Arnemuiden heeft niet veel monumenten uit haar
gouden eeuw geërfd!
Wat er nog is proberen de besturen van het
Oudheidkundig Museum, de Historische Vereniging en het W.O.P
zoveel mogelijk te bewaren en in stand te houden. Een zeer oud
monument was de grafzerk uit het jaar 1495, die in
februari 2001 van onder de kerkvloer tevoorschijn kwam.
Toch is er nòg een uniek monument, de eeuwen door,
bewaard gebleven. Op een onopvallende plaats en aan het oog
onttrokken. Het is de groote oude clocke uit het jaar
1518. Van haar kan met een variant op het lied van de klokke
Roeland uit Gent wel gezegd worden: Boven Arnemuyden
rijst. Eenzaam en grijs. De clocke Jhesus, toonbeeld uit t
verleden.
Nog steeds laat deze bijna vijfhonderd jaar oude
klok, op Oudejaarsavond en bij begrafenissen, zijn sombere
klanken over Arnemuiden beieren. Het is bijna onvoorstelbaar dat
deze zelfde klok dit ook deed in de glorietijd van Arnemuiden (de
16e eeuw), in de rooms-katholieke periode, tijdens de
Reformatie, de beeldenstorm, de Tachtigjarige Oorlog, tijdens de
(17e) Gouden Eeuw, in de 18e eeuw van
patriotten en prinsgezinden, de 19e eeuw van de
doorbraak op industrieel gebied, in de 20e eeuw van onze
grootouders. Wat een historie verenigt de groote oude
clocke van Arnemuiden in zich. Evenzeer geldt
dit voor het klokkenspel. Hoewel het carillon weliswaar van
mindere ouderdom is (o.a. 9 klokken van 1553/1554 en 7 van 1583),
blijkt uit het boek Luidklokken en beiaarden in Nederland
van F. Timmermans dat het niettemin het op één na oudste
carillon van Nederland is. Op de geschiedenis van de beroemde
klok van Arnemuiden, de groote oude clocke, en
het eeuwen-oude carillon wil ik in een tweetal artikelen ingaan.
Het lied Als de klok van Arnemuiden krijgt,
als we de indrukwekkende historie van de grote klok en het
carillon op ons in laten werken, een nòg welluidender betekenis.
De groote oude clocke vertelt zijn
levensloop zelf. Het in 1518 aangebrachte randschrift op de klok
geeft in oude Duitse letters zijn levensverhaal kort weer. Sober
en sonoor klinkt het:
Jhesus is mijnen name.
Mijn gheluyt sij Gode bequame.
Alsoo verre men mij horen sal.
Wilt God bewaren overal.
Peter Waghevens goot my in t jaar
MCCCCCXVIII
Vanaf de bouw in 1505 had de Sint Maartenskerk
aanvankelijk een houten toren. Ik heb de indruk dat deze oude
luidklok uit het jaar 1518 al in deze houten toren heeft gehangen.
Zekerheid hierover geeft het oud archief van de stad Middelburg,
waaronder Arnemuiden toen viel, niet. Wel blijkt uit
archiefgegevens dat de Sint Maartenskerk vóór het
aanbrengen van het carillon in 1583 al een klok bezat. Want op 7
november 1581 bepaalde het Stadsbestuur dat de klok kon worden
geluid bij begrafenissen. Ongetwijfeld is dit de groote
oude clocke geweest.
Opmerkelijk is dat de Stadsrekening van Middelburg
van 1517/1518 vermeldt dat Pieter Wageveijns £ 16.13.4 kreeg over
dat hij aangenomen had voor de stad te maken een groote
luyerclock, wegende 1200 pond of daaromtrent met den voorslag
daartoe dienende.
Door de geweldige storm in de nacht van de 7e
maart 1582 stortte de voorgevel van de kruiskerk in. De in 1564/1565
nieuwgebouwde toren was zo geschonden dat hij moest worden
afgebroken. Het Stadsbestuur besloot tot de bouw van een nieuwe
toren op de kruiskerk. In april 1582 werd Meester Jan Boogaert
naar Brugge gestuurd om daer zoe veel steens, te weten
brycken, tot behouff van der kercke te coopen als den oorboor
aldaer wesen sal. Op de 23e mei 1582 werd de
nieuwe toren aan Jacob Joosen aanbesteed.
Kort daarop kwam de pensionaris van Arnemuiden, mr.
