Historische Vereniging Arnemuiden

Uit het schrift van Abraham Buijs

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Arneklanken: Augustus 1996

1 Januari 1900

De eerste dag van een nieuw jaar, maar ook van een nieuwe eeuw: de 20e. Vaal-grijs welft de hemel zich zo ver het oog reikt. De maan, in het laatste kwartier, is door een licht wolkendek niet zichtbaar. In de schemering van de nacht tekent zich alles vaag en onduidelijk af. Een zwakke westenwind ritselt door de bomen. Tussen het hek van de begraafplaats en de oostpunt van de Zuidwal doet de Nieuwe Dam, donker tussen de hoge olmenbomen, denken aan de oprijlaan van een voorname behuizing. Deze dam is in 1871 aangelegd tot verbinding van Arnemuiden met de rijksweg Middelburg-Goes. Bij "de Toverwei" is het eindpunt, niet ver oostelijk van de plaats waar eenmaal het kasteel van de Heren van Arnemuiden gestaan heeft. Eerst de spoorwegdam en later deze, hebben de toegang tot de open zee voor de vissersvaartuigen van Arnemuiden onmogelijk gemaakt en wreed afgesneden. Wel is noordelijk van de spoordam getracht, door het bouwen van aanlegsteigers, gelegenheid te geven de scheepjes daar af te meren, maar dat is door de steeds doorgaande opslibbing van korte duur geweest. Enkel de naam "De Steiger", zoals deze in de volksmond heet, is hieraan een herinnering. Door het graven van het kanaal door Walcheren en het bevaarbaar maken van een gedeelte van de Arne is het nu mogelijk vanuit Vlissingen of Veere naar huis te varen.

Oostelijk van de dam ligt nu breed het Oude Gat als een weemoedige gedachtenis aan vergane glorie. Tussen het Oude Gat en de in 1884 gebouwde nieuwe school ligt de begraafplaats, waar in de nachtelijke schemering de treurwilgen er uit zien als grauwe heuveltoppen. Daarvoor, op het nieuwe gedeelte, gelijken de dennebosjes langs de paden op grillige rotsen. Westelijk van de dam ligt het kanaal en zo ver men zien kan liggen aan de steigers de hoogaarzen (in 1900 telde de vloot 59 schuiten, bemand door 240 vissers} Begin december zijn ze uit de uitvaarhavens Vlissingen en Veere gekomen en zullen hier tot eind februari overwinteren, tenzij ongunstig weer vissen ondoenlijk maakt.


Als een zwarte muur staan de zware bomen van het Schorretje, in welker schaduw een herbergier uit De Rozemarijnboom enige jaren terug een bierhuis opende en boven de ingang een bord aanbracht waarop te lezen was "De Rijzende Hoop". Zijn hoop is niet verwezenlijkt en later heeft hij er drie huizen van gemaakt. Ook de loodsen, waar vroeger schardijn gerookt werd, zijn hiervoor niet meer in gebruik en dienen als opslagplaats voor materialen. Terzijde van het dijkje tussen de Clasinapolder en de Christiaanpolder, zien we de vage omtrekken van de vroegere visdrogerij, nu omgebouwd tot vier woningen. Dit dijkje sluit aan bij de splitsing van de Zuidwal in onder- en bovenwal. Ook hier onder het zwaar geboomte is alles moeilijk te onderscheiden.

Daar, waar eens de Sint Jorispoort toegang verleende naar de Vismarkt, is nu een open moddersloot tot afvoer van het rioolwater van de Langstraat. Daarnaast staat, als een kolos, de woning van de Gereformeerde predikant Deze woning was eens de residentie van hoge militaire autoriteiten. Het stadsbestuur betaalde in 1579/80 de huishuur voor Luitenant Van Treslong in "De Gulden Gans". Op 15 december 1734 kocht de stad deze woning van Hermanus Wiltschut, vice-admiraal van Zeeland. Even verder steekt het nieuwe stadhuis massaal boven de lage huisjes uit. En dan is daar bij het Slopje (nu de Marktstraat.} nog een brok van de oude vestingmuur, die eenmaal aansloot aan de Marktpoort.

