"De Veer" (Joos
Marijs) ging een eindje kuieren (wandelen).
L. van Belzen
Dat zal me een opschudding gegeven
hebben op zaterdagavond 5 april 1902! In de herberg van H.
Meer-man was gevochten om een meisje. Joos Marijs ("de
Veer" genoemd) had met z'n mes Klaas van Belzen en diens
jongere broer Marinus van Belzen (zonen van Slisje)
verwond. De oorzaak was jaloezie om een meisje, Jacomina
Meulmeester (Mientje Kuuper genoemd). Mientje verkeerde
met Klaas van Belzen. Toch liep Joos Marijs haar steeds achterna
om met haar verkering te krijgen. Ze was echter van z'n avances
niet gediend en trouwde met Klaas op 12.4.1904 te Arnemuiden.
Kort na de veroordeling door de
rechtbank vroeg Joos Marijs op zaterdagochtend aan z'n moeder om
zijn zakgeld. Hij zei dat hij "een eindje ging kuieren".
Men heeft nooit meer iets van hem gehoord!
In het bevolkingsregister
(Arnemuiden 1900-1920) is achter zijn naam in de kolom
"Beroep" de aanduiding "visser" veranderd in
"matroos ter koopvaardij". Later ontstonden over hem
allerlei verhalen. Z'n neef Cornelis de Nooijer (een zoon van z'n
zuster Keetje, getrouwd met "arme Jaap")
vertelde dat z'n oom Joos kapitein was op een Amerikaanse
vrachtboot. Na de oorlog vertelde Job Meerman (Job van
Loodsje), die diende bij de Koninklijke Marine, dat hij
tijdens de oorlog ergens in een havencafé in Australië een oude
zeeman ouderwetse (Arnemuidse) liedjes had horen zingen zoals "Toen
ik op Neerlands bergje stond". Hoe dan ook: Joos was weg
en bleef weg!
Joos was de zoon van Jacobus
Marijs (Koolwiekje) en Maatje van Belzen (Ma Siene).
Hij werd geboren te Arnemuiden op 9.2.1883. Hij werd veroordeeld
op 23.5.1902 door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg tot
vier maanden gevangenis (de eis was zes maanden). Hij heeft deze
straf echter nooit uitgezeten (althans dit is in de gerechtelijke
archieven niet bekend). Naar de Verenigde Staten is hij niet
vertrokken. Zeker niet onder zijn eigen naam, want hij komt niet
voor in de archiefboeken van Nederlandse emigrantennamen van de
Amerikaanse regering.
Van het verslag van de rechtbank
is alleen de eerste en laatste pagina gecopieerd; de
tussenliggende pagina's (de getuigenverklaringen) zijn in
verkorte vorm weergegeven.
Ter verduidelijking nog enige
verdere gegevens.
De herberg van Hendrik Meerman
stond halverwege de Lionstraat. Deze was eigenlijk van zijn vrouw
Geertruid Rijkse, van beroep herbergierster. De bijnaam van
Jacomina Meulmeester, Mientje Kuuper, is afkomstig van haar
grootmoeder Cornelia Kuyper, geboren op 31.10.1839 te Arnemuiden
als dochter van Pieter Kuyper en Adriana Klaasse. Cornelia Kuyper
trouwde op 19.4.1862 te Arnemuiden met Lieven de Nooyer. Dochter
Adriana de Nooyer uit dit huwelijk trouwde met Isaak Meulmeester;
dit waren dus de ouders van Jacomina (Mientje) Meulmeester.
De getuigen waren:
- Klaas van Belzen, geb.
25.8.1883 Arn.; overl. 18.11.1967 Arn.;
- Marinus van Belzen, geb.
6.7.1887 Arn.; overl. 15.12.1950 Arn.;
- Jacobus Lourus Toussaint
(schoenmaker te Arn., alhier beter bekend als Ko
Seluu);
- Ary de Meulmeester (Bonte
Arie), geb. 27.7.1881 Arn.; overl. 1.4.1943 Arn.;
- Jacomina Meulmeester, geb.
23.11.1884 Arn.; overl. 26.9.1967 Arn.;
- Casper Mulder, geb. 8.7.1884
Arn.; overl. waarschijnlijk te Vlissingen.
Verder was in de herberg aanwezig
een zekere De Nooijer. Deze wordt niet met name genoemd en ook
niet als getuige gehoord.
Getuigenverklaringen:
- K. van Belzen verklaarde dat
hij op die bewuste tijd en plaats samen met de 6e
getuige Mulder en een zekere De Nooyer was gezeten aan
een tafeltje in de herberg van Meerman, waar zich ook de
beklaagde bevond. Toen Mulder zich even naar buiten begaf
stond hij op en ging naar de toonbank waar beklaagde
ruzie met hem begon te zoeken, hem daarna achterna kwam
naar het tafeltje, naast hem ging staan met een geopend
mes (zoals op de zitting aanwezig) en onder het zeggen
van: "Ben je hier bang voor?", hem 2 steken in
de linkerbovenarm toebracht en daarna nog een verwonding
boven het rechteroog. Getuige raakte daarop enigszins
bedwelmd en bloedde uit zijn verwondingen. Na eerste
heelkundige hulp van dokter Catz is hij daarna nog 12
dagen onder doktersbehandeling geweest, zodat hij niet
mocht werken.