Heijndrick Zonnius, in contact met de koopman Aarnout van Thuijl
uit Antwerpen. Bij de reductie van Mechelen (bedoeld
zal zijn de verovering van Mechelen door de Spanjaarden in 1572
en tijdens de godsdienstige troebelen daarna) was de Antwerpse
koopman Van Thuijl in het bezit gekomen van het uurwerk met
kleine klokken, die tot voorslag gediend hadden van het
nonnenklooster Roosendale te Walem, even ten noorden van de stad
Mechelen. Het carillon voor de abdijtoren van dit klooster werd
in de jaren 1554-1557 gegoten door de beroemde Vlaamse
klokkengieter Peter van der Ghein te Mechelen. Het klooster zou
in 1580 verwoest zijn. Mr. Zonnius zag kans om dit carillon (een
horologie met een accoort van clocken) van Van Thuijl
te kopen voor £ 75 benevens 50 gulden voor een marktstuk. Het
door hem gesloten contract bevindt zich nog in het oud archief
van Arnemuiden.
Ook in het oud archief bevindt zich een brief van 12
augustus 1582 van de schout van Mechelen, Albert de Fraisne.
Hierin schrijft De Fraisne in antwoord op een brief van het
Stadsbestuur van Arnemuiden dat ten tijde der reductie
in zijn handen zijn gesteld 13 of 14 kleine klokken, gediend
hebbende tot het voorslag van het uurwerk op het klooster
Roosendale, waarvan het uurwerk voor schuld gekomen was aan
Arnoult van Thuijl, koopman te Antwerpen.
Vermoedelijk stond koopman Van Thuijl nog in het
krijt bij de schout van Mechelen. Want een week later, op de 20e
augustus 1582, schrijft het Arnemuidse stadsbestuur aan De
Fraisne dat ze aan koopman Van Thuijl niets zullen betalen
voor het uurwerk met 14 of 15 klokken dat zij van hem gekocht
hebben, voor en aleer Van Thuijl met De Fraisne heeft afgerekend
en dat De Fraisne dus geen zwarigheid moet uit de klokken laten
volgen.
Weer een week later, de 27e augustus 1582,
wordt een contract gesloten tussen het Stadsbestuur van
Arnemuiden en Jan Ingelsz., horloge- of klokkenmaker te Mechelen.
Daarin wordt overeengekomen dat Ingelsz. voor het uurwerk en het
klokkenspel, door Van Thuijl aan die van Arnemuiden verkocht, zal
maken en leveren 200 gevysde noten (pinnen voor de
speeltrommel of schroefnoten voor het speelwerk), vier ijzeren
handen voor wijzers en vier raderen om de wijzers te doen
draaien, mitsga-ders alle hamers, klepels en ijzerwerk om de
klokken te doen gaan, te doen slaan, te spelen en baye-ren (luiden),
voor een som van 125 gulden Brabantse munt, mitsgaders binnen
Arnemuiden den montkost voor zich en een knecht zo lang hij daar
werkzaam moest wezen. Bovendien zou voor rekening van
de stad blijven het ijzerwerk om de hamers en klepels te trekken
en benevens al het houtwerk. Voor buitengewone werkzaamheden
wordt in de stadsrekening van 1582 verantwoord een bedrag van £
33.3.4. Op 3 september 1582 wordt de eerste termijn voor het
uurwerk en de klokken betaald. In januari 1583 komt de
Mechelse klokkenmaker Jan Ingelsz. naar Arnemuiden om de klokken
op de toren te installeren. Het gaat hier om één klok van 1553,
acht klokken van 1554, één van 1556 en één van 1573, alle elf
gegoten door Peter van der Gheyn.
Een jaar na aankoop, volgens een archiefstuk van 13
juli 1583, dient de eerste clockspeelder van de Sint
Maartenskerk, Louis Baston, een verzoek in bij het stadsbestuur
om t accoort van de elff clocken tot 17 of 18
clocken te doen gieten ende te laten maecken en dat de
burgemeesters daarin de beste ende bequaamste middelen ramen
zullen om tselve metten aldereersten gedaen en gevoorderd te
worden.
Het gevolg is dat het Stadsbestuur bij de beroemde
Pieter van der Gheyn te Mechelen klokken laat gieten tot een
gewicht van 4674 pond. De stad kreeg daarvoor negen nieuwe
klokken. Van 25 augustus 1583 dateert de afrekening van de
Arnemuidse klokkenspeler Louis Baston met de klokkengieter Van
der Gheyn uit Mechelen. Daaruit blijkt dat Baston in de waag te
Mechelen ontving 9 klokken, wegende 4713 ponden, waarvoor zes
gulden per 100 pond voor het vergieten moest worden betaald. Ik
vond aangetekend dat Pieter van der Gheyn hiervoor een aantal
klokken van zijn in 1561 overleden vader Pieter van der Gheyn
hergoot. Het stadsbestuur leverde daarvoor aan Van der Gheyn 4674
ponden metaal. Ik heb niet kunnen achterhalen waaruit dat metaal
bestond. Maar ik veronderstel dat het hier een aantal niet
gebruikte klokken uit de aankoop van het carillon uit het
klooster Roosendale, die destijds door vader Van der Gheyn
gegoten waren, betreft. Immers bij de aankoop van het carillon in
1582 is sprake van 14 of 15 klokken, terwijl er maar 11 klokken
in de toren werden gehangen.
