Historische Vereniging Arnemuiden

Brievenboek 1832-1833

Zeeuws Archief Inventaris van Archieven van de Gemeente Arnemuiden
Toegangsnummer 1200 Inventarisnummer 140

Aan den Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Beëediging Secretaris
Uwe Excellentie missive van den 10 dezer maand A no 11272 1 afd ontvangen zijnde waarbij onder mededeeling van ’s ZM besluit van den 26 Sept l.l.no 79 houdende onder de daarbij vermelde bepalingen benoeming van C.J.Baars tot secretaris der Stad.
Uwe Excie verzocht om te zorgen dat derzelf Acte van aanstelling te ’s Hage worde geligt en dat dezelve ter bekwamer tijd op den Grond?? Van art 108 van het reglement op het bestuur ten platten Lande worden beëedigd en geïnstalleerd
Zoo hebben wij de Eer Uwe Excie te berigten dat genoemde acte is geligt en vervolgens door den benoemden Secretaris thans zich hier present bevind deze hier? Op den 26 der afgeloopenen maand in de vergadering van den Raad in handen van den Burgemeester den Eed bij art 108 van het genoemd reglement voorgeschreven heeft afgelegd en daarop is geïnstalleerd geworden, waarvan verbaal is opgemaakt en ter registratie aan de Heer Ontvanger Marard ?? opgezonden.
Dan daar dezelve zich erlang weder als als Luitenant bij Zijne Compagnie behoord te vervoegen, waarvan hij door de derde daagsche koorts is terug gehouden, en zijne afwezigheid waarschijnlijk langer dan veertien dagen zal duren,nemen wij de vrijheid Uwe Excie voor te stellen naar aanleiding van art: 104 van het gemelde reglement dat gedurende zijne absentie de werkzaamheden aan die post verbonden mag worden waargenomen door den Burgemeester en de teekening der stukken door de Wethouder de Marée , zoals dit gedurende de vacature van de bediening heeft plaats gevonden.
Burgemeester & Weth: der stad Arnemuiden
C.D.Baars
Ter ordonnantie van dezelve
J.C. Baars
Secretaris

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: Stadsfabrikagie

Bij de begrooting dezer Gemeente van den dienst van 1833 heeft de Raad in de Memorie van Toelichting UEGA te kennen gegeven dat met betrekking tot den onderhoud van de gebouwen, Straten en wegen voor het aanstaande jaar alleen de allernoodzakelijkste reparatiën waren opgenomen ter oorzake dat aan het Hoofd dezer stede zonder verder uitstel een herstelling verEischt werdt, waar voor de inkomsten niet berekend zijn, en waar van men UEGA eene nadere voordragt, zoo ten aanzien der te doene reparatiën als de middelen tot bestrijding derzelve wenschte te doen toekomen..
Dien ten gevolge heeft men die te doene herstelling met alle naauwkeurigheid doen opnemen, en daar van een Staat van begrooting laten opmaken,dewelke wij de vrijheid nemen hierbij te voegen, en welks bedrag uitmaakt eene somvan f.640, 10 en die ver overtreft de middelen en de begrooting van 1833 voorkomende om die te makenen schuld in dat jaar te kwijen..
De Raad deswegens gedelibereerd hebbende, en overtuigd zoo van de noodzakelijkheid van die te doene reparatiën als van de bestaande onmogelijkheid om die som uit de begrooting van 1833 te vinden, zonder bijzondere, plaatselijke belasting voor te dragen, en tot welk middel zij niet gaarn den toevlugt zoude nemen, daar van het grootste gedeelte van hare Ingezetenen thans zelve buiten staat zijn de gewone landsbelastingen behoorlijk op te brengen, want, dit steeds bezwaarlijk geschiedende,wanneer de visscherij , genoegzaam de eenige bron van bestaan dezer Gemeente onbelemmerd in haren handel is, zoo is dit door de Staat van oorlog waarin het Rijk nu reeds twee Jaren verkeerd, waardoor dezelve , als is de vischvangst noch al niet ongunstig , weinig verdiensten hebben, daar nu al veel tijds de visch voor ene geringe prijs moet worden afgezet, volsterkt ondoenlijk, en waardoor ook de voordragt van plaatselijke belasting geheel onraadzaam is,terwijl bij de noodzakelijkheid van dat werk, ook de onmogelijkheid bestaat, om hetzelve in twee of drie jaren te splitsen.
De Raadheeft alzoo bedacht geweest, om het werk te doen plaats hebben zonder hare Ingezetenen te bezwaren hetgeen hierin zoude bestaan, om dat werk aan te besteden op voorwaarden dat de betaling daarvan aldus zoude plaats hebben.
1e Dat zodra het werk volbragt opgenomen en goedgekeurd was, dadelijk f.240,10 werd betaald,te vinden met f.100 uit de onvoorziene uitgaven en f.140,10 uit het batelijk slot der begrooting van 1833.
2e de somvan f.100 in 1834 of zo veel meerder als de geldmiddelen over dat jaar zullen toelaten,en
3e dat het noch verschuldigde van1834 in twee gelijke paaijen zal worden voldaan, de eene helft in 1835 en de andere helft in 1836 met bijtaling van 5% van hetgeen men na de betaling in 1834 als dan noch schuldig mogt blijven,met vrijheid evenwel om in 1835 zoo veel meerder te betalen, als de stedelijke finantiën zullen toelaten, en wanneer ook naar mate de afbetaling plaats vind, ook de renten zoude verminderen.
De Raad heeft ons opgelegd, om alvorens dit werk bij een bestek en conditiën aan UEGA voor te dragen het hier vorengemelde aan UEGA te kennen te geven en tevens daar bij UEGA eerbiedig te verzoeken van deszelven goedvinden daaromtrent te mogen vernemen met de nodige autorisatie om zodanig bestek en conditiën onder nadere approbatie volgesn de bestaande verordeningen te ontwerpen en voor te stellen.
Wij nemen alzoo de vrijheid om in voldoening aan het verlangen van den Raad, dit een en ander aan UEGA voor te dragen; terwijl wij vermeenen dat hier ter plaatse dat werk op die voorwaarden wel zijn beslag zoude verkrijgen
Den 4 Novb.1832

Aan de Heer Controleur van de
Directe belastingen te Middelburg
Onderwerp: Declaratie Zoutwegers

De Heer Ontvanger Hennequin heeft mij doen toekomen bijgaande declaratie van de Zoutwegers te Arnemuiden groot f.7,50 met verzoek die aan de belanghebbende ter hand te stellen,dewijl UEGweigert dezelve te certificeren op grond Uwe niet bekend schijnt te zijn met het tarief waarnaar de belooning berekend is.
In belang van de Zoutwegers meen ik UEG te kunnen te kennen geven, dat zedert 1823 de belooning voor de zoutwegers , alzoo is berekend,gelijk op de declaratie is gemeld, en dit geschied is, naar dat van Middelburg waarvan de Zoutwegers alhier het zout hebben gewogen, voordat in deze Gemeente Zoutwegers waren aangesteld waarmede steeds genoegen is genomen, en de betaling ook is gedaan, zonder dat eenige aanmerkingen op is gemaakt.
Intusschen werdt voormaals, volgens eene stedelijke ordonnantie van Arnemuiden van den 18e April 1735 voor loon goedgedaan 8 st.: of 40 cent het hondert wit of fransch zout, dat is het hondert vat of 1200 oude ponden, van Cadix zout 9 st:; St.Ubes zout 10 st: en van Allematter ? en West Indies zout 12 st: en alzoo meerder dan nu betaald wordt.
UEG dit mededeelende, zoo vertrouwe ik als nu UEG geene zwarigheid zult maken , om die en de laatst overgebragte declaratiën te certificeren, opdat de zoutwegers hun wel verdiende loon, mag worden goedgedaan.
Den 15.November 1832.

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Borgtogt ontvanger

Op de Ontvangst van UEd: missive van den 6 dezer B no 1505 2e afd: betrekkelijk de acte van borgtogt door onzen plaatselijken Ontvanger gepasseerd, waarbij Uw Excie met retour der grosse van de acte ons verzoekt een afschrift daar van aan HEGA in te zenden,hebben wij dadelijk met terugzending vandie Grosse bij de administratie van het Grootboek te Amsterdam, tot het bekomen van het afschrift de nodige aanvrage laten doen, dan in plaats daarvan hebben wij ontvangen dit antwoord:
“De Heeren GS moeten de grosse der acte van den Heer Baars onder hun behouden,de afschrift daarvan blijft bij het Grootboek berusten, want bij mankement van goede administratie moeten de Heeren GS uit gemelde acte ageren “
En hier door ons buiten staat gesteld ziende, omdat afschrift in te zenden,hebben wij gemeend de Grosse onder mededeeling van dat antwoord aan uwe Excie te moeten doen toekomen,met verzoek, om indien dit niet voldoende is als dan te mogen worden onderrigt van het nader goedvinden van Uwe Excie: om daar aan te kunnen beantwoorden.
Den 16 November 1832.

P.S. Bovenstaande is een bewijs dat vader en zoon Baars soms de Gouverneur C.S. te slim af waren !!. Dat lieten ze op beleefde wijze doorschemeren.

Idem.
Onderwerp: Binnenlandsche paspoorten

Den 27 Aug: dezes Jaars , is bij mij gekomen de persoon van Louis le Mahieu, met verzoek om een binnenlandsch paspoort ten einde zijn broeder te Hulst woonachtig, te gaan zien, en over familie zaken te spreken,waar aan ik niet kon voldoen als niet voorzien van paspoorten, welke voor zegel gear??? / gearresteerd?? Waren, dan op zijn dringend aanhouden, heb ik aan hem een paspoort afgegeven, met last hetzelve als over Middelburg gaande in mijn naam het visa met betaling van het zegelregt te verzoeken.
Ik heb in vertrouwen verkeerd, dat die persoon,die bij mij als een een braaf en gehoorzaam Ingezetene ten vollen bekend was daar aan zoude voldoen, doch zeker door onkunde heeft dit viseren en betalen niet te Middelburg, maar bij Dhr Ontvanger te Vlissingen plaats gehadt zoo als ik daar na ben onderrigt geworden, waarin ik heb berust daar voldaan was aan art: 27 der Wet van den 16 Junij 1832 (St.bl. no 29) doch bij eene missive van dhr Ontvanger te Vlissingen van den 14 dezer maand, den 16e daaraan ontvangen, worde ik onderrigt, dat ik door het afgeven van een ongezegeld paspoort eene boete van f.50—zoude geincurreerd hebben, en dat ik mij dien aaangaande aan Uwe Excie zoude addresseren met verzoek dit stuk aan Zijne Excie te retourneren.
Hoewel nu bij opgem: art:27 der gem: Wet aangaande de aldaar vermelde paspoorten , geene boete is bepaald en het zegelregt ten vollen is betaald, dat echter te Middelburg had behooren te geschieden, daar mijne Gemeente niet onder Vlissingen ressorteerd.
Zoo neme ik de vrijheid Uwe Excie hier van kennis te geven en Uwe Excie eerbiedig te verzoeken, mij dienaangaande deszelfs goedvinden te mogen kennelijk worden, daar ik bereid ben deswegen adres te maken,terwijl ik nu van zodanige voor zegel geviseerde paspoorten ben voorzien. En geene andere zal afgeven waarvan evenwel zeer zelde aanvrage bij mij plaats vindt.
Den 17 November 1832.

Idem
Onderwerp: Schutterij
Wij hebben de EDer in voldoening aan Uwe Excie circulaire van den 23 dezer maand ( PB no 133) bij deze aan uwe Excie te doen toekomen een Staat van opgave van de hoe grootheid van het overschot van den 1e ban mitsgaders die van den 2e ban Schutterij dezer gemeente
Den 25 November 1832.

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: m.b.t. onvoorziene Uitgaven
Bij Missive van Heere Staatsraad Gouverneur dezer Provincie van den 20e dezer maand A no 12665/3 2e afd:

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: verzoek autorisatie
Onvoorziene uitgaven

Bij Missive van Heeren GS dezer Provincie van den 20e dezer maand A no12665 2e afd kennis bekomen hebbende dat een akte van chargement ten laste onzer gemeente ad f.149,118 wegens verschuldigde verzorgings en onderhoudskosten van bedelaars in de Koloniën der Maatschappij van Weldadigheid over 1831 opgenomen door Z:Excie: aan den heer Ontv: der Acc: te Middelburg ter invordering was toegezonden met verzoek om voor de betaling van die som te zorgen. En aangezien op onze begrooting voor dit jaar maar eene som van f.112,50 is uitgetrokken, en voor het te kort bij ons noch geen subsidie uit de prov: fondsen is ontvangen, zien wij ons verpligt UEGA te verzoeken om dat te kort ad f.36,68 uit de onvoorziene uitgaven van dit jaar te mogen betalen.
Den 27 Novb.1832

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Schutterij

Wij hebben de eer in voldoening aan art:1 van Uw Excie circulaire van den 22 dezer maand (PB no 182) bij deze aan uwe Excie te doen toekomen de nominative Staat der manschappen behoorende tot onze gemeente en zulks in duplo opgemaakt volgens het model aan ons bij die circulaire medegedeeld waarvan het duplicaat onder ons berust
Den 28.November 1832

Idem
Onderwerp: Borgtogt Ontvanger
Wij hebben de eer aan Uwe Excie nevens deze te doen toekomen een simpel afschrift op ongezegeld papier behoorlijk gecontrasigneerd van de Borgtogt acte, door onzen plaatselijken Ontvanger gepresteerd, en zulks in voldoening aan Uwe Excie missive van den 23 Novb: terwijl wij de Grosse bij den Raad zullen overleggen om aldaar te berusten
Den 4 December 1832

Idem
Onderwerp: Acte van chargement
De acte van chargement ten laste onzer gemeente ad f.149,18 wegens verschuldigde vestiging en onderhoudskosten van bedelaars in de kolonie der Maatschappij van Weldadigheid over 1831 door ons in voldoening aan uwe Excie missive van den 20 Novb j.l. A no12665/3 2 afd betaald zijnde, hebben wij de eer de quitantie in een eensluidende copie bij deze aan uwe Excie te doen toekomen, overeenkomstig het bepaalde in uwe Excie circulaire van den 31 Decb: 1827( PB no158 vermeld)
Den 7 Decb.1832

