Historische Vereniging Arnemuiden

De heldendaad van de familie Schroevers (scheepsramp Doris)
De heldendaad van de familie Schroevers (scheepsramp Doris) - 3.7 out of 5 based on 3 reviews

Gebruikerswaardering: 4 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter inactief
 

Arneklanken: September 2007

Zoals u wellicht hebt gelezen in de vele publicaties overal in den lande, wordt het 400e geboortejaar van onze nationale Vlissingse zeeheld Michiel de Ruijter dit jaar uitbundig gevierd, zeker in Vlissingen met onder andere de de Ruijterfeesten.
In de rij van Zeeuwse zeehelden staat ook de visser Jacob Schroevers.
Het verhaal van de heldendaad over hem, zijn vijf zonen en kleinzoon, allen te Arnemuiden geboren, willen we onze lezers niet onthouden.
Vandaar dit artikel op de website, want als men de Ruijter (later wonend in Amsterdam) te Vlissingen eert, dan willen wij de familie Schroevers eren (al woonden ze in Vlissingen, voor ons bleven het “Erremuunaers”).
Wat zijn helden? Volgens een officiële definitie: strijdbare figuren uit religieuze mythen, sagen en legenden of personen bekend om hun verrichte heldendaden vanwege de veroveringen die ze maakten ten aanzien van vijanden in oorlogssituaties, gerechtvaardigd of niet. Met name pacifisten zullen over zulke heldendaden een geheel andere mening hebben. Dikwijls zijn het ook usurpators met eigenbelang en niet in de laatste plaats met de achterliggende gedachte om roem en buit te behalen.
Zoniet de heldendaad van de familie Schroevers. Dat was een daad van humanitaire aard, zoals bijvoorbeeld ook bij Frans Naerebout (staat in dezelfde rij van Vlissingse zeehelden).
Jacob Schroevers met zijn zonen en kleinzoon waren namelijk mensenredders. Zij haalden in stormweer 3 mensen uit het want van de masten van de Engelse schoener “Doris”.
Voor hen, bekend met de ondiepten voor Westkapelle, zijn de volgende gegevens van belang om zich enigszins een beeld te kunnen vormen van de reddingsoperatie van de VLI 15.

Hoog water te Vissingen op 14 december 1907 9.09 uur en 21.29 uur, temp. 5 á 6 ° C , luchtdruk 975 mb.
Hoog water te Vlissingen op15 december 1907 10.18 uur en 22.38 uur, temp. 6 á 7 ° C, luchtdruk 1000 mb.

De plaats van de reddingshandeling was op de Rassen, de droogten, ten zuiden van Westkapelle (op vroegere zeekaarten de “Oosterrassen” genaamd. Ten noordwesten hiervan zijn de “Noorderrassen”. Tussen deze twee zandbanken is een ondiepe vaargeul, door de vissers gebruikt om vanuit de Deurloo naar het Oostgat te varen en andersom. De Arnemuidenaars en Vlissingers noemden het “de Vleie”, in Breskens sprak men over “het geultje van de Doris”.Aan de oostkant van deze geul, tegen de zandplaat aan de zuidzijde, ligt het wrak van de “Doris”, min of meer een verlengde van het “Bankje van Zoutelande”.



Als eerste kunt u het rapport lezen over deze spectaculaire reddingsactie, uit de mond gehoord van Jacob Schroevers sr. en opgemaakt door de commissaris van gemeentepolitie van Vlissingen, gericht aan de burgemeester aldaar, d.d. 17 december 1907.
Hierna van dezelfde datum het verslag uit de Vlissingse Courant en het relaas van de huldiging van de redders op 19 december. V
Uiteraard werd het relaas van de reddingsactie in vele landelijke dagbladen vermeld (overgenomen), evenals de oproep tot inzameling van gelden voor de redders. Wij beperken ons tot de Vlissingsche Courant.
Een voorstel in “Lezers schrijven” van 20 december 1907, van J.M. Stuart, om in Vlissingen een blijvend huldebetoon te geven aan de familie Schroevers door de eerste nieuwe straat die aan-gelegd zal worden de naam Schroeverssstraat te geven, is nooit uitgevoerd. Het is mij niet bekend of dit in de gemeenteraad van Vlissingen ooit aan de orde is geweest.
Het 2e gedicht was van Jan Karel Crucq, zoon van burgemeester Christiaan Johannis Crucq. Hij werd geboren te Arnemuiden in 1857, was landmeter van beroep en overleed ongehuwd in 1935 te Arnhem.