Tegenover de scheepswerf, waar de romp van een tjalk boven de houtstapels uitsteekt en kort geleden het prachtige jacht Quasint voor Baron Van Palland te Den Haag is gebouwd, staat het "Zomerhuis" (het achter het huis "De Pool" in 1733 door capitein Marynis Commers gebouwde zomerhuis). Hier zullen eens de rijke kooplieden met hun gezinnen uitgezien hebben naar de inkomende en uitgaande schepen, die op de Oostzeehavens of de Levant voeren. De wal loopt uit op Het Hoofd, nu een los- en laadplaats voor schepen. In de schemering zien we de masten van de hoogaarzen, die nu als het ware uitrusten van de strijd met de golven, die ze het afgelopen jaar vrij zeker hebben moeten voeren. De Tolpoort verdween, maar het Tolhuis is nog te zien, nu als herberg. Over de gehele breedte van de voorgevel is een bord aangebracht, waarop te lezen is: In het Schippershuis alhier,verkoopt men sterke dranken, wijn en bier.

Hier achter, eens het "Tolerve", zien we een puinhoop. Enige huizen, die deze naam eigenlijk niet meer mochten hebben, zijn pas gesloopt. Daarnaast, aan het Vlaamse Padje, staan ook zulke bouwvallen, nu nog bewoond, maar ze worden dit jaar opgeruimd en door nieuwe vervangen. Sinds jaren vonden hier gezinnen, door armoe gedreven, onderdak, hoewel niet geheel beschut tegen regen en wind. Ook ouderen, die door ziekte of ouderdomsgebreken niet meer mee kunnen, zochten hier hun toevlucht. Een bedeling uit de gemeentekas van 50 cent per week en een gelijk bedrag van de diaconie is niet voldoende voor het allernoodzakelijkste dat ze behoeven. Daardoor zijn ze genoodzaakt, voorzover ze nog kunnen lopen, met bedelen in hun onderhoud te voorzien. Deze bedragen worden uitgekeerd aan gehuwden. Een weduwnaar, weduwe of alleenstaande ongehuwde ontvangt de helft, dus in totaal 50 cent per week.

De gehele Westwal, met de grote grasvlakte ten westen daarvan, gelijkt in het duister een ondoordringbaar bos. Hoog rijzen de zware olmen in onafzienbare rijen op, waardoor het te begrijpen is, dat de laagte altijd "Onder Bosje" wordt genoemd, maar op het gemeentehuis staat dit bekend als "Lage Bosje". Buitengewoon hoog is deze wal en deze loopt door tot daar, waar de in 1861 gesloopte Middelburgse Poort gestaan heeft. De grote steen met de ijzeren beugel in de bestrating en waar eens de har van de poort in draaide, is daar altijd nog een aandenken aan en dient ook bewaard te blijven. Ruim en wijd ligt het Stationsplein en aan de noordkant daarvan zien we een van de ramen van het station, door een petroleumlamp verlicht. Hier is al bedrijvigheid, want de mailtreinen van Vlissingen zijn reeds voorbij gedaverd en zullen aan het einde van de dag weer terugkeren.

De Noordwal is door de aanleg van de spoorlijn geheel vergraven en met de grond daarvan zijn de vesten gedempt. Deze oude vestinggracht is in 1583 gegraven en toen is de Singel met de bastions gelijk aangelegd. Noordoostelijk, daar waar de in 1862 gesloopte Veerse Poort gestaan heeft, begint de Oostwal en deze omsluit aan twee zijden het Schuttershof. Tussen de Veerse dijk en het Mans feldse kerkhof ligt de mestvaalt. Voor de gemeente is het een uitkomst dat de wind meestal in de westelijke hoek zit, daar er een vreselijke stank van opgaat, die in de zomer soms ondragelijk is en tevens is het een lustoord voor ongedierte. Tussen de genoemde wallen en de spoorbaan, aan drie zijden beschut door hoog geboomte, ligt in het vroege morgenuur de stad als in diepe slaap. Het Marktplein, onder de zware kastanjebomen, ligt aan alle zijden door gebouwen omsloten. Van de kerk is heel weinig te onderscheiden, maar in het vale licht van de bewolkte hemel steekt de torenspits omhoog. Het ranke bouwwerk staat daar te midden van de lage huizen als een trouwe wachter, als het ware zorgend dat de rust niet wordt verstoord. In de straten, bochtig en nauw, zien we hier en daar een zwak licht van een nachtlamp door de reten van de blinden en uilegaten schijnen.

Plotseling wordt de stilte doorbroken: zes zware slagen laat de grote torenklok langzaam over de slapende stad galmen. De eerste nacht van de twintigste eeuw is voorbij gegaan.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Ga naar boven