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: Begraafplaats
Bij HUEGA besluit van den 14 Sept: dezes jaars (PB no 11) ons medegedeeld zijnde het Reglement op het begraven van lijken voor deze Provincie, en daarbij aangeschreven zijnde om de nodige verordeningen, behalven in het Reglement vervat te ontvangen, zoo mede de op de begraafplaats te betalene begrafenis regten en loonen, de ontworpene tarieven, onder daarbij vermelde bepalingen aan UEGA ter nadere goedkeuring door ZM te doen toekomen.
Hebben wij de eer UEGA te kennen te geven, dat de Raad dezer gemeente voorschreve Provinciaal reglement ingezien hebbende, vermeend , dat door de in hetzelve vervatte bepalingen geene bijzonder verordeningen heeft noodzakelijk geacht dien aangaande voor te dragen.
Dat zoo als vroeger bij Missives van den 9 Febr en 27 Oct 1828 aan UEGA is te kennen gegeven de begraafplaats alhier is aangelegd geworden op een gedeelte van een weide aan de stede in eigendom toebehoorende, en de kosten van aanleg uit de stedelijk inkomsten zijn goedgedaan met oordeel dat geen regten op de begraafplaats te moeten stellen, aangezien de Ingezetenen dezer over het algemeen uit arme visschers bestaande, geen lasten konden worden opgelegd.
Dat evenwel daar nu enkelde Ingezetenen hun verlangen hebben te kennen gegeven dat een afzonderlijke plaats ter begravinge hunner betrekkingen mogt worden bepaald dat men alzoo geoordeeld heeft, om in voldoening aan dat verlangen, op de genoemde begraafplaats eene bijzonder plaats te bestemmen en die in huur te geven, alleen onder bepaling dat voor voor ieder daar op te begraven lijk f.1 zal worden goedgedaan, en wel naar mate den groote die men verlangd, en men alzoo een plaats van een of meerder daar op te begravene lijken kan bekomen, zoals in het bijgevoegde tarief is gemeld.
Dat voor kosten van begraven de Raad heeft geoordeeld geen verandering in het bestaande tarief noodzakelijk was en alzo het zelve te behouden, zoo als het van onheuchelijken tijden is bepaald geweest, en vervat in het tarief door den Raad den22 Oct: 1828 geconsteerd en aan UEGA bij missive van den 27 van die maand no 102 ingezonden en die wij de vrijheid gebruiken hier bij te voegen.
Dat de Kerkelijke Adm: alhier, aangezien zeer zelden in de Kerk begraven werdt, ook geen tegemoetkoming heeft begeerd te meer, daar dezelve ruim zoo veel geniet van de pacht van het gras van het oude kerkhof als dezelve bevorens jaarlijks van het het begraven in de Kerk beurde.
En eindelijk dat de kosten ven onderhoud van de nieuwe begraafplaats, zeer gering zijn, bestaande alleen in den onderhoud van de voetpad, het hek en zuivering der sloten, dat uit de provenue van het afgemaaid wordende gras kan gevonden worden, en ook uit het boomgewas
Op de begraafplaats staand, terwijl die onkostenjaarlijks niet wel kunnen bepaald worden, evenwel hebben wij in bijgaande Staat een som daar voor gemeld, welke overeen zal komen, met het provenue van het gras, waardoor de inkomende regten van verhuur van bijzonder begraafplaatsen als eene tegemoetkoming voor het gemis vandat gedeelte weide, in de stads inkomsten kan worden beschouwd, en als zodanig in de Stads rekening jaarlijks zoude kunnen verantwoord worden.
Den 11 Decb.1832

Aan de Heer Kapt: Snijder
Te Middelburg
Onderwerp: Schutterij
Op UEG Missive van den 28.Novb.l.l.no 88 noch een antwoord verschuldigd zijnde verlange ik bij deze daarvan te voldoen .UEG bevreemding dat het bestuur alhier aan schutters vrijstelling heeft verleend, omdat zij tot den brandspuit behoorden zal wel bevredigd worden, bij het inzien der Wet, die UEG erkend niet te kennen, daar hij art:5 paragraaf 1 der Wet van den 1 April 1827 (St.bl no 17) wordt gezegd dat die van de nacht wacht of brandspuit in tijd van vrede niet tot de Naawerving van den dienst bij de schutterij worden opgeroepen, waarom de zodanige bij de Loting daarop gereclameerd hebbende zonder meer, niet in dienst zijn gesteld geworden.
Dat wat hun inlijving betreft om dan na 10 jaren dienst te worden ontslagen, van geen nut is, ten minsten van die in vorige karen hebben geloot, daarbij art:86 van dezelfde wet word bepaald, dat die hun 34 jaren volbragt hebbende, des begerende finaal kunnen worden ontslagen.
Dat de aan hun uitgereikte wapens niet bevallen, doch ik geen andere aan hun kan bezorgen.
Alleen blijft eene zwarigheid, en die bestaat hier in dat nu enkelde zoo als P.Kraamer, die voor de militie is afgekeurd en P.L. Crucq die wegens zwak ligchaamsgestel reclameert, en bevorens niet, als hun dienst bij de brandspuit hebben opgegeven, nu gaarn die reclamatiën wenschte te doen gelden., doch daar de Commissie daarvoor maar in de maand Junij vaceerd, en nu geen speciale order heeft, zie ik mij buiten de mogelijkheid, om deswegens aan hun verlangen te voldoen, kan UEG om de door hun bijgebragte redenen hun ontslaan, ik mag het lijden, en zal mij daarmede te vreden houden.
Met ware hoogachting, heb ik d’Eer te zijn
UEG DW Dienaar
De Burgemeester van Arnemuiden
Corn:Dan; Baars
Den 11 Decb.1832

Aan de Heer Controleur te Middelburg
Onderwerp: Kohier grondl:
Laatste kw: 1832
Ik heb de eer UEG te berigten dat de gewone bekendmaking van het op gisteren nevens UEG missive van den 10e dezer no 211 bij ontvangen Kohier der grondlasten mijner Gemeente over het laatste kwartaal dezes jaars op heden is gedaan, en hetzelve dadelijk ter invordering aan dhr ontvanger zal worden verzonden.
Den13 Decb: 1832

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: Schutterij

Bij Uw Excie dispositie van den 8 dezer maand no:13649. 1 afd een Rekwest van Maria Schoenmaker, huisvrouw van J.B.S. Marthijn sergt. Bij de 3 Komp: 2 Batt: Zeeuwsche Mobiele Schutterij, houdende verzoek om daar bij vermeld redenen haar man uit den dienst mogt worden ontslagen, in onze handen gesteld zijnde, om Uwe Excie te dienen van berigt en advies.
In voldoening daar aan hebben wij de eer uwe Excie te berigten dat na ingewonnen informatiën ons is gebleken voorschr: Marthijn door den gepatenteerde commissionair Quadekker wonende te Middelburg is aangenomen, om als Plaatsvervanger bij de Mobiele Schutterij te dienen, en wel zoo lang als den Koning dien dienst vorderde, en dat denzelven werkelijk den dienst als Plaatsvervanger vervuld voor P.Wisse, zoon van L. Wisse, lid van den Raad dezer gemeente,
En aangezien voorschr: geremplaceerde in geen betrekking tot denzelven staat, daar hij door en voor Rekening van gem: Quadekker is aangenomen, en daarbij gem: Marthijn zich heeft verbonden om dien dienst waar te nemen, waarvoor hij de geaccordeerde gelden schijnt ontvangen te hebben, zoo zijn wij van gedachte denzelven in den dienst behoord te blijven tot tijd en wijle ZM hem daar van zal komen te ontslaan, terwijl wij dat rekwest de eer hebben hier bij aan Uwe Excie te doen terug bekomen?
Den 14.Decb 1832.

Idem
Onderwerp: Landstorm
In voldoening aan Uwe Excie besluit van den 28 Novb l.l. (P.B.no 136) betrekkelijk de oproeping ter inschrijving van den Landstorm hebben wij de eer Uwe Excie nevens deze te doen toekomen
1e een opgave van het getal der voor den Landstorm ingeschrevene Dienstpligtigen in onze Gemeente, tot op de prov: sluiting van dat Register, als hebbende zich tot heden geen vrijwilligers opgedaan.
2e Eene opgave van de alhier aanwezige wapenen behoorende aan het Rijk, en aan sommige Ingezetenen, om daarvan gebruik te maken.
3e Een naam Staat van geschikte persoenen om bij den Landstorm eenig bevel als Officier op zich te kunnen nemen.
Den 16 Decb.1832

Aan den Kerkenraad van Arnemuiden
Onderwerp: benoeming diakenen
Wij hebben de eer Uwe Excie bij deze kennis te geven dat uit het dubbeltal door UwEerw; bij missive van den 16e dezer maand voorgedragen personen tot diakenen voor de aftredende zijn benoemd de personen van Jacobus Meerman Gz en Cornelis Jobse
Met verzoek genoemde persoenen daarvan kennis te geven en dezelve vervolgens naar kerkelijk gebruik in die bediening te bevestigen
Den 20 Decb 1832

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: verzoek om autorisatie
Onvoorziene uitgaven
Overeenkomstig UEGA besluit van den 14 dezer maand no 20 hebben wij het Armbestuur dezer gemeente aanvrage gedaan, tot de voldoening van den helft van het verschuldigde voor verplegingskosten van weezen over 1832 in de kol: der Maatschappij van Weldadigheid hun bevindende.
Het zelve bestuur heeft onvermogen daartoe doen blijken , daar het zelve geene revenuen en inkomsten heeft dan de Collecten dewelke weinig opleveren, daar door de aanhoudende ziekelijken toestand van de Leeraar iedere Zondag maar eenmaal openbare godsdienst zijnde, de collecten min dan gewoon opleveren, terwijl daar uit wekelijks 25 à 26 moeten bedeeld worden, en mitsdien ons verzogt om tot voldoening van die schuld door een extra subsidie te worden in staat gesteld.
En daar wij van het vorengem: overtuigd zijn, zo verzoeken wij UEGA om autorisatie, ten einde aan het genoemde bestuur uit de onvoorziene uitgaven van dit jaar eene subsidie van f.50—te mogen verleenen.
Ook zien wij ons verpligt UEGA te verzoeken om uit genoemde onvoorziene uitgaven eene som van f.42;71 te mogen gebruiken tot voldoening van het verschuldigde in de grondlasten over het laatste kwartaal van dit jaar daar die bedragen volgens het billet van kennisgeving de som van f.45, 31
En voorzegels ---,21
Te zamen f.45,52
Terwijl op de begrooting, maar daarvoor is bepaald f. 12
En reeds betaald 9,19

En alzo maar disponbel de som van 2, 81
Waardoor een tekort van f.42, 71
Zoo als hier voren is gemeld benodigd te zijn om die schuld te kwijten
Den 20 December 1832

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Landstorm
In voldoening aan art:5 van Uwe Excie besluit van den 28 Novb: l.l. ( PB no 136) hebben wij de eer nevens deze aan uwe Excie te doen toekomen eene opgave van het getal Ingeschrevenen in deze Gemeente voor den Landstorm , na de Prov: sluiting van het daarvoor bestemde Register op den 15 dezer maand, terwijl tot heden geen vrijwilligers zich hebben aangegeven.
Den 23 Decb: 1832

Idem
Onderwerp: geldleening
Wij hebben de eer aan Uw Excie te doen toekomen een gecertificeerde opgave van het totaal bedrag waar voor binnen onze gemeente is ingeschreven in de vrijwillige geldleening, vastgesteld bij de Wet van den 22 Novb.l.l. (St.bl. no 54) en zulks in voldoening aan uw Excie circulaire van den 4 dezer maand (PB no 138)
Den 26 Decb.1832

Aan de Heer Agent
Onderwerp: geldleening
Ik heb de eer aan UEG te doen toekomen een afschrift van het Register van Inschrijving in de vrijwillige geldleening, vastgesteld bij de Wet van den 22 Novb l.l (St.bl. 54) en zulks in voldoening aan de circulaire van Zijn Excie den Heer Gouverneur dezer provincie van dezen maand(PB no138)
Den 26 Decb 1832

Vlissingen, den 29 December 1832
Onderwerp:Telegrafische gemeenschap
Met leedwezen ontvang ik van den Seinmeester Piahal te Arnemuiden berigt dat hij geene inwoning in UEA gemeente kan bekomen en UEA daar naar niet zoude zien doch dat nog toe geen besluit ontvangen heeft.
Ik heb de eer UEA te kennen te geven dat de Seinmeesters de Telegrafische persoonen zijn welken in ‘s Rijks dienst staan endat het de pligt van de Stedelijke besturen is, zoodanige personen hulp en bijstand te verleenen.
Dienten gevolge verzoek ik UEA om zoolang den Seinmeester geene woning heeft den zelve te willen inkwartieren zullende in het geval dat dit niet door UEA gedaan wordt, door mij daarvan kennis gegeven worden aan Zijne Excellentie den Gouverneur van Zeeland met verzoek om te willen zorgen dat ’s Rijks belangen en dien persoon te Arnemuiden meer behartigd mogen worden.
De Directeur der Telegrafische Gemeenschap in Zeeland
Handtekening

Aan de Heer Directeur der Telegrafische Gemeenschap
In Zeeland
Onderwerp: Telegraphische Gemeenschap
In UEG missive van gisteren heden bij mij ontvangen, zegd UEG met leedwezen het berigt van den Seinmeester Piahal ontvangen te hebben, houdende dat hij alhier geene inwoning kan bekomen ik daar naar uit zoude zien, doch hij tot heden toe van mij geen berigt ontvangen heeft, met herinnering aam mijne verpligting, en een verzoek dat met eene bedreiging wordt aangedrongen.
Het eerste gedeelte van dien brief alleen zullende beantwoorden , zoo moet ik UEG betuigen, dat ik met geen minder leedwezen zodanige onwaarheden heb vernomen als een rijksdienaar UEG heeft goedgevonden te berigten- de waarheid bestaat hier in:
Dat die Seinmeester vrijdag op de middag bij mij is gekomen, en te kennen gegeven, hij geen logies kon bekomen, dat hij de eerste nacht in een visschuit hadt geslapen en de tweede in de woning van den adsistent Seinmeester, en mij verzogt hem behulpzaam te willen zijn, opdat hij een slaapstede bekwam, daar hij dien avond een woning zoude huren, zijn huisvrouw in de volgende week hier zoude komen, en zich in de kost zoude houden bij Dillewarde, terwijl hij bereid was voor zijn nachtverblijf het verschuldigde te voldoen.
Ik heb daarop gezegd, dat ik daar na zoude laten zien en hem berigt doen geworden.
Dienzelfden dag heb ik daar aan voldaan , en de stadsbode heeft mij berigt, hij in de herberg de Vier Winden kon logeren, dat ik de bode heb bevolen die man te berigten, en het gevolg daar van is geweest, dat hij, zoo als ik heden ben onderrigt geworden door de vrouw uit de herberg, dat de Seinmeester daarvan dadelijk gebruik heeft gemaakt; en hoe dit nu over een te brengen is , met zijn berigt aan UEG, daar op versta ik mij niet, en zal liefst daar over niet oordeelen, maar gerust aan UEG nader overweging overlaten
Den 30.Decb. 1832

Aan Heeren GS
Onderwerp: verplegingskosten bedelaars
& weezen
In voldoening aan UEGA Res: van den 14 dezer maand no 20 betrekkelijk de voldoening van den helft van het door onze gemeente en Armen vermoedelijk verschuldigde wegens verplegingskosten etc van bedelaars en weezen over 1832, hebben wij reeds op den 20 dezer de betaling daarvan bij dhr Ontv: Macaré gedaan, dan tot heden geene quitantie kunnen bekomen, daar gem; ontv; ons heeft berigt, daarvan noch geene opgave bekomen te hebben en waardoor wij ook buiten staat zijn gesteld om aan den verdern inhoud ven Gem: Res: te voldoen, waarvan wijj gemeend hebben UEGA te moeten kennis geven
Den 31 December 1832