De verslagen.
Uit het Archief Gemeente Politie Vlissingen (No.823) :

Nadat op Zaterdag den 14 December 1907 alhier bekend was, dat in de nacht tevoren, een onbekend schip op de Rassen in de Noordzee nabij Westkapelle was gestrand en op Zondag den 15 December d.a.v. door zeven alhier wonende personen van één familie genaamd:

1e Jacob Schroevers, oud 54 jaren, van beroep schipper, wonend in de Beursstraat,
2e Job Schroevers, oud 30 jaren, van beroep schipper, wonend in de Pauw,
3e Gerard Schroevers, oud 27 jaren, van beroep visser, wonend in de Nieuwstraat,
4e Jacob Schroevers jr, oud 24 jaren,van beroep ketelmaker, wonend in de Breewaterstraat,
5e Klaas Schroevers, oud 20 jaren, van beroep visser, wonend in de Beursstraat,
6e Lieven Schroevers, oud 17 jaren, van beroep visser, wonend in de Beursstraat,
7e Jacob van de Ketterij, oud 13 jaren, visser, wonend in de Hellebaardierstraat,

met zéér groot gevaar voor eigen leven drie personen uit de masten van het gemelde gestrande schip waren gered en door de bemanning van het Nederlandsch Loodswezen alhier met de reddingsboot één man uit een der masten, eveneens met groot gevaar voor eigen leven was gered, heb ik J.C.Fanoij, C.V.P. te Vlissingen een onderzoek daaromtrent ingesteld en gehoord, eerstgenoemde van de hierboven aangehaalde personen, welke mij omtrent de onder zijn leiding verrichte redding van drie verklaarde:
Nadat hier in Vlissingen algemeen bekend was dat tusschen Westkapelle en Zoutelande in de monding van de Noordzee, op de Rassen een schip was gestrand, geheel onder water was gezonken en nog enigen van de bemanning in de masten van dat gezonken schip konden aanwezig zijn, ben ik Zaterdagnamiddag om ongeveer half vier ure toen de storm een weinig bedaard was, met enige zoons van mij uitgevaren, om zoo mogelijk hulp te verleenen, doch ben dien avond om zeven ure weder met mijn vaartuig alhier teruggekomen zonder iets van het gestrande schip te hebben kunnen ontdekken.
Toen ik weder aan land was gekomen en vernam dat er werkelijk nog menschen op dat gestrande schip in de masten zaten, heb ik mijn zoons gevraagd of zij mede durfden gaan om een poging te wagen, die arme menschen te redden, waarop mijn vijf zoons en mijn dertienjarige kleinzoon allen te kennen gaven met mij een poging te wagen om die menschen te redden; dat mijn kleinzoon ook al mee wilde gaan keurde ik eerst niet goed, doch op zijn herhaald aandringen heb ik eindelijk toegestemd. [In een andere, latere versie verklaart Jacob Schroevers jr. dat zijn neefje Jacob van de Ketterij halverwege het Oostgat plotseling uit het vooronder te voorschijn komt. Hij zou zich op het schip hebben verstopt om thuis straf te ontlopen en zodoende noodgedwongen het hele avontuur hebben meegemaakt. Dit verhaal deed vroeger ook de ronde in Arnemuiden en Vlissingen].
In den nacht van Zaterdag den 14e op Zondag den 15e December omstreeks elf ure ben ik met mijn vaartuig mede bemand door mijn vijf zoons en mijn kleinzoon uitgevaren, en ben om ongeveer half twee dien nacht in de nabijheid van het wrak gekomen. Wij merkten toen op dat er werkelijk nog menschen in de masten van het wrak zaten, terwijl de hooge zeeën over het schip sloegen; aan redding was toen tengevolge van de hevige storm en de hooge zeeën niet te denken en wij hadden heel wat moeite om met ons vaartuig in de nabijheid en niet vervold [vol water dreigen te lopen] te worden door de hooge zeeën. Wij zijn toen met ons vaartuig in de nabijheid van het wrak blijven zwalken tot het dag werd, als wanneer het ons met zeer groot gevaar voor eigen leven en vaartuig is mogen gelukken door middel van mijn ankerkabel verbinding over het schip te krijgen, heb toen een lijn kunnen toewerpen in de achtermast waarin drie menschen in het want zaten als wanneer één van die menschen zich aan de hem toegeworpen lijn vastbond, daarmede in zee sprong en daarna door ons in ons vaartuig is binnengehaald. Daarna is na langdurige moeite en inspanning, waarbij mijn vaartuig gedurig vervold werd door de hooge zeeën en wij elk ogenblik gevaar liepen dat mijn vaartuig op en tegen het wrak aan stukken kon worden geslagen, ook gelukt de twee andere menschen uit die mast te redden.
