben te kennen gegeven dat, ja, de zeehonden zeer zeker door dit middel zijn verminderd, en verlangen , dat hetzelve mag blijven voortduren vergund te worden. Aangezien het bijdraagd tot de vermeerdering van visch binnengaats, hoewel er andere oorzaken zijn die dezelve reeds zedert eenige jaren hebben doen verminderen, welke niet kunnen worden weggenomen als daar is, het aanwasschen van de Landbanken, en het daar door vernaauwen van de gaten, zoals ook heete zomers, en harde vorst wanneer die met veele sneeuw , verzeld gaat : het verschil van de meerder of mindere visch op de kusten en binnengaats teweeg brengt, daar het opgenoemde daar omtrekt nadeelig is, als wanneer de visch door die oorzaken , naar de diepte zich verwijderd terwijl voormalige bepalingen betrekkelijk het vangen van Bot op zekere maat en het visschen van Molenaar op bepaalde tijd nu niet meerder bestaande, mogelijk ook wel eenigermate  oorzaak is, er nu minderd dan in vorige jaren visch binnengaats word gevonden welke laatst genoemde oorzaak evenwel door vernieuwing van die bepalingen zoude kunnen  weggenomen worden.
En hier mede vertrouwende aan het verlangen van uwe Excellentie te hebben voldaan zo heb ik d’ Eer mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uw Excellentie DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 15 Aug: 1825
Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Het register J.J. houdende de namen der verlofgangers van de Nationale Militie behoorende tot deze gemeente , en omtrent dewelke ik niets bijzonder heb aan te merken heb ik d’ eer hierbij aan uwe Excellentie te doen toekomen, en mij met verschuldigden Eerbied te noemen.
Uwe Excellentie Dw Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
C.Crucq
Den 18 Aug: 1825
Aan HEGA de Heeren G.S. van Zeeland
Wij hebben d’ Eer hiernevens aan Uwe EGA te doen toekomen de Staat van Begrooting in ontvang en Uitgaaf dezer Stede voor den dienst van 1826 met de daar bij behoorende bescheiden en meene daar bij Uw EdGroot Achtbare te observeren:
1e Ten opzichte van de Inkomsten
Dat het Batig Slot der begrooting van 1825 zo is gebragt, als die door UEGA is gearresteerd geworden, en dat van de rekening van 1824 zo als dezelve bij voorraad door ons is opgenomen:
Dat de Additionele Cents op de Grondlasten en het personeel is gebragt zoals die in de begrooting voorkomen, en die op de accijsen zoals dezelve hebben gerendeerd in het afgeloopene Jaar, dat ook is gevolg(d) geworden met den opbrengst van de Plaatselijke Indirecte belastingen, terwijl de overige Inkomsten zijn gesteld, zoals die volgens bekende Pagt Contracten etc als vaste Inkomsten  de Begrooting voor dit jaar.
2e Ten opzichte van de voorgestelde Uitgaven merken wij aan
Dat wij die genoegzaam op dezelve wijs en voor dezelve Sommen hebben voorgedragen als die voor dit jaar zijn bepaald alleen hebben wij no 17 voor generale Kosten voor het huishoudelijke Plaatselijke Bestuur met f.10 verhoogd, dewijl de som van f.52 voor schrijfbehoeften, vuur en licht onvoldoende een en andermaal is bevonden te zijn, dewijl hoe zeer de Hoofdsom genoegzaam zoude zijn ter bestrijding van die kosten, dezelve in onderdeelen is verdeeld en men niet vermag de eene som waar voor soms te veel word g(b)evonden tot het ander onderdeel waar aan men te min bevind te gebruiken.
Voorts word voor de reparatiën aan de gebouwen Straten en wegen no 21 en 22 de benoodigde beramingen hier bij overgelegd zijnde no 23 voor het opwinden der Klok f.60 voor adsistent kloksteller f. 18 en voor de daar aan jaarlijks vallende reparatiën koperdraad en touwwerk f.60 dat te zamen de voorgedragene som bedraagd, zijnde voor  subsidie van den Armen nu zo als te voren f.50 gesteld daar de redenen die ons in het vorige jaar voor 1825 hebben bewogen, om daar voor f.100 te stellen, nu niet meer bestaan, aangezien de toenmalige Leeraar stond te vertrekken, en nu de Gemeente van een leeraar is voorzien, en dus nu geregelde Godsdienst plaats vindende  den Armen ook weder meer inkomsten genieten.
Wij hebben ook gemeend om ter opwekking van de jeugd bij het van tijd tot tijd te doene onderzoek in de school aan de meest gevorderde een of andere boekje of geschenk te moeten doen uitreiken waar voor wij f.20 hebben voorgesteld en Eindelijk daar dezelfde redenen bestaan welke ons genoopt hebben, om in het vorig jaar voor 1825 het tractement van den secretaris met f.25 te vermeerderen, dewijl de toegenomene bevolking dezer gemeente, meerder werkzaamheden veroorzaken en welke tot op heden nog heeft aangewonnen, zo hebben wij weder die Som in  de buitengewoone  Uitgaven gebragt, zoals die door UEGA: voor dit jaar aldaar is gesteld geworden.
UEGA deze Staat aldus ter approbatie voordragende , hebben wij d’Eer ons met verschuldigden Eerbied te noemen
UEGADWDienaaren
De Gemeente Raad der Stede Arnemuiden
C. Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
C.D.Baars
Den 19 Augustus 1825
Aan Heeren G.S. van Zeeland
Door de Commissie van Toezigt over den Keersluijs alhier ons te kennen gegeven zijnde, dat ter herstelling van de schade aan dezelve toegekomen bij den hoogen Watervloed van den 4 Februarij l.l. de belanghebbende in dezelve hadden besloten, om zich aan het Gouvernement te addresseren tot het erlangen van  eenige subsidie, en dat indien zulks onverhoopt mogt worden gedeclineerd, dat dan die Schade onder de belanghebbende naar mate van hun Jaarlijks contingent zoude worden gedragen, het welk door ons onder nadere approbatie , van het  daar in door Arnemuiden te dragene deel, van UEGA door ons is aangenomen geworden.
En aangezien behalve de daarop verleende subsidie door Z.M. het deel in de meerdere kosten van herstel van genoemde schaden hetwelk deze stede daar in behoord te dragen beloopt  eene somma van f.68,75; zo nemen wij de vrijheid UEGA te verzoeken deszelfs approbatie op het vorenstaande te verleenen, nevens de nodige autorisatie op die gemelde som van f.68,75 uit de gealloueerde post van onvoorziene uitgaven voor dit jaar te mogen voldoen.
Waarmede wij ons met verschuldigde Eerbied noemen.
UwEGA DWDienaren
De Gemeente Raad der stede Arnemuiden
C.Crucq
Ter ordonnantie van dezelve
Corn:Dan: Baars
Secretaris.
Den 20 Augustus 1825
Ga naar boven