1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Staat handtekening Burgemeester etc
Nat:Militie
Hierbij heb ij de eer Uwe Excie te doen toekomen de Staat in triplo opgemaakt van mijne handteekening, zoo mede die van mijne plaatsvervanger en twee leden uit den Raad, ten einde door Uwe Excie tot de teekening der attesten voor de Nat:Militie van dit jaar te worden gequalificeerd
Den 4 Jan: 1833

Aan Heeren GS
Onderwerp: Verplegingskosten etc
Bedelaars en weezen
Heden bij ons ontvangen zijnde de quitantie van het door ons op den 20 Decb j.l. bij den Heer Ontv: Macaré betaalde voor verplegingskosten etc voor bedelaars en weezen over 1832, hebben wij de eer dezelve nevens een afschrift daarvan aan UEGA te doen toekomen daar bij moeten wij UEGA te kennen geven dat door ons aan gen: ontv: is opgegeven voor verplegingskosten etc voor bedelaars de som van f.96,02
En voor weezen de som van 47,50
f.143,52
Waarvoor wij evenwel maar eene quitantie hebben bekomen
Den 4 Jan: 1833

Aan de heer Gouverneur
Onderwerp: Personeel van het bestuur
Wij hebben de eer Uwe Excie te berigten dat in den loop van het laatste kw: van 1832 geene verandering in het personeel van het bestuur dezer gemeente is voorgevallen dat de door ZM benoemde secretaris C.J. Baars in die kwaliteit is beEdigd en gïnstalleerd geworden en gedurende deszelfs afwezigheid de Burgemeester met de aan dien post verbondene werkzaamheden en de wethouder de Marée met het teekenen der stukken bij acte van Heeren GS van den 9 novb: 1832 no 13 zijn belast, terwijl de bij Resolutie van welgem: Heeren GS van den 8 Junij te voren benoemden Plaatselijken Ontv: gem: C.J. Baars hoe zeer reeds de gevorderde Borgtogt hebbende gesteld als zodanig noch niet is beEedigd geworden, waar toe de nadere order van UEGA wordt ingewacht
Den 4 Jan: 1833

Idem
Onderwerp: Weering bedelarij
Wij hebben de eer Uwe Excie te berigten, dat in onze gemeente een aanhoudend toezigt tot wering der bedelarij plaats heeft, en dat in de nu verloopenen drie maanden geen bedelende personen alhier zijn ontdekt of voor ons gebragt geworden
Den 4 Jan: 1833

Idem
Onderwerp: Maten en gewigten
Wij hebben de eer Uwe Excie te berigten dat in onze gemeente een naauwkeurig toezigt wordt gehouden op het gebruik van de nieuwe Ned:Maten en gewigten en dat tot heden geene overtredingen op de deswegen bestaande verordeninge zijn ontdekt geworden
Den 4 Jan: 1833

Idem
Onderwerp: Staat Broodzetting
Nevens deze hebben wij de eer aan Uwe Excie te doen toekennen de Staat der Broodzetting over de laatste drie maanden van het afgeloopen jaar 1832 zoals die na opgave der marktprijs van de granen alhier is geregeld geworden, overeenkomstig het besluit van Heeren GS van den 2 Mei 1828 (PB no 78)
Den 4 Jan: 1832

Idem
Onderwerp: Fabrieken en Werkwinkels etc
Wij hebben de eer Uwe Excie te berigten dat gedurende het vorig jaar 1832 geene verandering is voorgevallen in de Fabrieken of werkwinkels welke in deze gemeente worden gevonden, dan alleen dat eene Zoutkeet die eenigen tijd heeft stilgestaan is afgebroken, doch dadelijk weder opgebouwd en in werking gebragt
Den 4 Jan: 1833

Idem
Onderwerp: Stierhouder en Keurmeester
Naar aanleiding van het bepaalde in het Reglement op de Stierhouders en Keurmeester van den 20e April 1817, hebben wij de eer Uwe Excie te berigten, dat alhier thans noch dezelfde persoon A. Boogert stierhouder is, en dat met betrekking tot de Keurmeesters geene verandering is voorgevallen
Den 4 Jan: 1833

Aan Heeren GS
Onderwerp: Landwachten
Overeenkomstig eene aanschrijving van ZExcie den Heer Gouverneur dezer Provincie in dato 19 September 1832 A no 10610 ½ 1 afd: betrekkelijk het behoorlijk in staat houden van de alhier in der tijd uitgereikte wapenen aan de Landwacht, en dat daar aan mogt ontbreken te doen herstellen, hebben wij na inspectie met den heer bevelhebber over de Landwacht onzer gemeente daar aan voldaan, gelijk wij bij onzen brief aan ZExcie van den 17 Oct:j.l. hebben berigt gedaan.
De kosten van reparatiën aan eenige geweren bedragen volgens eene bij ons ontvangene nota f.10,80
En daar op onze begrooting over 1832 daarvan geen post is gealloueerd verzoeken wij Uwe HEGA autorisatie om die som uit de onvoorziene uitgaven van dat jaar te mogen uitbetalen.
Den 8 Jan: 1833

Idem
Onderwerp: grondlasten
Bij UHEGA resolutie van den 28 DEcb:1832 no 14 houdende autorisatie om uit de onvoorziene uitgaven van dat jaar het verschuldigde bedrag der grondlasten voor de plaaselijke Eigendommen te voldoen, ons uitgenoodigd ziende aan HEGA op te geven waar aan de aanmerkelijke vermeerdering dezer grondlasten is toe te schrijven; hebben wij deze in voldoening daaraan UEGA te kennen te geven dat de redenen daar voor bestaan
1e dat de weiden en dijken weinig of niet in de grondlasten waren aangeslagen.
2e dat de taxatie of huurwaarde veel hooger is gesteld, en waarvoor in het algemeen ook met betrekking van de gebouwde Eigendommen in onze gemeente geklaagd wordt en
3e dat nooit van wallen of van het veer of waters eenige grondlasten zijn gevorderd geworden
Den 8 Januarij 1833

Aan de Heer Gouverneur
En aan de Prov: Geneeskundige Commissie
Wij hebben de eer Uwe Excie/Uwe Ed: te berigten dat bij ons geene rapporten zijn ingekomen dat gedurende de nu verloopenen drie maanden iemand in onzen gemeente is gevaccineerd geworden of dat de kinderziekte alhier heeft geheerscht
Den 8 Jan: 1833

Aan de provinciale Commissie van Landbouw
Onderwerp: Hengsthouder
Ik heb de eer in voldoening aan art: 14 der Publ: van Heeren GS van den 20 Jan: 1817 bij deze aan UEG te doen toekomen , een bewijs van Adriaan Adriaanse Landman in mijne Gemeente waar bij denzelven te kennen geeft, het voornemen te hebben van dit jaar weder een hengst te houden
Den 9 Jan: 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: Verbaal Stedelijke kas
Wij hebben de eer nevens deze aan uwe Excie te doen toekomen een verbaal van onze bevinding van den Staat der Stedelijke kas, volgens de bestaande verordening door ons heden opgemaakt en geteekend
Den 9 Jan: 1833

Aan Heeren GS
Onderwerp: akten van chargement
Bij eene missive van Z:Excie den Heer Gouverneur dezer provincie van den 19 Decb: j.l. A no 13801/ 2 afd: aan ons kennis gegeven zijnde dat door Z:Excie 2 acten van chargement ten laste onzer Gemeente aan den Heer Ontv: der Registratie te Middelburg waren gezonden ter invordering als een wegens transportkosten van bedelaars ad f.54—en eene van vervangingskosten mede van bedelaars ad f.45—met verzoek om voor de betaling dier som te zorgen, waar aan zo dra mogelijk door ons is voldaan geworden.
Dan daar noch de som voor alimentatie van bedelaars noch die van onvoorziene uitgaven over 1832 meerder toelaten die som daar uit te voldoen, of de nodige autorisatie te verzoeken:
Zoo nemen wij de vrijheid UEG eerbiedig te verzoeken dat gem: sommen te zamen f.99—ter regularisatie op de begr: van 1833 mag worden gebragt.
Dat verzoek zoude vroeger hebben plaats gehad, doch wij meenden dit niet bij de kennisgeving van het verschuldigde, maar bij de ontvangst van de acten van chargement zulks mogt gedaan worden, dat wij voor het vervolg zullen in acht nemen.
Den 9 Jan: 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: quitantiën transport en vervangingskosten etc
Wij hebben de eer aan Uwe Excie bij deze te doen toekomen twee quitantiën met copie van dezelve wegens door ons betaalde transportkosten van bedelaars à f.54 en van vervangingskosten van dezelven ad f.45—en zulks in voldoening aan uwe Excie aanschrijving van den 19 DEcb.1832 A no 13801 2 afd.
Den 10 Jan: 1833.

Idem
Onderwerp: Tijd van geboorte J. Tange
In antwoord op Uwe Excie missive van den 8 dezer maand A no14258 2e afd. betrekkelijk de tijd van geboorte van de wees J.Tange, hebben wij de eer uwe Excie te berigten dat door ons aan het slot van onzen brief aan uwe Excie van den 5 Sept 1832 no 91 is te kennen gegeven, dat de datum van geboorte, van gem: meer aan de voet van Uwe Excie missive van den 27e ?? tevoren no 9518 2 afd, gemeld den 8 febr: 1830 niet juist is , maar het jaartal 1820, zoals het werkelijk is zijn moet en dat dit denkelijk een schrijfout is dat overeen zal komen met de stellige verzekering van gemelde wees J. Tange
Den 11 Jan: 1833

Aan den HoogEd: Gestrenge Heer Directeur Generaal
Onderwerp: om uitbetaling betrekkingen vrijwilligers
Aan het Dep: der Marine is het bekend dat tijdens de oproeping tot de algemeene wapening ten jare 1830 ook 14 vrijwilligers uit de Gemeente Arnemuiden Prov:Zeeland zich aan gegeven hebbende, de meeste hunner dadelijk op ZM fregat de Minerva te Vlissingen zijn geplaatst, en onafgebroken op de kannoneerb: destijds voor Antw: gestationeerd tot verdediging van het vaderland dienstbaar zijn geweest de zoo evengem: vrijw: hebben maandelijks een gedeelte van het door hen verdiend wordende gagement voor dezelve betrekkingen laten storten, welk gedeelte dan ook aan laatstgen: door tusschenkomst der adm: van in het Hoofd dezes genoemde fregat geregeld tot de maand November ingesloten maandelijks uitbetaald is.
Door het gevangen nemen der matrozen voor Antwerpen gestationneerd zijn dan ook de vrijw: van Arnemuiden bij de ontruiming der Citadel van Antwerpen mede naar Frankrijk gevoerd, waardoor de betaling is vervallen, welke maandelijks aan de gen: betrekkingen der vrijw; geschieden .
Van laatstgen: zijn volgens ontvangen berigten nog de 7 volgende in leven als:
F. de Nooijer, G, de Quelerij , M.Schroevers, J. de Quelerij , K.B. de Gruiter, M. van Belzen en M.A. Schroevers,
Welke alle betrekkingen van ouders, vrouwen of kinderen hebben nagelaten, die in diepe armoede verkeeren, en als nu verstoken zijn van hetgeen hun bevorens werdt uitgereikt.
In het vertrouwen dat ook op de zoo evengen; zal worden toegepast ZM besluit van den 6 dezer maand, waarbij is bepaald dat aan de betrekkingen der krijgsgevangenen een gedeelte van het bevorens door hun genoten gagement zal worden ujitbetaald, zij het mij in het belang der gen: Ingezetenen mijner gemeente vergund te verzoeken dat even zoo als zulks tot hier toe heeft plaatsgehad het deel, hetwelk aan voorz; betrekkingen door tusschenkomst der adm: van ZM fregat de Minerva uitbetaald werd, zonder verder korting over Decb: en bij voortduring maandelijks op dezelfde wijze mogt uitbetaald worden, zonder hetwelk de meeste der gen: betrekkingen zeer veel zouden lijden in hun bestaan dat zonder hetzelve zeer gering is, te meer daar de visscherij het eenig middel van bestaan der Ingezetenen dezer gemeente door de omstandigheid destijds geheel is gestremd geworden.
Den 14 Jan: 1833

Aan den HEG heer Directeur Generaal der Marine à ’s Hage
Onderwerp: over Jobsen
De Persoon van Job Jobsen , welke in de maand decb 1830 als vrijwilliger uit deze gemeente bij de Armade op de Schelde als matroos heeft dienst genomen, is op den 12 Aug: 1832 op ZM kannoneerboot no 24 overleden.
Volgens informatie mij door de adm; van ZM fregat de Minerva medegedeeld , competeert gen; overledene Jobsen blijkens een nota hier bijgevoegd wegens veroop zijner kleederen de som van f.14,39.
De nagelatene moeder zusters en broeders van den overledene zeer armoedige menschen zijnde, hebben mij verzogt het nodige aan te wenden ten einde die gelden aan hun mog worden uitgereikt, en in het belang van dezelve, zij het mij alzo vergund te verzoeken, de autorisatie daartoe door het Dep: van Marine werd verleend.
Ik neem de vrijheid daar bij te voegen een certificaat, aanduidende wie met uitsluiting van alle anderen tot de ontvangst van die gelden geregtigd zijn.
Den 14e Jan: 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Schutterij
Het Rekwest van P. Kraamer alhier woonachtig; en behoorende tot de reserve Schutterij 3e ban dezer gemeente aan Uwe Excie gepresenteerd, houdende om daar bij gem: redenen verzoek om ontslag door Uwe Excie bij dispositie van den 12e dezer maand A no 404 1 afd. om berigt, consideratiën en adres in onze handen gesteld zijnde.
Zoo hebben wij de eer met terugzending van het zelve en bijlage, in voldoening daaraan uwe Excie te berigten dat den Rekwestrant bij de Loting van de Schutterij geene andere reclames heeft ingebragt, dan dat hij dienstbaar was aan de brandspuit en dien ten gevolge overeenkomstig art 3 paragraaf L der Wet op de schutterijen van den 11 April 1827 van de dienst bij de Schutterij is vrijgesteld geworden, gedurende de tijd van vrede, doch nu met meer anderen in de gemeente is opgeroepen, om den gevordenden dienst te presteren.
En dat wij van meening zijn, gelijk wij den verzoeker voor het indienen van het rekwest mondeling hebben te kennen gegeven, dat hij die reclame bij deszelfs Loting hadt behooren in te dienen, als nu dit zoude kunnen doen aan de Commissie van onderzoek welke daar voor volgens art:15 der gem; wet van dit jaar zal worden benoemd, zoodra dezelve volgens te doene bekendmaking daar toe zitting zal houden, en zeer waarschijnlijk als van de Nat: Mil: afgekeurd ook ontslag zal erlangen.
En deze onze gedachten zij het ons vergund aan uwe Excie nader goedvinden te onderwerpen.
Den 21 Januarij 1833