Toen zagen wij dat ook in het want van de voormast nog een man zat, doch zagen geen kans om ook die man daaruit te kunnen redden; als ik dat geprobeerd had, weet ik zeker dat ik met al mijn zoons, kleinzoon en de drie geredde schepelingen het leven zou hebben verloren en daar in de korte nabijheid van ons de reddingsboot uit Vlissingen aankwam, besloot ik mijn ankerkabel te laten slippen.
Ik ben met de door mij drie geredde personen daarna van het wrak afgevaren en heb aan de bemanning van de reddingsboot in het voorbij varen medegedeeld, dat ik drie menschen gered had doch er nog één in een mast van het wrak zat, waarna de reddingsboot dadelijk naar het wrak is gegaan en ik met de door mijne kinderen en mij geredde menschen naar Vlissingen ben gevaren, onderweg hen eerst van het nodige voedsel heb voorzien.
Het gestrande schip bleek te zijn de Engelse driemastschoener “Doris” tehuis behorende te Padstowe, geladen met China-klei, op reis van Plymouth naar Gent, bemand met vijf koppen en de door Schroevers en zijne familie geredde personen waren: de kapitein T.Mayor, de stuurman E.Caddy en de matroos D.Rowlands.
Later op dien dag is door de bemanning van de reddingsboot nog de vierde man uit de mast van het wrak van vermeld schip gered en wel de matroos P .Johnsons, de vijfde persoon van de bemanning, zijnde de kok, die ook in de mast moet hebben gezeten volgens verklaring van den kapitein en overige schepelingen, is daaruit gevallen en verdronken.
Omtrent de door de bemanning van de reddingsboot verrichtte redding, zal door den heer Inspecteur van het Nederlandsch Loodswezen alhier, rapport aan de betrokken autoriteiten te ’s-Gravenhage worden ingezonden.
Volgens verklaring van genoemden heer inspecteur van het Nederlandsch Loodswezen alhier is de door den schipper Jacob Schroevers en zijne helpers verrichtte redding volgens de door hem bekomen inlichting, een buitengewone, zeer moedige en met groot levensgevaar verrichtte daad geweest, die alle lof en waardering verdient.
Aldus naar waarheid opgemaakt den 17e December 1907.

Uit het Archief Gemeente Politie Vlissingen (No.824) :
Aan Burgemeester Vlissingen 18 December 1907.
Ik heb de eer Ued. hierbij beleefd aan te bieden een door mij opgemaakt rapport omtrent de redding door Jacob Schroevers c.s. van de drie Engelse zeelieden van het nabij Westkapelle gestrande Engelse driemastschoenerschip “Doris”.
Het vaartuig waarmede de redding heeft plaats gehad is een open vaartuigje, zogenaamd “Bottertje”, groot ongeveer 18 ton.

De foto is ter beschikking gesteld door het Gemeentearchief Vlssingen ©


VLISSINGSCHE COURANT, Dinsdag 17 December 1907.
Een heldendaad.
Op de Noordzee is in de nacht van Zaterdag op Zondag een heldendaad verricht, dat ons onmiddellijk doet terugdenken aan de daden van de Sperlings en anderen bij de “Berlia” ramp. Wij konden in ons vorig nummer nog melden dat een Engelse schoener op de Noorderrassen was gestrand, doch dat de reddingsboot er niet in geslaagd was het wrak te naderen tengevolge van de woeste zee. Men wist toen dus niet of nog levende wezens aan boord waren, doch toch bestond vrij grote zekerheid dat dit wel het geval was omdat de kustwacht te Westkapelle rapporteerde dat in de masten personen te zien waren.