De van het klooster van Roosendale bij
Mechelen afkomstige elf klokken werden in 1583 dus uitgebreid met
negen nieuwe klokken tot een klokkenspel van in totaal 20 klokken.
Samen met de groote oude clocke kwam het klokkenspel
daarmee op 21 klokken. Vier klokken van het carillon dragen de
naam Maria, één de naam Anna, één de
naam Christina en één de naam Jhesus.
De overige klokken hebben geen naam maar vermelden alleen het
jaar waarin en door wie ze zijn gegoten. Hiermee verkreeg de
kruiskerk haar beroemde carillon, dat nu al 420 jaar lang met een
enkele onderbreking in de toren hangt.
Uit het notulenboek blijkt dat de Arnemuidse timmerluyden
op 23 augustus 1583 adviseren zowel de oude als de nieuwe klokken
behouden te laten blijven. Wel vinden ze het
noodzakelijk om de thoren te stiven (te verstevigen).
Op de 25e augustus 1583 besluit het Stadsbestuur, dat
men de thoren stiven sal volgens tpatroon van de
stivinge daaraan bij `timmerluyden gemaekt ende dat voorts de
nieuwe clocken gehangen zullen worden daerse tot meerder
stivinghe van den thoren gevouchlickst ende bequamelickst hangen
zullen. En verder besluit het Stadsbestuur: Mitsgaders
dat de voorseide oude clocke alhier noch 8 of 14 dagen gehouden
zal worden tot dat de grootste nyeuwe clocke gehangen ende
tgeluijt daarvan gehoort sal wesen.
En gelukkig, op 30 augustus 1583 besluit het
Stadsbestuur dat de groote oude clocke mag
blijven!
Het notulenboek maakt melding van deze historische
gebeurtenis met de volgende woorden: Naer dien de
grootste nyeuwe clocke van taccoord gehangen zijnde tegens de
groote oude clocke en daer tegen van tgeluijtshalve
geconserneert (beoordeeld op de kwaliteit van de klank) ende die
groote oude beter van geluijde dan de nyeuwe bevonden is geweest,
zo wordt besloten, de oude clocke mede te houden daerse
tbest ende bequamelijckst dienen zal. En zo mag de groote
oude clocke Jhesus van 1518 in Arnemuiden blijven en
hangt deze nu, 420 jaar later, nog steeds in de donkere
klokkekamer van de toren. De groote oude clocke met
de naam Jhesus van 1518 diende voortaan als brandklok. De andere
grote klok met de naam Maria fungeerde vanaf nu vooral om
de ingezetenen tot de godsdienst te nodigen. Het
randschrift van deze klok vermeldt: Maria, van Peter van
der Gheyn geghoten MCCCCCLXXXIII (1583).
De horlogemaker van Delft te hulp geroepen en het
gevolg
Nu hing echter het klokkenspel er wel, maar het
mechanisme bleek niet deugdelijk te zijn. Daarom werd op 26
februari 1589 besloten de horlogemaker Jan Dirckzoon Coop uit
Delft opdracht te geven tot het maken van een nieuwe
speeltrommel (of speelrad), hamers, veeren, etc. om al de klokken
in het voorslag te doen spelen. Het ijzerwerk had een
gewicht van 5892 pond. Hiervoor is in de Stadsrekening van 1589
een uitgaaf opgenomen van 1767 gulden + meerwerk voor 385 gulden.
Na de verkoop van het carillon in 1885 deed deze
speeltrommel van horlogemaker Coop geen dienst meer. In 1900 werd
voor de oude ijzeren trommel van het carillon
door een opkoper 25 gulden geboden. Het gemeentebestuur ging hier
niet op in. Maar in 1904 werd de historische speeltrommel
verkocht aan de smid J.L. Buijs op de hoek Markt/Langstraat.
De kontakten met de Delftenaar Coop hadden een
opmerkelijk gevolg. Want tegelijk werd in februari 1589 besloten
dat alsnog het ijzer- en raderwerk gemaakt zal worden,
dat de getijen van twater met hare brekende kwartieren aangeeft,
alzoo wij dat mondeling met elkander verhandeld hebben.
Hiermee verkreeg Arnemuiden haar unieke historische getijdenklok,
die nu al ruim 400 jaar in de toren is aangebracht. Op de
getijdenklok wil ik een volgende keer nader ingaan.