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: gealimenteerde kinderen
Wij hebben de eer in voldoening aan UEGA besluit van den 4 dezer maand betrekkelijk de gealimenteerde weezen welke in de termen verkeeren van naar Veenhuizen te worden opgezonden, bij deze aan UEGA te doen toekomen , een nominative staat der weezen, welke door het gesubsidieerd wordende Armbestuur dezer gemeente gealimenteerd worden;
Waaronder wij de verEischte verklaring hebben gesteld terwijl geen andere Arminrigting dan het genoemde alhier bestaat
Den 21 Januarij 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: Staat bevolking
Wij hebben de eer nevens deze aan Uwe Excie te doen toekomen, de Staat van bevolking dezer stad zooals die was op den 31 decb: 1832 , zoo mede de Staten van geboorte en Sterfte met de daar bij behoorende tabel van het vorige jaar, terwijl in den loop van dat jaar zeven huwelijken alhier zijn voltrokken, en geen Echtscheiding heeft plaatsgehad
Den 22 januarij 1833

Aan de Heer kommanderende Officier van de 1e komp; 2 Batt; Zeeuwschen Mobiele Schutterij
Onderwerp: Attest Actviteit
Daar voor de personen van Jacob de Ridder en Pieter Barto, beide als schuter dienende bij de Komp; van UEG de laatst gen: als plaatsvervanger van Jan de Hamer, aan de Militie Raad dezer Provincie een attest dat zij noch werkelijk zijn dienende moet worden overgelegd, zo neme ik de vrijheid UEG te verzoeken , daar van aan mij de gewone attesten te laten toekomen.
Den 28 Januarij 1833

Aan het departement van ZM Marine
Te Vlissingen
Onderwerp: Attesten van activiteit
Daar voor de personen van K.B. van de gruiter, J. de Quelerij, Marinus Schroevers , G. de Quelerij en H.Buster, allen matrozen vrijwillig gediende hebbende op ZM Kann: booten gestationneerd geweest voor Antwerpen, thans zoo ik meen als krijgsgevangene naar vrankrijk vervoerd, except laatstgen: dewelke mij gezegd is in een gevegt zijnde zijn gesneuveld, aan de Militie Raad van deze Provincie bewijs van hunnen werkelijken dienst of van overlijden moet worden overgelegd.
Zoo neme ik de vrijheid UEG te verzoeken mij zodanige attesten te laten toekomen.
Den 28 Jan: 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: Nat: Mil: Inschrijv: Reg:
& Alph: Lijst
Ik heb de eer aan Uwe Excie te doen toekomen het Inschrijvings Register en Alphabetische lijst van de manspersonen in 1814 geboren, en tot deze gemeente behoorende, dewelke aan de Loting van de Nat: Militie van dit jaar moeten deel nemen; terwijl geene vrijwilligers voor de Nat: Militie hun hebben aangeboden, en ook geene aanvragen van reeds dienende tot bekoming van vrijstelling bij mij zijn ingekomen.
Den 31 Jan: 1833

Idem Onderwerp: Kadaster.
In voldoening aan Uwe Excie besluit van den 7e dezer maand (PB.no 5) houdende voorschriften tot rectificatie der verkeerde op naamstelling in de kadastrale leggers en Kohieren, hebben wij de eer nevens deze aan uwe Excie te doen toekomen de door ons met de Zetters dezer gemeente opgemaakte lijst van de veranderingen, welke op die leggers en dat Kohier van deze gemeente behooren plaats te hebben, die door ons is opgemaakt, voor zoo ver ons en Zetters kennelijk was, en het Register van Eigendoms veranderingen ons heeft aan de hand gegeven aangezien zeer weinige opgaven dien aangaande bij ons zijn ingekomen.
Den 31 Jan: 1833

Aan de Heeren bevelhebbers van het Depôt 2 afd: Inf: Nat: Militie te Alkmaar
En 6 Batt: Artillerie Nat: Militie te Bergen op Zoom
Onderwerp: Attesten Activiteit

Ik heb de eer UEG te verzoeken van aan mij te laten toekomen een attest van activiteit van den milicien
Jan de Ridder fus. Bij de 2e afd. Inf Nat.Militie van de Ligting van 1828 op het Stamboek onder no 15905 bekend.
Abraham Theune kann. Bij de 1 Komp. 6 Batt artillerie Nat. Mil. Van de ligting van 1829
Dat door zijn broeder Jo Adriaan bij de militei Raad dezer Provincie moet worden overgelegd.
Den 30 Jan. 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp. Dir. belastingen kadaster
In voldoening aan het besluit van Uwe Excie van den21 Jan. Dezes jaars P.B. no 10 betrekkelijk de overgang van vaste goederen van de eene gemeente tot de anderen hebben wij de eer Uwe Excie te berigten, dat bij de kadastrale delimitatie onze Gemeente, voor zoo ver ons bekend is en wij hebben kunnen nagaan, geene vroeger aan dezelve behoord hebbende eigendommen, aan eene der naburige Gemeenten zijn toegevoegd.
Den 1 Febr.1833

Aan den kommanderende off. Van het Detachement 3 Batt:
Afdeeling ZM Schutterij te Vlissingen.
Onderwerp: kleeding en Wapening J.Jobsen
Bij een missive van den Hr Kap. Gobius komm. Se 2e Komp. ZM Schutterij van den 29e der vorige maand no 4 waarbij het ontslag van den schuter Job Jobse in deze gemeente wonende was gevoegd ben ik verzogt om te willen zorgen dat de kleeding en wapening van gem: Schutter werd ingeleverd , zoo heb ik de eer UEG te berigten dat denzelve de kleeding en wapenen bij mij heeft bezorgd, daar hij wegens ziekelijken toestand niet in de mogelijkheid zich bevind, om die in persoon te Vlissingen over te brengen, en mag ik alzoo UEG verzoeken die te laten afhalen of mij te berigten op welke een wijs ik die UEG kan doen toekomen.
Den 2 febr 1833

Aan Z:Excie , de Directeur.Generaal voor de Marine
Onderwerp. Betrekkingen krijgsgevangene Matrozen
Ter voldoening aan den inhoud Uwe Excie missive van den 30e Jan: j.l. heb ik de eer Uwe Excie hier nevens toe te zenden eene nom. Staat der namen en graden van bloedverwantschap der betrekkingen van de zich in krijgsgevangenschap bevindende vrijwillig gediend hebbende matrozen uit de gemeente Arnemuiden, met opgaaf van het bedrag der laatsgem: voor hunne betrekkingen, uit de maandelijksche gagie afgezonderd terwijl ik daar bij tevens de vrijheid neem gen. Betrekkingen Uwe Excie welmeenend aan te bevelen, ten einde zij ook in het genot van ZM gunstige beschikkingen omtrent zodanige betrekkingen zoude mogen deelen.
Het heeft mij overigens leed gedaan uit voorschr. Uwe Excie missive vernome te hebben dat de betalingen tot Novb. 1832 aan de betrekkingen van voorz: vrijwilligers gedaan geheel tegenstrijdig aan de ten deze bestaande bepalingen is geschied , hetgeen zeker niet zoude hebben plaats gehad wanneer die bepalingen mij waren kennelijk geweest.
Deze uitbetaling ondertusschen is op speciaal verlangen van de vrijwilligers zelve geschied , en door hun als het ware bedongen bij derzelver dienstneming.
Inmiddels kan ik uwe Excie de verzekering geven dat de betrekkingen dier vrijwilligers zeer geregeld en zonder de minste korting maandelijks het hun toegeschikte geld van de adm. Van ZM wachtschip Minerva ontvangen hebben, en gezegde betrekkingen eenen duurzamen dank aan de adm: van het zoo evengem: Fregat verschuldigd zijn voor den belangloozen ijver waarmede in deze voor de zeer armoedige Ingezetenen mijner gemeente is gezorgd geworden.
Ik vleije mij dat het een zoo wel als het ander tot verschooning zal kunnen strekken, bij aldien ook in deze iets tegen de bestaande verordeningen mogt geschied zijn, terwijl ik in het belang mijner armoedige ingezetenen mij volgaarne aanbiede om voor hun zodanige verzorgingen uit te voeren, als van mij in billijkheid zoude kunnen verlangd worden, zullende het mij hoogst aangenaam wezen, te vernemen, dat de door mij aangewende poging met eenen gunstigen uitslag zal mogen achtervolgd worden.
Den 5 febr. 1833

Opgezonden Staat van de vrijw. Matrozen in Vrankrijk krijgsgev. En hetgeen maandelijks aan de betrekkingen is uitbetaald
Opm. alhier moet aangemerkt dat het geld door de betrekkingen maandelijks genoten nu en dan eenigsints in betrekking stond met een gedeelte der plunjes welke van de vrijwilligers moest worden ingehouden
Frans de Nooijer f.10 Maria de Marée eige moeder
Gerardus de Quelerij f.5 Grietje de Ridder idem
M. Schroevers 7 Catharine Giffard halve zuster
J. de Quelerij 5 Grietje de Ridder eige moeder
J.L. Blaasse 10 Krina Lievense Meulmeester eige moeder
M van Belzen 10 Krina Mar. De Nooijer wettige vrouw –
M. Schroevers 10 Adriana de Ridder eige moeder
Aldus opgemaakt door de Burgemeester van Arnemuiden
Den 5 Febr. 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: Staat Wolvee
Wij hebben de eer in voldoening aan Uwe Excie circulaire van den 13 Junij 1829 (PB no70) nevens deze aan Uwe Excie te doen toekomen een staat aanwijzende het wolvee op den 1e dezer maand in onze gemeente aanwezig
Den 5 Febr: 1833

Aan dhr Gedelegeerde van het toezigt op de veldwachters in het 1e district der Provincie Zeeland
Onderwerp: Dienst veldwachter
Ingevolge het bepaalde bij art: 59 van het Regelement van den 26 Junij 1829 no 35- heb ik de eer uwe Excie te berigten dat de veldwachter mijner Gemeente bij voorduring met allen ijver zijne bediening waarneemt ; ik op zijn gedrag niet heb aante merken, en ook ten zijnen opzichte of deszelfs dienst niets heb veb voor te dragen
Den 6 Febr: 1833

Aan de Militieraad in Zeeland
Onderwerp: toezending attesten activiteit
Ik heb de eer aan de Militie Raad in Zeeland bij dezen te doen toekomen de attesten van activiteit van uit mijne gemeente vrijwillig dienende matrozen thans in Vrankrijk in krijgsgevangenschap hun bevindende
Als van
G. de Quelerij Lot; van 1829 getrokken hebbende no 8
Kl:Blaasse van de Gruiter Lot: 1832 no 16
Mar: Schroevers idem no 18
Jacob de Quelerij idem no 20
Den 8 Febr: 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: Landstorm
Wij hebben de eer in voldoening aan den inhoud van Uwe Excie circulaire van den 6e dezer (PB no 24) Uwe Excie te berigten dat van de ingeschreven voor den Landstorm in onze gemeente van den dienst bij denzelve, volgens het bepaalde van art:3 der wet van den 19 deccb: 1832(St.B no 58) in verband met het voorschrift gegeven bij het PB no 6 van dit jaar 4 personen zijn vrijgesteld.
Den 7 febr: 1833

Aan de Heer Burgemeester der stad IJzendijke
Zijne Excie den Hr Gouverneur dezer provincie mij hebbende doen toekomen deszelfs dispositie op het request van Maria Schoenmaker huisvrouw van B.J. Marthijn in dato 24 der vorige maand A no 696 1 afd met verzoek om dit stuk na daar van inzage te hebben genomen, aan de belanghebbende te doen uitreiken.
En aangezien die requestrante in UEA Gemeente is wonende, ben ik zoo vrij UEA te verzoeken die hier bijgaande dispositie aan dezelve te laten toekomen.
Den 7 Febr: 1833

Aan de Heer Majoor Kommandant van het 25e Batt: Landelijke reserve
Schutterij te Middelburg
Onderwerp: oefening in de wapenhandel
Ik heb de eer in antwoord op UEdG circulaire van den 8 dezer maand no1 betrekkelijk de geschikste en voordeeligste dagen in de week om de Schutterij in de wapenhandel te oefenen? UEG te informeren dat de helft der Leden van de Schutterij mijner gemeente tot de visschersstand behoren, welke gewoonlijk den Maandag naar Zee ter vischvangst uitvaren en eerst den Vrijdag thuis komen, zoodat voor die niet dan de Zaturdag overblijft, terwijl de overige Leden Ambachtlieden, gezellen of arbeiders zijnde, voor het meerderheid gelijk is welke dagen voor de exercitie bestemd worden, daar zij doch een gedeelte van die dagen zullen moeten verletten, enkele daar van hoe zeer niet dan tot hun nadeel kunnende waarnemen zou de Dingsdag en de vrijdag voor hun het geschiktste zijn.
Den 12 febr: 1833

Aan het Diaconie Armbestuur van Arnemuiden
Onderwerp: Arm Rekening 1831 en
Begrooting 1833
Ik heb de eer bij deze aan Uw Eerw: te doen toekomen de door Heeren GS dezer Provincie Goedgekeurde Rekening over het jaar 1831 en de begrooting voor dit loopend jaar.
Bij de Res: van Heeren GS waarbij de begrooting wordt gearresteerd, word tevens de Regering uitgenoodigd om toe te zien dat het Armbestuur zich stiptelijk naar die begrooting gedraagd, en dat de daarbij toegestane uitgaven , niet dan om zeer bijzondere redenen, en alleen na bekomen autorisatie overschrijden, als zijnde het naar aanleiding van art:14,15,,16, 17 van het besluit van de 8. Maart 1827 (PB no 40 de stellige intentie van HUGA dat geene excedenten van uitgaf op eenige posten der begrootingen, in de rekeningen van het Armbestuur worden geadmitteerd, of nog te doene uitgaven in dezelve worden geleden, indien daar voor de redenen bij art: 16 van gemeld besluit opgegeven niet bestaan.
Mag ik mitsdien Uw Eerw; verzoeken die bepaling in acht te nemen, en wel bijzonder den ontvanger dezelve aan te bevelen.
13 Febr: 1833

Aan de Heer Gouverneur
Onderwerp: Ontvangene Patent Zegels
Wij hebben de eer Uwe Excie den ontvangst te berigten van 8 stuks Patent Zegels gevoegd geweest bij Uwe Excie missive van den 14. Dezer maand A. no 1403 4 afd: welke voor de nieuwe aangiften van het patentregt volgens het bepaalde bij art:5 van ZM besluit d.d. 17 Decb: 1833 (StB no 57) voor de 4 eerste maanden dezes jaars bij raming voor onze gemeente benoodigd zijn geschat.
Den 19 Febr: 1833