Op dit bericht werd besloten nogmaals de reddingsboot naar Westkapelle te zenden.
Toen het evenwel bekend werd dat zich nog schipbreukelingen aan boord bevonden, nam de in de Beursstraat wonende visscher Jacob Schroevers het koene besluit om te trachten deze nog steeds met den dood strijdende schipbreukelingen hulp te bieden. Met zijn vijf zoons Job, 32 jaar; Gerard, 25 jaar; Jacob, 24 jaar; Klaas , 20 jaar; Lieven, 17 jaar en zijn kleinzoon Jacob van de Ketterij, oud 13 jaar, zou hij met zijn botter “de Vijf Gebroeders” naar de plaats van het onheil gaan. Zaterdagmidag half vier zeilde hij daarom met zijn vaartuig in de richting van het wrak, doch hij moest onverrichterzake terugkeeren.
Des avonds 7 uur daarop verliet de reddingsboot “Koning Willem III” weer de haven en zou nogmaals trachten de in nood verkeerende schepelingen te helpen, doch ook nu bleven de pogingen tot redding vruchteloos.
Jacob Schroevers en zijn dappere zonen met den veelbelovende kleinzoon, bezield met het edele doel om deze verlaten schipbreukelingen zoo mogelijk te redden, besloot nu nogmaals dit onverschrokken waagstuk te ondernemen en Zaterdagavond laat, het was zoo wat half twaalf, zeilde de botter weder naar de Noorderrassen.
Het was ongeveer half twee des nachts toen de botter in de nabijheid van den schoener “Doris” gekomen was, doch de zee was nog zoo wild en woest dat het schier hopeloos scheen de opvarenden te kunnen redden. Echter werd door schipper Schroevers een fakkel afgestoken, wat door de schipbreukelingen werd opgemerkt en men hoopte op deze wijze hun moed te geven, omdat zij nu overtuigd konden zijn dat de redding nabij was. Werkelijk heeft, zoo een der opvarenden ons heden vertelde, dat teeken de uitgeputte zeelieden nieuwe moed gegeven. Intussen bleef de botter den heelen nacht in de nabijheid van den schoener, doch herhaaldelijk raakte het vaartuig vol water en moest des dadelijks met kracht dit water weer worden verwijderd.
Onder deze omstandigheden vond schipper Schroevers het beter, met het oog op eigen levensbehoud den dag af te wachten, alvorens verdere pogingen tot redding te doen. Nochtans bleven echter de dappere redders den geheelen nacht bij het wrak zwalken, ten speelbal aan de woeste golven; want al was de wind gaan liggen, het was daar nog zeer ruw. Dat schipper Schroevers met zijn zoons een verschrikkelijke nacht hebben doorgemaakt kan men zich wel indenken. Wij zeiden boven echter reeds dat het menschlievende doel voorzat om deze uitgeputte schepelingen te helpen.
Om half vier werd weer getracht bij het wrak te komen, doch helaas, de bom sloeg vol water en daarom werd het aanbreken van den dag maar afgewacht.
Zondagmorgen tegen half acht werd nu koers gezet naar het wrak en na herhaalde pogingen gelukte het werkelijk bij de “Doris” te komen en werd een anker over het schip geworpen, dat in den grond terecht kwam. De botter lag dus nu in zooverre beter dat hij niet kon afdrijven. Wel was deze ook daar door de voortdurende deining ten prooi aan de nog steeds woedende elementen, doch men kon nu tenminste overgaan om te trachten de schipbreukelingen te redden. Wij zeggen te trachten want het reddingswerk was levensgevaarlijk.
