Historische Vereniging Arnemuiden

Fragment uit Albrecht Dürer in de Nederlanden

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Op Onze Lieve Vrouwe avond reisde ik met de gezellen naar Zeeland. Sebastiaan Imhof leende mij 5 gulden. Wij lagen de eerste nacht voor anker op zee; het was zeer koud, en wij hadden noch spijs noch drank. Des zaterdags kwamen wij aan in Ter Goes; daar heb ik een meisje in hare kleding geconterfeit. Wij voeren naar Erma (Arnemuiden), en kwamen voor het eiland Walcheren. Te Ernig (Arnemuiden) lagen wij overnacht. Van daar trok ik naar Middelburg. In de abdij zag ik het schilderij van Joannes De Mabuse; dit is beter geschilderd dan getekend. Daarna voer ik naar Terveer (Veere), waar de schepen van alle landen aankomen: het is een zeer fraai stedeken. Maar toen wij te Aremuiden aankwamen overviel ons een groot ongeluk. Juist toen wij daar wilden aanlanden en ons touw overwierpen kwam er een schip met geweld op ons toegezeild, terwijl we aan het uitstappen waren; zodanig dat ik een ieder, door het gedrang, voor mij liet uitgaan; zodat niemand dan ik, George Kotzler, twee oude vrouwen, de schipper en een jongen in het schip bleven. Omdat het schip zo henen sleep, en dat ik met de anderen die daar in waren daarvan niet konden afwijken, brak het zware touw, en een sterke stormwind dreef ons schip met geweld heen. Wij riepen allen om hulp; maar niemand waagde het ons te helpen: en zo sloeg de wind ons weer in zee. Daar roept de schipper en schreeuwt dat zijn knechten allemaal al ontscheept zijn en zijn schip dus niet volladen. Het was angstig en druk; de wind was hevig en er waren niet meer dan zes persoonen in het schip, Ik sprak tot de schipper: hij moest moed scheppen en hoop op God hebben. En na dat, wat zal het dan wezen, zei hij? Wij wilden dat hij het klein zeil zou hijsen en proberen dan weer te mogen afvaren. Zo hielpen wij elkaar zo veel mogelijk en voeren eindelijk richting wal. Toen kwamen de anderen die op het land stonden ons bij staan want zij zagen onze kloekmoedigheid, en wij genaakten de wal.

Middelburg is een goede stad; heeft een zeer fraai raadhuis met een kostelijken toren: daar is aan alle dingen veel kunst. In de abdij is een allerkostelijkst gestoelte en een overheerlijke portiek van steen. De parochiekerk is zeer schoon; en voor een andermaal ware die stad kostelijk om na te tekenen. Zeeland is hups en wonderlijk om zien, behalve het water: want het is hooger dan het aardrijk.

Te Ernig (Arnemuiden) heb ik mijn waard geconterfeit. Meester Hugo, Alexander Imhoffen en Frederic des Hierschvogels dienaar hebben mij ieder een Indiaanse hoen vereerd die zij met het spel gewonnen hadden; en de waard schonk mij een volwassen ui. Des middags vroeg voeren wij weer met het schip uit. Wij kwamen te Terveer (Veere) en vervolgens te Zierikzee. Daar wilde ik de grote vis (walvis) zien, die door de vloed weer is weg gehaald. Ik heb 2 gulden aan veren en teerkost uitgegeven, en 2 gulden aan een dekmantel. Ik kocht een vogelhuis aan van 1 stuiver en gaf 3 stuiver voor het thuisbrengen. 6 stuiver heb ik verspeeld, en ik vertrok naar Bergen. Ik heb de waard Aiden geconterfeit, ook de schnabhann, en 10 stuiver voor een ivoren kam gegeven. Ik kocht een stuk tin aan voorn2 gulden min 5 stuiver, en een stuk gewoon tin voor 2 gulden; ook geconterfeit te Bergen; den jongen Bernhard van Breslen, George Kotzler en François van Camerijk: gaven mij ieder een gulden, zo ook Jan de Has-Eiden. Ik kocht nog 2 stukken tin voor 4 gulden min 10 stuiver en conterfeitte Nicolaas Soilir. Dat is nu de negende maal sinds  ik Zeeland heb verlaten dat ik te Bergen heb gegeten, iedere maal voor 4 stuiver. Ik gaf de voerman 3 stuiver en op vrijdag na St. Lucia kwam ik weer te Antwerpen bij Joost Planckfeld.

Ga naar boven