Den Heer J.H. van Opdorp te Arnemuiden
Onderwerp: Inschrijving
Bij een bij mij ontvangene missive van ZExcie den Heere Staatsraad Gouverneur dezer provincie van den 22 dezer maand word gemeld:
Indien de heer van Opdorp nu nog mogt verlangen zijne gedane of voorgenomene inschrijving geadmitteerd te zien, mij daarvan als dan tevens door overlegging eener schriftelijke verklaring van dien belanghebbende te doen blijken.
UEd: dit mededeelende verzoek ik van UE: attente te worden onderrigt om aan het verlangen van Zijn Excie te kunnen voldoen
Den 23 febr: 1833

Aan de heer Gouverneur
Onderwerp: vrijwillige geldleening
In voldoening aan den inhoud van uwe Missive van den 22 dezer maand A no 758 2 afd. Betrekkelijk de door de heer van Opdorp gedane of voorgenomene Inschrijving in de laatste vrijwillige geldleening waaraan door mij geen gevolg zoude zijn gegeven heb ik de eer Uwe Excie te berigten:
Dat dat door mij evenals in de vorige geldleening de noodige order is gesteld om de billetten van Inschrijving aan die Ingezetenen welke ik meende konde of om hun te waarborgen voor schaden behoorden in te schrijven, rond te brengen, en die binnen acht dagen weder op te halen.
Onder de terug ontvangene, waar op niet was ingeschreven bevond zich die van gemelden van Opdorp en waar in geene inschrijving mede gedaan zijnde door mij nevens de andere niet ingevulde is ter zijde gelegd.
Vervolgens is bij den avond van den 15 Jan; dezes jaars de leerling van de heer van Opdorp bij mij gekomen uit naam van zijn meester mij vragende naar het bewijs van Inschrijving, en op de kennisgeving en vertoon van het billet dat zijn meester niet hadt ingeschreven heb ik een uur daarna een briefje ontvangen dat mij in de eerste oogenblikken geweldig aandeed dan bij eene nadere en bedaarde overweging, dat die man zich niet ontzien hadt, om zich tegen Heeren GS over eenige jaren te stellen, vervolgens tegen de Kerkenraad, Prov: Commissie van geneeskundig toevoorzigt, Proffessor de Jong, tegen de orde van de Landwacht, de verordening omtrent de bepalingen voor de cholera, indien die zich hier mogt openbaren en alzo van het begin zijner inwoning zich altijd gedragen als hier niet thuis behoorende, heb ik dat briefje ook maar laten rusten, als voor mij zelven overreed, dat ik gedurende een 35 jarige inwoning in deze Gemeente en geboren in oud Nederland de belangens van onz Dierbaar Vaderland, en in het bijzonder die van deze gemeente naar mate de kennis mij van God verleend te hebben behartigd.
Intusschen, daar Uwe Excie mij nu daar na vraagd, neme ik de vrijheid dat billet en briefje, dat ik anders maar zoude hebben laten berusten, in originali bij deze aan uwe Excie te doen toekomen, zoowel als het het antwoord dat ik van de heer van Opdorp op schriftelijke aanvrage in voldoening aan Uwe Excie voormelde missive van hem heb bekomen.
Meerder over die man uit te weiden zal ik niet; hij is en maakt zich genoeg bekend wien hij is, en dan zoude ik Uwe Excie die zoo vele gewigtige belangens behartigd, maar moeite aandoen, en mij voorganger kan, en zal zoo ik vertrouw Uwe Excie daar van bij gelegenheid wel eenig narigt mededeelen.
Den 26 Febr:1833

Idem
Onderwerp: Schutterij
Op Uwe Excie mededeeling bij missive van den 22 dezer maand A no 1812 betrekkelijk de ontslagene schutter Job Jobsen, vermeenen wij uwe Excie te moeten inforneeren, dat die persoon wel een Inwoonder van onze gemeente is, maar niet tot het Contingent van de Schutterij alhier behoord, daar denzelven als Plaatsvervanger is opgegaan voor de persoon van Cornelis Pouer ? Landmansknegt in de Oranje Polder behoorende tot de gemeente van den Vrouwen Polder, dewelke wij alzo vermeenen in dat Jaar voor de aanvulling zal behooren
Te zorgen en dat mitsdien hiervan eene abusivelijken opgave aan Uwe Excie zal zijn ingezonden.
Den 26 Febr: 1833

Den Heer Kaptein Snijders
Der 1 Komp:reserve Schutterij
Te Middelburg
Onderwerp: Schutterij
Ik heb de eer UEG te verzoeken om aan ons te laten toekomen een Extract uit het Stamboek van den schutter J. de Ridder welke in 1820 in schutterlijken dienst is getreden en in November 1830 voor den 1e Ban is uitgetrokken voor deze gemeente ten einde voor gemelde schutter deszelfs ontslag te verzoeken.

Aan Heeren GS
Onderwerp: Instellingen van Weldadigheid
Wij hebben de eer in voldoening aan UEGA besluit van den 22 febr: dezes jaars (PB no20) betrekkelijk de instellingen van weldadigheid bij deze aan UEGA te doen toesturen een staat van de huiszittende armen dezer gemeente met de daar bij behoorende tabel of memorie van toelichting, door ons over het jaar 1832 opgemaakt naar de opgave van het Diaconie Armbestuur dezer gemeente aan ons gedaan, met bijvoeging van een staat van het kosteloos onderwijs aan kinderen van behoeftigen mede in dat jaar gegeven, en welke staten met alle naauwkeurigheid zijn opgemaakt en conform de modellen daar voor aan ons medegedeeld, terwijl in deze gemeente geene andere Instellingen dan de hier bovengenoemde aanwezig zijn
Den 14 Maart 1833

Aan de Heer Griffier der Staten van Zeeland
Onderwerp: Ontvangen ordonnanciën
Ik heb de eer UEG den ontvangst te berigten van 2 ordonnantiën van betaling ten behoeve van het Gemeente bestuur van Arnemuiden beide in dato 1 dezer maandag
als een no 90 bedragende f.135,68
en een no 66 “ f.192,04
beide gevoegd geweest bij UEG missive van den 15e dezer maandag den 18 Maart 1833

Aan Z:Excie: den Heer Dir: Generaal
Van de Marine
Onderwerp: over Adriana Dingemanse
In voldoening aan Uwe Excie verlangen mij bij missive van den 12 dezer maand L.B. no 130 te kennen gegeven betrekkelijk Adriana Dingemanse, alhier woonachtig; nagelaten weduwe van den 8 Decb 1832 op de kanonneerboot no 3 voor Antwerpen geblesseerd en aan de gevolgen daar aan overleden, vrijwillige matroos H: Buster, heb ik de eer Uwe Excie te kenne te geven.
Dat gen: weduwe is van een burgerlijk en zedig gedrag waarop niets is aan te merken, dat dezelve 2 kinders heeft als 1 van 5 jaren en 1 van 5 à 6 maanden, geen middelen van bestaan heeft, als het leuren met visch en alzoo haar met hare kinderen maar in eenen zeer behoeftigen toestand bevinden.
Waarom ik ook de vrijheid neem, dezelve met hare kindertjes aan UwExcie aandenken ter gemoetkoming in derzelve bedroevende toestand eerbiedig aan te bevelen
Den 19 Maart 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Berigt Rekwest Neeltje Riemens
Het Rekwest door Neeltje Riemens wed: H. Leendertse alhier woonachtig aan Zijne Majesteit gepresenteerd , houdende om daar bij opgegevene redenen verzoek, om ontslag van haren zoon C. Leendertse uit den dienst van de Nat: Militie door Uwe Excie bij dispositie van den 11 dezer maand no 2560 A 1 afd N.M. om berigt consideratiën advies in onze handen gesteld zijnde.
Zoo hebben wij de eer in voldoening daaraan uwe Excie te berigten dat hoewel het een waarheid is onze Ingezetenen door den druk der tijdsomstandigheden verarmen, en de rekwestrant, bij toeneming van haar Jaren verzwakt zij echter het beroep als baker zedert eenige jaren door haar aangevangen, bij voorkomende gelegenheid noch waarneemt, dat hare dochters even als zoo vele anderen in het leuren met visch hun bestaan trachten te vinden, en dit door het groot aantal leursters en de tijdsomstandigheden thans maar gering is, terwijl haren genoemde zoon, ingeval hij als een broodwinner voor dat huisgezin in 1830 tijd hij in dienst is gegaan, zich had kunnen opdoen door hem zeker daar van wel een attest door drie ter goeder naam en faam staande persoonen zouden hebben ingediend, doch daar hij maar 50 cents daar op .als timmermansknegt verdiend, kon hij zodanig attest niet bekomen, en hoewel wij zeer gaarn gelooven de rekwestrant hartelijk verlangt haren zoon uit den dienst wordt ontslagen, dat zoo vele weduwen en betrekkingen mede van de hunnen verlangen, zoo gelooven wij tevens dat haren zoon, ingeval hij zijne tweejarige dienst bij het genoemde ambacht was gebleven, nu ongehuwd gebleven zijnde,wel tot ondersteuning van zijne moeder zoude kunnen verstrekken.
Met terugzending van dat rekwest hebben wij de eer het vorengemelde aan uwe Excie nadre goedvinden te onderwerpen.
Den 20e Maart 1833.

Aan de Heer Ontvanger der Registratie
Te Middelburg
Onderwerp: Staat Justitiekosten

Wij hebben de eer UEG te berigten dat de personen op den bij dezen teruggaande Staat bij uwe Missive van den 14e dezer maand gevoegd, gemeld, nog in denzelven ongunstigen toestand verkeeren, als bij de afgifte der certificaten van onvermogen, alleen meenen wij UEG te moeten onderrigten dat A.Poppe en Dursje ? Vermeer?? Thans onder de Gemeente van Veere wonen
Den 22 Maart 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Visscherij
De Schippers der vischschuiten dezer gemeente hebben ons klagelijk te kennen gegeven, dat een nieuw bezwaar in de uitoeffening van hun beroep is opgekomen daar in bestaande:
Dat geen visschuiten voor op of na zonnenondergang mag uitloopen of binnen komen, dat dat hun door het wachtschip voor Veere leggende word belet, dat eene groote belemmering in hun beroep veroorzaakt en zeer veel nadeel toebrengt, daar zij even daar door bij het uitloopen eene geheele tij verliezen, en bij het binnenkomen in den avond, verstoken zijn van hun visch in den morgen aan de markt te brengen, die zij dan eenen geheelen dag moeten overhouden, en bij afsterven derzelve eene veel mindere prijs maken, terwijl het doch bekend is zij niet zonnen op of ondergang, maar Eb en vloed behooren in acht te nemen, om uit te gaan of binnen te komen.
Op hun verzoek is het, dat wij de vrijheid nemen, uwe Excie daar van kennis te geven , en in hun belang Uwe Excie eerbiedig te verzoeken, dat hun het uitloopen en binnenkomen voor zonnen op of ondergang even als te voren werd toegelaten , onder bepaling, hetzij door het hangen van een brandende Lantaarn in het Wand, doen blijken zij visschers zijn, of zodanige ander teeken als Uwe Excie mag goedvinden te bepalen.
Den 22 Maart 1833

Aan de Heer Controleur van der Loeff te Middelburg
Onderwerp: Kohier patentregt
4 Eerste maanden 1833
Het Kohier van het Patentregt voor de 4 eerste maanden van dit jaar voor deze gemeente nevens UEG missive van den 23e dezer ontvangen zijnde, heb ik de Eer UEG te berigten dat de gewone publicatie daarvan heden is gedaan, en hetzelve ter invordering aan den Heer Ontvanger is verzonden
Den 25 e Maart 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Publ: Kohier Grondbelasting
Wij hebben de eer uwe Excie bij deze kennis te geven dat het Kohier der Grondbelasting dezer gemeente voor dit loopend jaar bij ons is ingekomen,daar van heden de gewone bekendmaking door ons is gedaan en hetzelve aan ’s Rijks Ontvanger dezer Gemeente ter invordering is verzonden.
Den 26e Maart 1833

Aan de Heer Controleur der Directe belasting etc te Middelburg
Onderwerp: Publicatie als boven
Ik heb de eer UEG kennis te geven dat van het Kohier der grondbelasting dezer gemeente van dit loopend jaar, dat bij mij nevens UEG missive van gisteren no 77 is ontvangen op heden de gewone Publicatie is gedaan, en als nu aan ’s Rijks Ontvanger zal worden verzonden.
Den 26 Maart 1833

Aan Z:Excie: den Directeur Generaal
Voor de Marine te ’s Hage
Onderwerp: Gagement Loots Kanonneerboot.
De Wed: van H. Buster gen: A:Dingemans alhier woonachtig omtrent dewelke Uwe Excie mij onlangs eenige inlichtingen hebt gevraagd, en waar aan ik bij een brief van den 19.dezer maand heb voldaan,heeft mij te kennen gegeven,dat haren gew: man, als Loots dientbaar geweest zijnde op den kanonneerboot als voor Antwepen gestationeerd geweest, aan haar steeds zijne belooning ad f.15- ’s maands vermaakte en de ordonnantie van betaling voor voldaan geteekend verzond, en dat zij dit over de maanden October en November tot den 8 Decb: 1832 den dag dat hij aan dat vaartuig is geblesseeerd geraakt, en aan den gevolgen daarvan is overleden, niet heeft ontvangen; dat zij wel van gedachten was de ordonnantie van betaling over de maand October bij haren Echtgenoot was ontvangen, doch dat dit denkelijk in zijn kist aan boord zal hebben gelegen, en bij het verbranden of in den grond boren van dat vaartuig te niete is geraakt.
Ik neem alzoo de vrijheid bij deze kennisgeving ten behoeve van die ongelukkige weduwe en hare twee kleine kinderen Uwe Excie Eerbiedig te verzoeken om dien aangaande zodanigen gunstige dispositie te nemen, waarvan dezelve, het door den tot verdeediging der regten van het Vaderland, zoo jong gesneuvelden verdediger, eerlijk verdiende tot ondersteuning en tegemoetkoming, in hunnen behoeftigen toestand mag worden toegekend.
Den 26e maart 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Alph: Lijst Kiezers
Wij hebben de eer in voldoening aan uwe Excie besluit van den 28 Januarij dezes Jaars (P.B. no 17) aan uwe Excie bij deze te doen toekomen, het dubbeld van de alph: Lijst van de bevoegde tot het Kiezerschap in deze gemeente, en tevens Uwe Excie te berigten dat het getal Stemgerechtigden alhier 20 bedraagd.
Den 2. April 1833

Idem
Onderwerp: Personeel van het bestuur
Wij hebben de Eer Uwe Excie te berigten dat gedurende het eerste kwartaal dezes jaars in het Personeel van het bestuur dezer Gemeente geene verandering is voorgevallen dat de Secretarie alsnoch door de Burgemeester wordt waargenomen, zoowel als de Plaatselijke Ontvangst, en dat de door HEGA benoemde Ontvanger noch niet is beEedigd geworden met alleen uit hoofde hij zich noch in Dienst bevind maar waar toe men de nodige order van HEGA inwacht.
Den 2. April 1833