Het eerst werd de stuurman gered, door middel van een lijn. Vervolgens werd een der matrozen die in het water was gesprongen, binnen boord gehaald, en als laatste werd de kapitein, die eveneens in het water sprong, gered. Toen de kapitein te water lag en met een lijn naar den botter werd gehaald, werd de kapitein nog geraakt door het berghout van den botter, doch gelukkig werd hij niet gewond. De kapitein was overigens geheel uitgeput en moest toen hij aan boord van den botter was, met drie man naar het kombuis van het vaartuig worden gedragen. Schipper Schroevers en zijn dappere zonen hadden heldenwerk verricht!
Toch was het onbeschrijfelijk hard voor de onverschrokken helden dat het hun onmogelijk was, nog een der matrozen, die in de voormast zat, te redden. Men stelde evenwel dezen uitgeputte matroos gerust, dat men ook hem wel zou helpen, omdat de reddingsboot nu weer in de nabijheid was. Schipper Schroevers die met ware doodsverachting deze drie menschen had gered, zou echter nogmaals getracht hebben ook dezen laatste schipbreukeling behouden in zijn botter te krijgen, ware het niet dat de reddingsboot reeds te zien was.
Toen hij dus wist dat redding nu ook mogelijk was, meende hij niet langer het leven van alle opvarenden op den botter in de waagschaal te mogen stellen en werd daarom naar hier gezeild.
De reddingsboot was inmiddels bij het wrak genaderd en de matroos die nog in de mast zat, P.Johnson genaamd, was geheel verkleumd en de man dacht niet anders dan dat hij zijn graf in de golven zou vinden.
Evenwel was hij gelukkig goed overtuigd van wat hetgeen hij bij deze redding moest doen. Toen dan ook de reddingsboot een gordel aan een lijn in de richting van het schip wierp, sprong hij in dezen gordel en werd zoo binnen boord gehaald.
En hiermede was de laatste der levende schipbreukelingen gered. Een der opvarenden, de 18 jarige kok, E.Crocker, die slechts een paar dagen aan boord was, was Zaterdagavond 8 uur, in zee gesprongen. De arme jongen was krankzinnig geworden. Bovendien had hij zich in de mast niet vastgebonden, anders zou hij zeker ook wel gered zijn geworden. De namen van de geredden zijn: kapitein T.Mayor, stuurman K.Caddy en de matrozen P.Johnson en D.Rowlands. Over het algemeen maken zij het goed. Alleen de kapitein klaagt nog over pijn in zijn zijde.
Het was hier voldoende bekend welk gevaarlijk waagstuk schipper Schroevers met de zijnen was gaan ondernemen en reeds stonden vele honderden op den boulevard met spanning de terug-komst van den botter op te wachten. Tegen 10 uur des morgens kwam de botter in het gezicht en zooals men met de verrekijker zien kon met de vlag in top ten teeken dat men geredden aan boord had. De kustwacht van Westkapelle had inmiddels bericht dat de botter van Schroevers menschen had gered.
Eindelijk omtrent half twaalf kwam Schroevers de Westerhaven binnenzeilen, begroet met luide hoera’s door de duizenden menschen die op den boulevard waren samengestroomd.
Bij aankomst werden de schipbreukelingen opgewacht door den heer P.L.de Bruijne en dr. A.J.de Koning, die inmiddels ontboden waren, de schipbreukelingen dadelijk onderzocht. Na eerst bij Schroevers in huis te zijn binnengebracht zijn de menschen later door bemiddeling van de heer P.L.de Bruijne van droge kleren voorzien en in hotel “de Wijnberg” ondergebracht. De redders die doornat thuis kwamen, waren allen zeer vermoeid, doch Schroevers en zijn zoons kenden die vermoeienis niet. Het was eene redding van menschenlevens die hen reeds sedert Zaterdagmiddag heeft bezield, en zij konden niet thuis blijven. Een ieder die Schroevers en zijne zonen kent, weet dat men hem altijd bereid zal vinden hulp te bieden en dat zij durven aanpakken.