- M. van Belzen (14 jaar,
zonder eed) verklaarde dat hij zich op bedoelde tijd met
nog enige andere jongens in gezegde herberg bevond en had
gehoord dat de beklaagde aan eerste getuige vroeg:
"Waar is Mulder?", waarop deze antwoordde:
"die moet je maar zoeken". Daarop daagde
beklaagde de eerste getuige uit tot vechten. Toen eerste
getuige van de toonbank terugging naar zijn tafeltje,
volgde beklaagde hem, stak de rechterhand in zijn
broekzak en haalde daaruit een geopend mes, zoals ter
zitting aanwezig, en vroeg: "Ben je daar bang
voor?", waarna hij de eerste getuige twee steken
toebracht in de linkerbovenarm. Hij verklaarde verder dat
hij de beklaagde toen vroeg: "Waarom snij je mijn
broer?". Zonder iets te zeggen bracht beklaagde ook
hem een bloedende snede over het voorhoofd toe. Na gedane
hechtingen door dokter Catz mocht hij 14 dagen niet
werken.
- J.L. Toussaint verklaarde dat
hij op bedoelde tijd in de herberg komende enige jongens
aan de toonbank zag staan die ruzie hadden, waaronder de
beklaagde die erg boos leek. Hij zag dat beklaagde de
rechterhand in zijn broekzak stak en daaruit een knipmes
voor de dag haalde, dit mes zag openen en vervolgens de
eerste getuige twee steken in de linkerbovenarm zag
toebrengen. Daarop wierp de zesde getuige met stoelen
naar de beklaagde. Hij verklaarde verder dat de tweede
getuige met een bebloed gezicht naar hem toekwam en zei:
"Daar krijg ik zomaar een snee". Hij verklaarde
tenslotte dat hij het mes, in judicia, uit handen van
beklaagde had genomen en aan veldwachter Beks
overhandigd.
- A. de Meulmeester verklaarde,
dat hij op vorenvermelde tijd de eerste getuige naar de
toonbank heeft zien gaan, waar enige jongens ruzie
maakten over een meisje Meulmeester en dat hij beklaagde
hoorde vragen naar Mulder. Hij verklaarde verder dat hij
beklaagde een mes uit zijn rechterbroekzak zag halen en
met dat geopende mes de eerste getuige tot tweemaal toe
in de linkerbovenarm zag steken, daarna een verwonding
aan het rechteroog toebracht en tenslotte een steek in de
rug. Dat daarop de tweede getuige aan beklaagde vroeg
waarom hij zijn broer had gesneden, waarna beklaagde de
tweede getuige een bloedende snede over het voorhoofd
toebracht. Hij verklaarde voorts dat vorige getuige
(Toussaint) het mes van de beklaagde heeft ontnomen, maar
dat hij niet had kunnen zien of de steken, aan de eerste
getuige in arm en rug toegebracht, verwondingen hadden
veroorzaakt, uit hoofde van de kleren die de eerste
getuige destijds droeg.
- Jacomina Meulmeester
verklaarde verkering te hebben met eerste getuige, maar
dat beklaagde haar steeds naliep om met haar verkering te
hebben. Op de bewuste avond om ongeveer 7 uur had
beklaagde haar ontmoet op de openbare straat te
Arnemuiden en, uit jalouzie, iets wraakzuchtigs en
kwetsend tegen haar gezegd (naar mijn mening niet voor
publicatie geschikt. LvB).
- C. Mulder verklaarde dat hij
op gezegde tijd in de herberg aan een tafeltje zat met
eerste getuige en een zekere De Nooyer, dat hij zich even
daarna had verwijderd en naar buiten was gegaan, en
terugkomend waarnam dat beklaagde met eerste getuige een
woordentwist had en beklaagde een geopend mes in de hand
hield, als ter zitting getoond. Hij verklaarde verder
niet te hebben gezien dat beklaagde hiermee de eerste
getuige had gestoken maar wel dat beklaagde de tweede
getuige een snede over het voorhoofd toebracht na de
vraag: "Waarom steek je mijn broer?". Hij
verklaarde tenslotte te hebben gezien dat derde getuige
het mes van beklaagde afnam en dat hij daarna naar de
beklaagde een stoel had geworpen en hem met een klomp op
het hoofd had geslagen.
Overwegende, dat beklaagde ter
gerechtszitting heeft opgegeven dat zesde getuige begonnen was
hem in de herberg te mishandelen door slaan, schoppen en met een
mes te verwonden (welke opgave echter door geen enkele der
gehoorde getuigen is bevestigd);
dat hij daarna buiten zichzelf is
geraakt en niet meer wist wat hij daarna al of niet gedaan had;
dat hij ontkent in gezegde avond
enige bedreigende woorden te hebben geuit tegen vijfde getuige;
dat hij het hem getoonde mes
herkent als het zijne welke hij op die avond bij zich droeg;
overwegende dat uit een ter
rechtzitting voorgelezen proces-verbaal van de rijksveldwachter
Beks te Arnemuiden blijkt, dat deze op bewuste avond uit handen
van derde getuige in beslag genomen had, wel degelijk het in
judicia aanwezige mes was;
overwegende, dat alzoo uit de
verklaringen van de eerste, derde en vierde getuige is bewezen
het eerste en door de verklaringen van de vierde en zesde
getuige het tweede feit de beklaagde ten laste gelegd
(iedere verklaring slechts in zoverre zij het bedoelde feit
betreft), terwijl die bewijsmiddelen tevens de
schuld-plichtigheid van de beklaagde aan die feiten medebrengen,
dat de beklaagde in den avond van 5 april 1902 te omstreeks 9 uur
in de herberg van H. Meerman te Arnemuiden moedwillig met een mes
K. van Belzen 2 steken in den linkerarm en M. van Belzen ene
snede in het aangezicht heeft toegebracht, tengevolge waarvan
deze bloedend verwond zijn.
Bronnen: Gerechtelijke
archieven te Middelburg.
B.S. en bevolkingsregister
Arnemuiden.
Excuses voor de gebruikte bijnamen
ter verduidelijking.
terug naar index