Idem
Onderwerp:Wering Bedelarij
Wij hebben de eer Uwe Excie te berigten dat in onze gemeente een aanhoudend toezigt word gehouden tot wering der bedelarij, en dat in de nu verloopenen drie maanden geene bedelende personen zijn ontdekt of voor ons gebragt geworden.
Den 2.April 1833

Idem
Onderwerp: Maten en gewigten
Wij hebben de eer Uwe Excie te berigten dat in onze Gemeente bij voortduring toezigt wordt gehouden op het gebruik van de Ned: maten en gewigten, en dat tot heden geene overtredingen op de deswege bestaande verordeningen zijn ontdekt geworden.
Den 2.April 1833

Idem
Onderwerp: Staat Broodzetting
Nevens deze hebben wij de eer aan Uwe Excie te doen toekomen de Staat der Broodzetting voor het eerste kwartaal dezes jaars, zooals die na opgave der graanprijzen alhier is geregeld geworden overeenkomstig het besluit van Heeren GS van den 2 Mei 1828 (PB no 78)
Den 2.April 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland en aan de Prov: Geneesk: Commissie
Onderwerp: Vaccine
Wij hebben de eer Uwe Excie/UEd: te berigten dat erbij ons geen rapporten zijn ingekomen dat gedurende de nu verloopene drie maanden iemand in onze Gemeente is gevaccineerd geworden, of dat de kinderziekte alhier heeft geheerscht
Den 6 April 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Verbaal Stedelijke kas
Wij hebben de eer nevens deze aan uwe Excie te doen toekomen een verbaal van onze bevinding van den Staat der Stedelijke kas, volgens de bestaande verordening aan ons den 6e dezer opgemaakt en geteekend
Den 8 April 1833

Aan de Centrale Directie van Walcheren
Onderwerp: beweiding der wegen
Wij hebben de eer in voldoening aan den inhoud van UEG missive van den 4e dezer maand no 12 bij deze aan UEG te doen toekomen de door ons ingevulde staat houdende voordragt van twee personen in deze gemeente dewelke verlangen tot het beweiden der wegen in onze gemeente in dit jaar te worden toegelaten
Den 6.April 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Schutterij
Wij hebben de eer in voldoening aan uwe Excie dispositie van den 4e dezer maand A 1 afd. no 3492 op het adres van A.A.Rubens als plaatsvervanger van Jan Roelse, thans alhier woonachtig , dienende bij de Zeeuwsche Mobiele Schutterij, en waar bij denzelve zoo het voorkomt eenig onderstand verlangd voor zijne vrouw en kind te worden toegekend; Uwe Excie te berigten:
Dat Jan Roelse tijdens hij als schutter in dienst mogt treden, in de Gemeente van Brigdamme woonachtig was en dat door de gepatenteerde Commissionair Quadekker een plaatsvervanger voor hem is gesteld, waarvoor hij volgens aan ons vertoonde quitantie de geaccordeerde som den 4 Decb:1830 volkomen heeft betaald terwijl volgens het addres de requestrant ook zijne bedongene belooning heeft ontvangen, en dat het alzoo ons voorkomt,denzelven geen de minste regt heeft om iets meerder te vorderen,daar hij ook van de bedongene som van f.300- heeft aangenomen om dien dienst zoo lang ZM zulks vorderde te zullen waarnemen.
Wij retourneren hierbij dat addres in vertrouwen dat deze inlichting aan uwe Excie dispositie zal beantwoorden
Den 9 April 1833

Aan de Militie Raad in Zeeland
Onderwerp: Contingent Nat: Militie
De Missive van UwEG van den 15 dezer maand no 39 bij mij ontvangen zijnde, en houdende verzoek om eenigen daarbij opgen: Lot: mijner Gemeente van de jaren 1829 en 1830 op den 20 dezer voor UEd: Vergadering te doen compareren heb ik de eer UEG te kennen te geven dat de Lotel: A. Theune en J. de Ridder van 1829 reeds bij UEG eerst gehoudene vergadering van de nodige bewijzen zijn voorzien geweest; terwijl het mij toeschijnt dat over 1830 naar aanleiding van art: 3 der wet van den 31 Decb: 1832 (St.Bl.no 66) voor het ontbrekende van het Contingent van dit jaar geene manschappen uit die klasse gevorderd worden, aangezien door mijn Gemeente over 1830 5 pers; zijn geleverd geworden, en alzoo volkomen een man van de 300 zielen der bevolking.
Eindelijk meen ik UEG te moeten berigten dat de Loteling J. Jobsen van 1830 den 12 Aug: op eenen kanonneerboot voor Antwerpen gestationeerd is overleden en ik de overige manschappen heb aanbevolen om op de bepaalde dag en uur voor de Militie Raad te compareren.
Na het schrijven dezes worde ik onderrigt dat de beide Lot: van 1829 kunnen bewijzen aan Uwe EdG hebben ter hand gesteld.
Den 18 April 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Schutterij
In voldoening aan den inhoud van Uwe Excie missive van den 16 dezer A no 3839 1 afd: betrekkelijk het verzoek van den plaatsvervanger A.A. Rubens hebben wij de eer Uwe Excie te berigten dat er tusschen den persoon en de remplacerende Jan Roelse geen contract bestaat maar wel tusshcen laatstgen: en de gepat: Commissionaire Quadekker te Middelburg, die voor hem als in die tijd van vele anderen een plaatsvervanger heeft geleverd in de maand November 1830, dat hij bij de presentatie van den Plaatsvervanger, aan de toen ter tijd daarmede belaste Commissie niet tegenwoordig is geweest, en alleen van gem: Commisionaair heeft vernomen, eene Rubens voor hem als als Plaatsvervanger was goedgekeurd en hij daar op als reeds in de Caserne te Middelburg gebragt zijn ontslag heeft bekomen.
Wij hebben intusschen dat Contract van J. Roelse met gem: Quadekker aangegaan ter inzage verzogt,hetwelk wij de eer hebben hierbij aan Uwe Excie te doen toekomen.

Aan de Militie Raad in Zeeland
Onderwerp: Overlijden Job Jobsen
Hoe genegen ook om aan UEG verlangen mij bij missive van gisteren no 87 te kennen gegeven te voldoen,betrekkelijk een Extract van overlijden van den Loteling Job Jobse van de Ligting van 1830 den 12 Aug: 1832 op een kanonneerbootvoor Antwerpen overleden ,vinde ik mij verplcht UEG te kennen te geven, dat ik van dat overlijden geen schriftelijk bewijs heb ontvangen, en daarom ook niet in het Register van overlijden alhier is ingeschreven, dat mij dat overlijden zoo daar een mondeling berigt als door dien de nagelate moeder het provenue van zijne verkogte kleederen heeft ontvangen bekend is, zoo mede door een billet van dhr: ontv: der Registratie & successie te Middelburg,dat ik, als het daarvoor benoodigde opgemaakt en verzonden hebbende de vrijheid neem hierbij aan UEG tot nader bewijs te doen toekomen.
Den 20 April 1833

Aan De Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp:Accijnzen
Wij hebben de eer in voldoening aan Uwe Excie circulaire van den 18e dezer maand (PB no 46) betrekkelijk de invoering der Wet houdende eenen accijns op het gemaal,Uwe Excie te berigten , dat het Reglement op den aanpeil daar van vastgesteld bij ZM besluit van den 4e dezer (St.Bl. no 5) op heden door ons is afgekondigd geworden.
Den 22 April 1833

Aan Heeren GS
Onderwerp: Stads Rekening 1833
De Rekening dezer stad over het voorgaande jaar 1832, door de gemeente Raad nagezien en bij voorraad opgenomen zijnde, hebben wij de eer dezelve in triplo met de daarbij behoorende bescheiden aan UEG nadere en finale goedkeuring bij dezen te doen toekomen.
Den 27 April 1833

Idem
Onderwerp : Diaconie Arm Rekening 1832
Door den Raad dezer stad, de Rekening van het Diaconie Armbestuur dezer Gemeente over het vorige jaar1832 bij voorraad opgenomen zijnde, hebben wij de eer dezelve in triplo met de daar bij behoorende staat volgens de bestaande veordening opgemaakt bij deze ter nadere goedkeuring aan UEGA aan te bieden
Den 27 April 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Verbaal Stemming voor Kiezer
Wij hebben de eer Uwe Excie nevens deze te doen toekomen het eene dubbele van het verbaalvan de Gemeente Raad houdende het resultaat der Stemming voor kiezers , in het Eerste district dezer Provincie , door de Stemgerechtigden dezer gemeente, en zulks in voldoening aan het voorgeschrevene bij art: 43 van het Reglement omtrent de zamenstelling der Staten van Zeeland van den 30 Mei 1825
Den 9 mei 1833

Idem
Onderwerp: Terugzending oproepings order A.Kraamer
Ingevolge Uwe Excie missive in dato heden no 5190 A 1e afd: hebben wij de eer aan uwe Excie terug te zenden de oproepings order voor de loteling A:Kraamer welke wij nevens Uwe Excie missive van den 8e dezer A 1 afd no 500 gisteren hadden ontvangen
Den 10 Mei 1833

Aan de Heer Directeur Generaal van de Marine
Onderwerp: Loodsgelden
Op den ontvangst van Uwe Excie Missive in dato 20 April j.l. no 62 heb ik aan de wed: van wijlen de voor Antwerpen gesneuvelden en vrijwillig dienende matroos H:Buster in kwaliteit als loods op de vermelde kann: no 3 te kennen gegeven dat daar het na gedaan onderzoek is gebleken dat de gelden over Oct: verdiend door Buster zelve nog ontvangen zijn, over voorschr maand voor haar niets meer overblijven zal.
Voorm: wed: zich met die informatie geheel te vreden houdende, blijven nu alleen nog maar de verdiende over Novb: en Decb: onvoldaan; daar de ik nu uit den inhoud uwer bovengem; missive meen te mogen opmaken dat de verdiende gelden over laatstgen: maanden zouden te ontvangen wezen, bij aldien behoorlijk opgemaakte stukken daar van aan het Departement van Marine worden ingelevert worden, zij het mij vergunt om in het belang eener arme weduwe te mogen vragen.
Voor eerst welk stuk de plaats zou kunnenvervangen van eene declaratie , daar het toch wel niet mogelijk is dat, daar Buster reeds in het begin van December is gesneuveld door hem eene declaratie opgemaakt is en in de tweede plaats of een certificaat door den Lieutenant ter Zee der 2e kl: Ouwenallen van naam, thans in fransche krijgsgevangenschap bevindende opgemaakt voldoende zal wezen om het door Buster verdiende geld over Novb: en Decb: te doen ontvangen, als wanneer ik mij daar over aan gen: Heer zal addresseeren . en mij verzekert houde het zelve te zullen bekomen.
Gen: Heer Ouwenallen heeft ter dankbare vereering den verdiensten van den braven en roemrijk gesneuvelde Buster uit Are in Frankrijk doen toekomen, als overtuigd dat door den dood van haren man de overgelevene weduwe met hare 2 kinderen in de grootste armoede zou verkeeren, en terwijl het mij aangenaam is bij deze gelegenheid eervolle melding van deze Edele daad te kunnen maken, vleije ik mij dat Uw Excie zich met mij zal overtuigd houden dat de Heer van Ouwenallen in deze zijne hulpzame hand niet zal weigeren, gevende daar en boven de laatste van hem hier van de volle verzekering.
In het belang der ongelukkige en armoedige weduwe zij het mij alzoo vergund Uw Excie te verzoeken met eenig antwoord op de twee hier vorenstaande vragen te worden verEerd bij den Ontvangst van welke ik de Wed: Buster zal opwekken zich naar den inhoud dar van te gedragen en ook daar in haar als dan trachten behulpzaam te zijn.
Den 14 Mei 1833

Idem
Onderwerp: Bezwaren visschers
Met dankbare erkentenis hebben onze visschers de mededeeling van ons vernomen van de inhoud Uwe Excie missive van den 1e April j.l. no 3411 A1 afd betrekkelijk de gunstige wijzing bij hun in en uitkomen van het Veergat op Uwe Excie aanzoek door ZExcie den vice adm: Dir: en Kommandant der Marine te Vlissingen genomen ; dan nieuwe bezwaren hebben de visschers aan ons heden klagelijk te kennen gegeven, hier in bestaande:
Dat zij niet alleen nu eenige tijd door den oostenwind hun al dikwijls gedrongen zien, het Oostgat voor bij Vlissingen binnen te komen, maar ook wel bijzonder dat de meeste visch zich thans in de zogenaamde Westput opdoet en alzoo het Oostgat als het nabij gelegenste is om binnen te komen.
Dat wanneer zij in den avond binnenkomen aldaar mede een lichtende lantaarn in het wand of aan de mast hangen, doch dat niettegenstaande dit verkenningsteeken, men van het aldaar leggende wachtschip niet eenmaal maar onderscheidene keeren met kanonschoten hun schrik en angst veroorzaakt, waar bij noch komt dat men hun des morgens niet voor 7 à 8 inklaart, waar door zij verstoken worden hunne gevangen visch aan de markten of alhier binnen te brengen, en dat aangezien de ingevallen hitte de visch spoedig aan bederf onderhevig is, dat zeer tot hun nadeel verstrekt, waardoor in deze week sommige hunner ons hebben te kennen gegeven, zij ruim f.60 schade hebben geleden.
En daar de de visscherij tot heden minder gunstig zich voordoet, dan in het vorige jaar, en mitsdien zodanige schade hun dubbeld treft, zoo hebben wij gemeend het vorengem: aan Uwe Excie te moeten mededeelen, en nemen de vrijheid in het belang onzer visschers die door de tijdsomstandigheden reeds zoo veel hebben geleden uwe Excie eerbiedig te verzoeken om nogmaals hunne belangens bij ZExcie den vice admiraal bevordelijk te zijn; terwijl zij ons verzekerd hebben, zij stiptelijk aan de voorschriften in uwe Excie hier vorengem: missive gemeld ,hebben voldaan
Den17 Mei 1833

Idem
Onderwerp: Schutterij
In voldoening aan UwExcie dispositie van den 9 dezer maand A 1 afd no4989, waarbij het request van L? van Eenennaam Jzn? Alhier verzoekende uit hoofde van vervulde tienjarigen dienst bij de Schutterij in onze gemeente als zodanig te worden ontslagen, in onze handen gesteld zijnde om daar op te dienen van berigt dat na onderzoek ons is gebleken denzelven den 1 mei 1823 als schutter is benoemd en ingelijfd en daar bij de volle 10 jaren heeft gediend, daar hij na zijn ontslag uit de voorm: schutterij tot het thans bestaande is overgegaan, en volgens de Loting bepaald bij ZM besluit van den 18 Julij (St.bl. no 52) den 22 Aug; 1829 alhier hebbende plaats gehad voor het jaar 1830 tot de reserve is aangewezen en het ons mitsdien voorkomt dat uit hoofde van zijn 10 jarige volbragte dienst bij de bestaande wet op de schutterij bepaald, deszelfs zoude kunnen worden geaccordeerd, dat wij met terugzending van dat request en bijlagen aan Uwe Excie nader goedvinden onderwerpen.
Den 17 mei 1833