De medailles van Schroevers

Thans echter hebben zij een redding volbracht waarover een ieder verbaasd staat, en een woord van ruimschoots verdiende lof mag niet onthouden worden aan Schroevers en zijne zonen voor de gevaarvolle redding, waarbij zij groot gevaar liepen hun eigen leven te verliezen.
Wij hopen en verwachten dat deze helden, naast hun officieele belooning ook van de zijde van de stadsgenooten zullen mogen ondervinden dat dit heldenwerk op den rechten prijs wordt gesteld. Laat men daarom spoedig een commissie vormen die zich zal belasten met het inzamelen van giften om deze kranige visschers te toonen dat men gaarne zulk onverschrokken werk beloont. Wie neemt daartoe het initiatief?
Van verschillende zijden, wordt ons verzocht er vooral op te wijzen dat het onverantwoordelijk is dat toen men den botter gisterenmorgen hier zag aankomen en deze door de ebbe moeite had binnen te komen, geen pogingen werden gedaan om dat binnenkomen te verhaasten. Men wist toch niet of de geredde schipbreukelingen soms gewond waren en zeker was het meer dan gewenscht dat deze verkleumde menschen zoo spoedig mogelijk van droge kleeren werden voorzien. Men verzekert ons van bevoegde zijde dat, zoo men den botter had geholpen om binnen te komen,de geredden een uur eerder aan wal hadden kunnen zijn. Daar ons met aandrang werd verzocht hierop vooral te wijzen voldoen wij hieraan.
Wij hebben heden, nu de schipbreukelingen wat op verhaal gekomen waren, een onderhoud met enkelen der geredden gehad. Wij vernemen dat de stalen driemastschoener “Doris” geladen was met pijpaarde en van Plymouth naar Gent bestemd was. Het vaartuig was bruto 137 en netto 99 ton groot en in 1904 te Appledow gebouwd. Het schip is als geheel verloren te beschouwen.
Met het vliegende stormweer in den nacht van Vrijdag op Zaterdag geraakte het roer van het schip onklaar en was het dus een speelbal der golven. Het spreekt vanzelf dat alle man aan dek was, vooral nu men ieder oogenblik voor stranding bevreesd moest zijn, omdat het schip niet meer gestuurd kon worden. Zoo strandde Zaterdagmorgen ongeveer 4 uur de “Doris” op de Noorderrassen onder Westkapelle en het schip raakte dadelijk zoo vol water dat men zijn toevlucht moest nemen in de masten. De kapitein, stuurman en een der matrozen en de kok vluchtten in den achtersten mast, terwijl de matroos Johnson in den voormast klom. Men vreesde onmiddellijk het ergste, omat de wilde zee het vaartuig voortdurend met kracht bestookte. Het was niet mogelijk op welke wijze dan ook de aandacht op het ongeluk te vestigen en moest de dag worden afgewacht en hadden de schipbreukelingen zich inmiddels vastgesjord, behalve de kok.
Toen nu Zaterdagmorgen geen hulp kwam opdagen dachten de schipbreukelingen niet anders dan dat zij allen verloren zouden zijn, temeer omdat de zee zoo wild bleef.
De reddingsboot die des morgens was uitgevaren hadden zij nauwelijks bemerkt, deze was volgens het zeggen van een der geredden “miles away”.
En zoo stonden de arme schipbreukelingen, wachtende of toch in het geheel geen hulp zou opdagen. Echter de avond viel en nog steeds bleef de dood hun voor oogen staan. Eindelijk werd nachts half twee een teeken gegeven dat hulp nabij was; het was schipper Schroevers die daar was en hoe deze de redding volbracht vertelden de geredden daarna uitvoerig. Dat zij de meeste achting voor hunne redders hebben, wie zal daaraan nog twijfelen. Zij zouden het daarom zeer op prijs stellen als zij als blijvend aandenken het portret van allen konden meenemen. Daarom zijn gisteren en heden de redders in een groep gefotografeerd en zullen de geredde schipbreukelingen, die waarschijnlijk Donderdag van hier vertrekken de portretten kunnen meenemen, ten einde ook hun familieleden te kunnen toonen aan welke eenvoudige, doch dappere zeelieden zij hun leven hebben te danken.Het laat zich wel begrijpen dat de familie Schroevers gisteren en heden van alle kanten gelukwenschen in ontvangst had te nemen en wij voegen gaarne de onze daarbij.Voor zulke edele menschenredders past een eerbiedig saluut.
Zijn echter zulke blijken van belangstelling en waardering voor de redders aangename verrassingen, voor hun zelven evenwel is het feit dat hun schier hopelooze strijd tegen de woedende elementen, met zulk een gunstigen uitslag is bekroond geworden, de beste belooning.
Met eeen driewerf “hoera!” voor schipper Schroevers, zijn vijf zonen en den kleinzoon, eindigen wij voor heden onze beschrijving van deze scheepsramp.


De grafsteen van Jacob Schroever en zijn vrouw

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Ga naar boven