Idem
Onderwerp: Schutterij
Het request door J. de Ridder dienende bij de Mob: Schutterij en behoorende tot onze gemeente, aan uw Excie gepresenteerd daarbij wegens vervulden tienjarige dienst ontslag van zoekende in onze handen gesteld zijnde, om met overlegging van bewijzen van dienst Uw Excie te dienen van berigt en advies, bij missive van den 6e dezer A 1 afd: no 4752, hebben wij de eer in voldoening daar aan Uw Excie hier bij te doen toekomen
1e Een extract uit het stamboek van de vorige schutterij op ons verzoek afgegeven, waar bij wij alleen aanmerken dat hoe zeer daar op is vermeld, denzelven in October 1823 is in dienst gekomen, denzelven evenwel volgens het Register van 1823 in mei tot schutter is gedesigneerd geworden.
2e Een extract uit de controle van het 2e bat: afd mob. Zeeuwsche Schutterij, tot bewijs van zijne tegenwoordige dienst
Terwijl hij den 22 Aug: 1829 wegens vijfjarige dienst voor de Reserve is aangewezen.
En dat alzo den Requestrant in aanmerking genomen zijne designatie tot de schutterlijke dienst, de bepaalde tijd bij de wet heeft vervuld.
Met terugzending van dat request en de door ons daar bijgevoegde bijlagen, hebben wij de eer dat verzoek aan uwe Excie nader goedvinden te onderwerpen
Den 23 Mei 1833

Idem
Onderwerp: Schutterij
Een requestvan J.K.Crucq, alhier woonachtig, houdende aan uw Excie verzoek om als schutter wegens vevulde tienjarigen dienst te worden ontslagen met bijvoeging van de daar bij benoodigde bewijzen wegens dienst prestatie ons verzogt zijnde aan Uwe Excie te doen toekomen.
Zoo nemen wij de vrijheid dat request en bijlagen hier bij voegende Uw Excie te berigten dat den verzoeker reeds volgens ons Register van inschrijving in 1823 als Schutter is gedesigneerd geworden en denzelven volgens de naloting bij ZM besluit van den 18 Julij 1829 (St:bl: no52) den 23 Aug: 1829 alhier plaats gehad hebbende van het jaar 1831 tot de Reserve is aangewezen, en dat mitsdien den requestrant die van de oude tot de nieuwe schutterij is overgegaan op den 1 dezer maand zijn tienjarigen dienst heeft vervuld.
Den 23 Mei 1833

Idem
Onderwerp: Landbouw
Rupsennesten
Wij hebben de eer in voldoening aan Uwe Excie circulaire van den 22 Jan: dezes jaars (P.B. no 12 ) betrekkelijk de weering der rupsen, Uwe Excie te berigten, dat door ons dienaangaande de nodige bekendmaking is gedaan, en dat bij omgang in deze gemeente, tot heden geen rupsennesten zijn bespeurd geworden
Den 24 Mei 1833

Aan de Heer Burgemeester van de Oude Tonge
Onderwerp: berigt drenkeling A. Adriaanse
In voldoening aan UEA verzoek bij missive van den 25 dezer no129 mij gedaan betrekkelijk de gevonden drenkeling welke is herkend voor de persoon van Adriaan Adriaanse, heb ik de eer UEA te berigten dat die persoon precies alzoo is genaamd als hier voren is gemeld dat denzelven 17 jaren oud is, geboren te Oostcapelle in dit Eiland, en deszelfs ouders zijn David Adriaanse en Grietje Sierveld alhier woonachtig
Den 30 Mei 1833

Idem
Onderwerp: Schutterij
Bij Uw Excie dispositie van den 3e dezer maand A 1 afd no 5883 het request van J. van der Weele, hoefsmit alhier woonachtig aan Uwe Excie gepresenteerd, om daar bij opgegevene redenen verzoekende dat deszelfs plaatsvervanger W. Dingemanse bij de ZM schutterij dienende mogt worden ontslagen in onze handen gesteld zijnde, om Uw Excie te dienen van berigt consideratiën en advies
Hebben wij de eer in voldoening daar aan Uwe Excie te berigten
Dat den requestrant zoo als in het addres is gemeld ten Jare 1831 als ongehuwd bij de schutterij is ingelijfd geworden en als zodanig tot den 1e ban behoorende door hem de gen; persoon W.Dingemanse schutter van den 2e ban als plaatsvervanger is gesteld als noch voor hem den dienst vervuld.
Dat denzelven daar na gehuwd zijnde, een tweede kind het eerste overleden zijnde, uit dat huwelijk in leven heeft, en even daardoor nu zoude behooren tot den 2e ban der schutterij, doch dat bij een ministeriele dispositie van den 4 febr; 1829 A en SM is bepaald dat de eenmaal bij de schutterij ingelijfde ongehuwde daar naderhand niet kan worden ontslagen ter zake van een sedert aangegaan huwelijk, omdat het huwelijk als eene reden tot vrijstelling bij de wet niet bekend is
Met terugzending van dat request, hebben wij de eer dat verzoek aan Uwe Excie nadrer dispositie te onderwerpen.
Den 11 Junij 1833

Aan den Eerw: Heer J. Wanrooij
Predikant te Arnemuiden
Onderwerp: Collecte gewapende dienst
De jaarlijksche collecte ten behoeve van het fonds van de gewapende dienst in de Nederlanden, bepaald zijnde alhier te zullen plaats hebben op den 24e zijnde maandag aanstaande, heb ik de eer aan UwExcie als nu te doen toekomen de missive van den Hr: Min: van Staat belast met de generale directie van de zaken der Hervormde kerk enz van den 19 Jan: dezes jaars met verzoek dat door uw Eerw; op zondag aanstaande aan den inhoud van die Missive mag worden voldaan
Den 19 Junij 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Collecte gew: dienst
Wij hebben de eer in voldoening aan Uw Excellentie circulaire van den 28 Jan: dezes jaars (PB no 19) Uw Excie te berigten dat de Collecte ten behoeve van het fonds ter aanmoediging van de gewapende dienst in de Nederlanden in onze gemeente , den 24 dezer maand gedaan heeft opgebragt de som van f.10,51

Den 25 Junij 1883

Idem
Onderwerp: Autorisatie verplegingskosten
Weezen & bedelaars 1832
Wij hebben de eer bij deze aan Uwe Excie te doen toekomen twee gezegelde quitantiën van het door ons betaalde bij den Ontv: der Registr: te Middelburg wegens verschuldigde verplegings, transport en vervangingskosten van weezen en bedelaars behoorende tot onze gemeente over 1832 en zulks in voldoening aan Uw Excie missive van den 20 dezer maand A no 6083/2 afd terwijl de duplicaat quitantie aan onze ontvanger zijn ter hand gesteld
Den 28 Junij 1833

Idem
Onderwerp: kadaster
Wij hebben de eer nevens deze aan UwExcie te doen toekomen een reclamatie betrekkelijk een afgebroken Huis in deze Gemeente, thans behoorende aan den Heere Mr van der Heim bij ons ingekomen
Den 28 Junij 1833

Idem
Onderwerp: Personeel van het Bestuur;
Wering bedelaars
Maten en Gewigten
Broodzetting
Vaccine
Deze brieven hier nevens gemeld zijn van den zelven inhoud als over het 1e kwartaal dezes jaars en geteekend als voren

Idem
Onderwerp: Verbaal Plaatselijken kas
Wij hebben de eer nevens deze aan uwe Excie te doen toekomen een verbaal van onze bevinding van den staat der stedelijke kas, volgens de bestaande verordening door ons heden opgemaakt en geteekend
Den 5 Julij 1833

Aan de Heer Burgemeester van Nieuw-en St.Joosland
Onderwerp: Herijk maten en gewigten
Ik heb de eer UEA te berigten dat de heer Arrondissement-IJker tot de verificatie en herijking der maten en gewigten alhier zal komen vaceren op Maandag en Dingsdag den 15 en 16 Julij aanstaande des voormiddags, van half 10 tot 12 en ’s Maandags van 3 tot 6 uren.
Den 8 Julij 1833

Aan den Heer vice Admiraal
Komm: der vesting Vlissingen
Onderwerp: Lootsgelden
Heden hebben zich bij mij vervoegd de personen van M van Belsen en J. van Belsen, beide schippers op visschuiten van deze gemeente ter vischvangst varende, dewelke mij klagelijk hebben te kennen gegeven, dat zij op gisteren morgen circa 6 uren in het zogenaamde Steendiep ter vischvangst zijnde onder anderen twee schepen, als een brikschip genaamd de Helena en een Pruisisch Galjas de vlag vertoonde tot het bekomen van een Loots.
Dat zij hun na die schepen niet verlaten, hunnen vischerij begeven hebben; daar geen Lootsboot zich vertoonde of te zien was, en op hun aanvraag en belofte van betalen zelf dan wanneer naderhand een Lootsboot zich mogt opdoen, dezelve hebben binnengelootst, de eerstgenoemde tot op de hoogte der Aassen en de laatstgem: tot aan de ton van Kalo, wanneer de lootsboot zich heeft opgedaan en hun verder heeft binnen gebragt en welke schepen daarop dadelijk naar Antwerpen zijn opgezeild terwijl de schippers om hunnen betaling verzoekende, de eene tot antwoord bekwam, gij moet maar ter betaling te Antwerpen komen halen, en de andere het volstrekt weigerde.
Intusschen daar de visscherij bijzonder dit jaar gering is en die menschen geen droog brood verdienen, terwijl zij hun verheugen wanneer zij zoo iets bijzonder aantreffen is voor hen zoo eene ontmoeting allertreurigst en nadelig, daar zij toch voor dezelve hunne visscherij hebben verlaten, terwijl zij vertrouwen uwe Excie hun in dezen niet alleen kan maar zeer wel genegen zijn zal hun deszelfs eerlijk verdiende loon te doen geworden.
In dat zelfde vertrouwende verkeerende neme ik de vrijheid Uw Excie van het vorengem: dadelijk kennis te geven, terwijl gen: Schippers, die hun weder zeewaards hebben begeven, de vrijheid zullen nemen van op Zaturdag morgen hun bij uwe Excie te vervoegen
Hun aan uwe Excie bekende goedheid Eerbiedig aanbevelende, teeken ik mij met allen respect
De Burgemeester der stad Arnemuiden
Den 10 Junij 1833

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: Schutterij
Eenige personen onzer gemeente behoorende tot de 2e en 3e ban der schutterij, hebben krachtens art:86 der wet op de schutterij van den 11 April 1827 als hun 34 jaar volbragt hebbende aan ons derzelven ontslag verzocht.
Wij hebben daar van eenen nominativen Staat opgemaakt die wij de eer hebben hier bij te voegen, en daar wij zonder UEGA autorisatie naar luid van ZM besluit van den 6 April 1831 no 32 vermeenen dit niet te mogen verleenen
Zoo nemen wij de vrijheid UEGA autorisatie ten gezegde einde te verzoeken.
Den 10 Julij 1833

Aan dhr gedelelegeerde voor het toezigt op de veldwachter in het 1e district van Zeeland
Onderwerp: dienst veldwachter
Ingevolge het bepaalde bij art: 59 van het Reglement van de veldwachter van den 26 Junij 1829, heb ik de eer UwEd: te berigten dat de veldwachter mijner gemeente bij voortduring met allen ijver zijn bediening waarneemt, dat ik op zijn gedrag niets heb aan te merken, en ook ten zijnen opzichte of ten aanzien van zijn dienst niets heb voor te dragen
Den 11 Julij 1833

Aan Heeren GS vab Zeeland
Onderwerp: om autorisatie op
Onvoorziene uitgaven
Overeenkomstig eene aanschrijving van ZExcie: de heer Staatsraad Gouverneur dezer provincie van den 10e dezer maand A no 7690 2e afd; hebben wij aan het Diaconie Armbestuur dezer Stede kennis gegeven dat de door het zelve verschuldigde wegens verplegingskosten van de weezen hun behoorende, en in de Koloniën der Maatschappij van Weldadigheid geplaatst over de eerste helft dezes Jaars bedraagt f.71,44 en verzocht die som aan onze ontvanger ter hand te stellen, om aan den verderen inhoud van die missive te kunnen voldoen.
Het voorzeide Armbestuur heeft ons daar op te kennen gegeven, dat zij niet in de mogelijkheid was daar aan te voldoen, daar het zelve nu maar in de vorige maand ter zelver zaak eene som van f.55,75 over 1832 had voldaan, en door eenen Staat bij ons overgelegd bewezen dat reeds derzelve uitgaven de inkomsten, die genoegzaam alleen uit Collecten bestaan overtrof en mitsdien ons verzoekende hun een extra subsidie te verleenen, om in staat te worden gesteld, die schuld te voldoen.
En daar wij met het medegedeelde volkomen bekend zijn, nemen wij de vrijheid UEGA te verzoeken aan ons de autorisatie te verleenen, om aan gem; Armbestuur een extra subsidie te verleenen, om aan gem; Armbestuur een extra subsidie ter somma van f.70 te mogen toekennen, te voldoen uit de post van onvoorziene uitgaven op de begrooting van dit jaar gealloueerd.
Den 16 Julij 1833

Aan dheer Ontvanger der Registratie te Middelburg
Onderwerp: over de boete
Wij hebben de eer in voldoening an UEG verlangen ons bij missive van den 11 dezer no 1081 te kennen gegeven ten einde betrekkelijk de geldelijken toestand van de daar in gen: personen Leintje moet zijn Neeltje van Belzen, Johanna Marinusse en Jannetje Verstraate
Bekend te worden gemaakt UEG te berigten, dat die toestand zeer veel te wenschen overlaat, daar het leursters zijnde, die thans geen droog brood kunnen verdienen, aangezien de visscherij dit jaar uitermate ongunstig is, en dit doch het eenig middel van bestaan voor hun uitmaakt; en dezelve alzoo maar in eenen zeer behoeftigen toestand verkeeren, gelijk zij dan ook op den ontvangst van de waarschuwing billetten ons klaagelijk hebben te kennen gegeven.
Den 16 Julij 1833

Aan dhr Burgemeester van Etten en Leur
Onderwerp: over de overledene Klaas Cornelisse
Ik heb de eer in antwoord op UEA missive van den 9 dezer no 363 betrekkelijk de op den 9 dezer in uwe gemeente overledene schippers gezel, die eigenlijk is genaamd Klaas, zoon van Job Cornelisse oveleden en van Pieternella Klaasse Grootjans, alhier woonachtig UEA te berigten dat deszelfs nagelatene moeder is eene arme vischleurster die niets bezit, en alzoo buiten staat eenige kosten te dragen.
Dit berigt had ik UEA al vroeger gedaan, ware het niet dat de moeder op uitnooding van de schipper van den overledene, op reis naar hare zoon had begeven, zich mitsdien in vertrouwen verkeerde, zij UEA zoude hebben ontmoet, dat volgens heden bij ons ontvangen berigt, haar UEA niet thuis vindende is mislukt.
Den 17 Julij 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Mutatiën Weezen
Wij hebben de eer Uwe Excie te berigten dat de weezen gemeld op het Extract uit de aan uwe Excie medegedeelde opgaven aanwijzende de mutatiën of aanvullingen ,welke in het personeel der jongens & meisjes uit onze gemeente in de Koloniën der Maatschappij van Weldadigheid in de Provincie Drenthe uitbesteed gedurende het jaar 1832 hebben plaatsgehad die wij nevens Uwe Excie missive van den 26 Junij l.l. A no 5957/6045 1 afd hebben ontvangen, tot onze gemeente behooren.
Den 19 Julij 1833.

Idem
Onderwerp: Quit: verplegingskosten Weezen
Nevens deze hebben wij de eer aan Uwe Excie te doen toekomen twee quitantién van het door ons betaalde over verplegingskosten van Weezen en bedelaars over de eerste helft dezes jaars, en zulks in voldoening aan uw Excie Missive van den 10 dezer maand A no 7690 2e afd;
Den 19 Julij 1833

Idem
Onderwerp: gekwetsten
In voldoening aan den inhoud van uw Excie missive van den 20 dezer maand A no 8036 2e afd: betrekkelijk de strijders welke op de citadel van Antwerpen en Schelde zijn gekwetst of gesneuveld en tot deze Gemeente behooren, hebben wij de eer Uw Excie te berigten.
Dat van onze gemeente noch vrijwillig dienende noch dienstpligtigen op de citadel of Schelde zijn gewond geworden doch dat een vrijwiliig dienende matroos en tevens Loots op de kanonneerboot no 3 op de Schelde is gesneuveld genaamd Hendrik Buster en zulks heeft plaats gehad op den 8 Decb 1832.
Dat denzelven heeft nagelaten eene vrouw genaamd Adriana Dingemanse oud 27 jaren benevens twee kinderen met namen Geertje oud 5 jaren en Pieternella Buster oud 9 maanden.
Dat den gesneuvelden maandelijks aan zijn huisvrouw overmaakte van zijn verdiende gagement als matroos f.10 en van dat als Loots f.15.
Dat genoemde weduwe met hulp van andere en eenige aan haar toegekende bijdragen, thans een klein winkeltje heeft opgerigt, en daar van, zoo mede door hetgeen zij verdient met leuren, zoo voor haar als twee kinderen een sober bestaan vindt, waarom het zeer wenschelijk is dezelve noch eenige tegemoetkoming mogt erlangen ten welk einde wij de vrijheid gebruiken, haar en kindertjes in UwExcie gunstig aandenken bij de voordragt aan de bestaande commissie van erkentenis te Amsterdam eerbiedig aan te bevelen.
Den 23 Julij 1833

Idem Onderwerp: Schutterij
Wij hebben de eer en voldoening aan uwe Excie aanschrijving van den 19. Dezer maand hierbij aan Uw Excie te doen toekomen eene nadere opgave ven eenige schutters onzer gemeente, welke wegens volbragte 34 jarige ouderdom derzelver ontslag verzoeken, en welke allen tot de eerst daargestelde schutterij behooren
Den 23 Julij 1833

Aan den Heere Majoor kommand: het depot der 9e afd: Infanterie te Utrecht
Onderwerp: DoopExtract
Ik heb de eer nevens deze aan UEG te doen toekomen een doopacte der personen waarmede A van Belsen thans met verlof in mijne Gemeente aanwezig wenschte te verbinden, en zulks in voldoening aan UEG verlangen mij bij missive van den 13 dezer te kennen gegeven.
Den 27 Julij 1833

Aan de Heer Controleur der Directe
Belastingen te Middelburg
Onderwerp: Staat geboornen
UEG missive van den 27 dezer no 248 heden ontvangen en houdende een verzoek om volgens een daar in medegedeelde modelstaat UEG opgave te doen van het zuiver belastbaar inkomen van ieder geborene volgens het Kadaster met de namen der bewoners van mijne gemeente en zoo mede van die van Cleverskerke.
Zoo zie ik mij genoodzaakt UEG daar op vriendelijk te antwoorden dat indien mij dat verzoek werd gedaan, om zodanige Staat binnen eenen maand in orde te brengen, in plaats van dit voor Donderdag te doen, ik dan niet mijne andere werkzaamheden zoude trachten daar aan te beantwoorden, maar zoo als nu het verzoek inhoud, is het mij met den besten wil volstrekt onmogelijk, daar ik bij zoodanige Staat niet alleen het Register van het kadaster maar dat ook moet raadplegen, terwijl in een gebouw 4, 5 à 6 bewoners zich bevinden, waarbij komt dat het Register van bevolking niet naar dat van het kadaster is ingerigt, en alzoo de nommers aanmerkelijk met den anderen differeren, daar eerstgem: Register doorloopende is, terwijl dat van het kadaster Alphabetisch is ingerigt, en op eenen naam onderscheidene gebouwen staan, dewelke door differente personen bewoond worden.
Ik ben wel bereid om dienstbaar te zijn, en wil gaarn medewerken tot het geven van alle nodige inlichtingen, maar om aan dit verzoek in de opgegevene tijd te voldoen is mij ondoenlijk,-- ik verzoek UEG alzoo vriendelijk om mij daar toe eene voldoende tijd te verleenen
Den 29 Julij 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: nadere inlichting
Ter nadere toelichting van het door ons medegedeelde bij onzen brief aan Uwe Excie: van den 23 der vorige maand no 7 van ons betrekkelijk eenige schutters die hun ontslag verzoeken bij Uw Excie missive van den 30 Julij j.l. B no 892 1 afd: gevorderd hebben wij de eer Uw Excie te kennen te geven dat de Schutters Odding,Ventevogel, de Bakker en Crucq bij het opmaken van de bijzondere rol van 1828 en 1829 in orde gebragt volgesn het Prov: blad van dat jaar no 54 niet daar op zijn gesteld geworden, aangezien dezelve tot de brandspuit behoorende volgens art: 3 paragraaf L van de wet van den 11 April 1827 (St.bl. no 17) in tijd van vrede van de waarneming van de dienst bij de schutterij worden vrijgesteld, doch dat men daar na in het denkbeeld heeft verkeerd, dat die personen daar op mogten gebragt worden, omdat zij in tijd van oorlog van die vrijstelling geen genot hebben, hetgeen dan ook heeft plaats gehad hoewel gen; personen geene exercitiën hebben waargenomen, of van wapenen zijn voorzien geworden,, voordat de Reserve is opgeroepen geworden wanneer zij aan de exercitiën hebben deel genomen.
Den 1 Augustus 1833

Aan de Heer Kapt: 3 Kom: rustende schutterij Z. Snijders te Middelburg
Onderwerp: Schutterij.
Ik heb de eer UEG bij deze kennis te geven dat tot leden der schutterij van de in deze gemeente geloothebbende personen voor dit loopend jaar zijn benoemd.
Joh: Klaasse 1e ban P. van Eenennaam 1e ban Blaas Cornelisse 2e ban
David Geldof 1e ban Joh: Hollestelle 2e ban Jac: Meerman jr 2e ban
Dat door de Commissie wegens lighamsgebreken als schutter zijn ontslagen
Joost van der Weele Pieter Kraamer
En dat bij besluit van ZExcie den Heere Staatsraar Gouverneur dezer provincie van den 22 Junij 1833 no 6418 krachtens art 86 der wet op de Schutterijen zijn ontslagen
Jan Karel Crucq
En
Laurens van eenennaam
Ik hoop dat deze opgave voldoende zijn zal, en in dat vertrouwen teeken ik mij met alle achting
Den 5 Aug: 1833

Aaan de heer Controleur der Dir: Belast: te Middelburg
Onderwerp: Eigendom veranderingen
In antwoord op UEG missive van den 7. Dezer no 269 betrekkelijk der Eigendom veranderingen heb ik de eer UEdg te berigten dat sedert de laatste opgave alleen deze verandering heeft plaats gehad.
Dat een Huis op een Hofstede is afgebroken op het oude relevee bekend Art: 119 B nr 69 belastb: huurwaarde f.51- en op het Register van het Kadaster Sectie A no 46 huurwaarde f.45—
Op beide noch bekend op naam van d’Erven Cornelis Pieterse Melis, doch waar van Eigenaar is Mr: van der Heim Griffier der Staten van Zeeland te Middelburg
Den 12. Augustus 1833

Aan de Heer Controleur van de Directe belastingen te Middelburg
Onderwerp: Kohier Patent regt 1833
UEG den ontvangst berigtende van het Kohier van het Patentregt over het dienstjaar van den 1 mei 1833 tot Ultimo April 1834 bij missive van den 8 dezer no 277 heb ik de eer tevens UEG kennis te geven dat de afkondiging van dat Kohier heden alhier heeft plaatsgehad en dat in het kwartaal verschenen 1e dezer maand bij mij of het College van Zetters mijner gemeente geen aangifte tot bekoming van Patent heeft plaats gehad.
Den 13 Augustus 1833

Aan den Heer Gouverneur en Prov:
Geneeskundige Commissie van toezigt in Zeeland
Onderwerp: Kinderziekte
Wij vinden ons in de verpligting uwe Excie/UwEd: kennis te geven dat de Kinderziekte in onze gemeente zich heeft geopenbaard, in een enkeld huisgezin, en waarvan de vader ons berigt heeft gedaan, daar noch geen geneeskundige bij was geroepen aangezien de kinderen zijnde drie in getal weinig of niet ziek waren, en tevens dat dezelve over weinige jaren waren gevaccineerd geworden
Den 17 Augustus 1833

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: Staat van Begrooting 1834
De Staat van begrooting in Ontvang en Uitgaaf dezer Gemeente voor den dienst van het jaar 1834 door den Raad dezer stad opgemaakt zijnde, hebben wij de eer bij deze in tijds met de memorie van toelichting en verder daar bij behoorende bescheiden aan UEGA ter goedkeuring aan te bieden
Den 20 Augustus 1833

Aan Heren GS van Zeeland
Onderwerp: Staat Armbegrooting 1834
Wij hebben de eer nevens deze aan UEGA ter nadere goedkeuring aan te bieden de Staat van begrooting van het Diaconie Armbestuur dezer gemeente in triplo opgemaakt voor den dienst van 1834 door den Raad dezer Stad bij voorraad gearresteerd.
Daar bij hebben wij UEGA alleen te kennen te geven dat de inkomsten van den armen alleen uit Collecten en vrijwillige (bijdragen) onzeker zijnde, die gesteld zijn zoals dezelve in het voorgaande jaar geweest zijn en daar die voor de uitgaven niet voldoende zijn zullen, heeft den Raad een subsidie van f.50—voorgesteld aan hetzelve te verlenen terwijl de uitgaven mede merendeels daar in voorkomen als die van dit loopend jaar, alleen heeft men voor de weezen te Veenhuizen die som gesteld gelijk daarvoor nu onlangs voor het eerste halfjaar van 1833 is betaald geworden, hoewel anders die som volgens de bijzondere opgave in die begrooting minder zijn zoude, en voorts daar in gebragt ter regularisatie in ontvang en uitgaaf die sommen welke aan het Armbestuur zoo in 1832 als nu in dit jaar voor extra subsidie zijn verleend geworden.
Den 21 Aug: 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Oudheden
Wij hebben de eer in antwoord op Uwe Excie circulaire van den 7e der vorige maand (P.B.no 86) houdende aanvrage om inlichtingen nopens de zogenaamde vliedbergen en andere oudheden Uwe Excie te berigten
Dat in onze gemeente niet anders gevonden word dan eenen berg, bekend onder den naam van den Galgenberg, en hoezeer waarschijnlijk tot een vlugtberg heeft verstrekt echter volgens vertellingen zoude gediend hebben tot dat geene waar toe de benaming derzelve aanleiding geeft van dezelve te vermoeden.
Dat dezelve is gelegen ten Noordwesten van Arnemuiden ongeveer vijf minuten gaans aan de linkerzijde van den Kraijenolse weg in Nieuwerkerk, thans noch eene hoogte bereikt van circa 4 Ned: Ellen, als zijnde gedeeltelijk geslecht, bestaande de grond in zand en klei; terwijl bij dat gedeeltelijk slechten niet anders is gevonden dan eenige menschenbeenderen, dat het vermoeden bevestigd genoemde berg tot eene strafplaats heeft gediend, en dat tot heden de grond niet nader is doorzocht, dat eerst bij de verderen of geheele slechting maar zal plaats hebben, terwijl niet bekend is, dat eenige andere bergen alhier hebben bestaan, of eenige oudheden vroeger gevonden of noch voorhanden zijn
Den 3 Sept: 1833

Aan de Heer Ontvanger der Registratie
Te Middelburg
Onderwerp:Over boeten & kosten
Wij hebben de eer bij deze aan UEG te doen toekomen een certificaat van onvermogen, om de vesrchuldigde boeten en kosten te betalen waar in de personen van Neeltje van Belzen, Johanna Marinusse en Jannetje Verstraate alhier woonachtig gecondemneerd zijn, en zulks in voldoening aan UwEd: verlangen ons bij Missive van den 31 Aug; j.l. no 2168 te kennen gegeven
Den 13 sept: 1833

Aan Heeren GS van Zeeland
Onderwerp: Gemeente comptabiliteit
Wij hebben de eer overeenkomstig het bepaalde bij UEGA besluit van den 1.febr; dezes jaars (PB no22) UEGA te kennen te geven dat door ons in den loop van het vorig kwartaal is betaald te weten:
Voor grondlasten van de gebouwde en ongebouwde Eigendommen dezer Stede over dit loopende jaar
Een som van f. 123,93
Voor zegel der quitantie 21
En voor dijkgeschot eene som van 4,37
Te zamen f. 128,51
En dat op de begrooting voor dit jaar
Onder no 16 voor de belasting en ongelden
Is gealloueerd de som van f. 50,-
Zodat het tekort ter somma van f. 78,51
Uit de post van onvoorziene uitgaven voor dit jaar bepaald, is betaald geworden
Den 2. Oct: 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Personeel van het bestuur
Wering bedelarij
Maten en gewigten
Staat Broodzetting
Deze berigten zijn overeenkomstig die van het 1e kwartaal 1833
Den 4 Oct: 1833

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland en provinciale Geneeskundig toezigt
Onderwerp: Vaccine
Wij hebben de eer bij deze an uwe Excie/UwEd: te doen toekomen een staat der gevaccineerden en aan de kinderziekte behandelde Personen in onze gemeente gedurende het verloopen kwartaal dezes jaars
Den 8 October 1844

Aan de Heer Gouverneur van Zeeland
Onderwerp: Verbaal Stedelijke kas
Nevens deze hebben wij de eer aan Uwe Excie te doen toekomen een verbaal van onze bevinding van den staat der stedelijken kas volgens de bestaande verordeningen door ons heden opgemaakt en geteekend
Den 9 October 1833Aan den Heer Gouverneur van Zeeland

Ga naar boven