Historische Vereniging Arnemuiden

Pelgrimsinsignes in het insteekhaventje van Arnemuiden

PLG_VOTE_USER_RATING

PLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVEPLG_VOTE_STAR_INACTIVE
 

Arneklanken maart 2012

In 2010 werd in Arneklanken uitgebreid aandacht gegeven aan de opgravingen uit de bouwput aan de Clasinastraat. Uit een betrekkelijk beperkt terrein, de plek van het 15e eeuwse insteekhaventje van Arnemuiden, kwamen niet minder dan circa 320 pelgrimsinsignes te voorschijn. Terwijl tot nu toe in geheel Zeeland slechts circa 700 pelgrimsinsignes werden gevonden. 

Het zal wel een geheim blijven hoe deze juist in het vroegere insteekhaventje van Arnemuiden terecht zijn gekomen. Ook zal het wel een raadsel blijven dat een aantal insignes dateren uit de periode 1300 tot 1400, terwijl de eerste beginselen van het huidige Arnemuiden niet eerder dan tot het jaar 1438 kunnen worden teruggebracht. Hoe kan het dat er op de bodem van dit in 1438 gegraven haventje insignes uit de 14e eeuw zijn gevonden? En hoe kwamen de insignes in zo’n groot aantal langs de beschoeiing van het eerste insteekhaventje terecht? 

Wat zijn pelgrimsinsignes?

Pelgrimsinsignes zijn sieraden uit de periode van de 14e tot het midden van de 16e eeuw. De meeste van deze draagspeldjes zijn met behulp van een gietmal gegoten uit een gemakkelijk te verwerken lood-tinlegering. Ze werden in grote hoeveelheden vervaardigd en verkocht en kenden een verspreiding onder alle lagen van de bevolking. Men droeg een insigne – opgespeld of vastgenaaid op hoed, mantel of ransel – als sieraad, maar altijd met een bepaalde betekenis. Als liefdeteken, als symbool van vroomheid of juist het tegenovergestelde.

Pelgrims kochten de insignes als aandenken in de bedevaartplaatsen die zij bezochten of op kerkelijke hoogtijdagen. Arnemuiden blijkt voor het onderzoek naar de pelgrimsinsignes van bijzondere betekenis te zijn.

Het eerste insteekhaventje van nieuw-Arnemuiden

Het eerste Arnemuiden (Oud-Arnemuiden) bestond al in het begin van de 13e eeuw. Het lag aan de overkant, dus aan de zuidzijde van de Arne. Het kan zijn dat dit Oud-Arnemuiden de rang van stad heeft bezeten. Floris de Vijfde zou haar dit voorrecht hebben verleend. In 1418 zou Arnemuiden tot de voornaamste koopsteden van Europa gerekend kunnen worden en in het Hanzeverbond zijn opgenomen. In ieder geval is zeker dat het eerste Arnemuiden tot grote bloei en welvaart kwam.   

Als gevolg van grondbraken en overstromingen is het eerste Arnemuiden in de loop van de 15e  eeuw, tussen 1438 en 1462, ontruimd en is op de oostdijk van Nieuwerkerke het huidige Arnemuiden gebouwd.  

De geschiedschrijver Jacob Ermerins vermeldt in zijn Zeeuwse Oudheden dat het nieuwe Arnemuiden na het jaar 1438 werd aangelegd. Hij verwijst hiervoor naar de stadsrekening van Veere van 1438 waarin staat opgetekend: ‘Gevaceert ’t Ernemuiden met Loys de la Rue ende Jan van Polle omme den nywen havendijck te besteden ende bestek te maken van den dijcke ende van de nywer sluus die de haven up houden souden; item oick om de straten af te steken ende was dit den iiie van junio’. Frappant is overigens dat H.M. Kesteloo in zijn Geschiedenis en plaatsbepaling van Arnemuiden van 1875 (pagina 6) vermeldt: ‘De uitbreiding die de eigenaar der heerlijkheid, waarin Arnemuiden gelegen is, aan die plaats gaf door den aanleg eener haven en nieuwe straten (1493) zal zeker de vrees van Middelburg niet verminderd en dit een en ander medegewerkt hebben om te trachten het gezag over Arnemuiden in handen te krijgen’. De noot bij deze passage vermeldt: ‘Blijkens een post uit de stadsrekening van Veere, medegedeeld door J. Ermerins, Zeeuwsche Oudheden, deel 3, stuk 2, bladzij 22’. De stadsrekeningen van Veere uit deze periode zijn, volgens mededeling van het Zeeuws Archief, verbrand en kunnen dus geen bevestiging meer geven.

Het eerste insteekhaventje en de pelgrimsinsignes

De bouwput aan de Clasinastraat is een gedeelte van het eerste insteekhaventje van het huidige Arnemuiden. Als we historieschrijver Ermerins volgen is dit insteekhaventje omstreeks 1438 aangelegd. Op de stadsplattegrond van Jacob van Deventer van omstreeks 1550 is te zien dat in het noordwestelijke gedeelte van de locatie van de bouwput een insteekhaven en aanlegsteigers met kades lagen. Ook op het schilderij van het aanzicht op Arnemuiden in 1555 in het Oudheidkundig Museum is de insteekhaven duidelijk te zien.

Uit de publicatie Heiligen uit de modder van 1988 blijkt dat er tot nu toe 713 insignes in Zeeland zijn gevonden. Hiervan komen er 600 uit het verdronken dorp Nieuwlande, 47 uit het vroegere Reimerswaal en 37 uit Middelburg. Uit de bouwput aan de Clasinastraat kwamen circa 320 insignes.

De pelgrimsinsignes uit de bouwput te Arnemuiden zijn van belang omdat een aantal niet eerder in Nederland werd gevonden en dit dus onbekende typen zijn. Er zijn ook insignes gevonden van buiten Nederland gelegen bedevaartplaatsen. Ook het aantal aan Thomas Becket uit het Engelse Canterbury gewijde insignes wordt bijzonder genoemd.

De bloeiperiode van Arnemuiden liep feitelijk tot 1550. Gedurende de periode van de stichting van Arnemuiden omstreeks 1438 tot circa 1550 zouden de pelgrimsinsignes dan in de haven terecht moeten zijn gekomen. Uit de datering van de insignes blijkt dat circa 90% in de periode 1440 tot 1525 in omloop moet zijn geweest.

Het tweede haventje na de omwalling van Arnemuiden

Het insteekhaventje van 1438 maakte in het laatste kwart van de 16e eeuw plaats voor de vestingwerken rondom het tot stad verheven Arnemuiden. De dijk werd volgebouwd met huizen. De nieuwe insteekhaven werd ten noordoosten van het gedempte insteekhaventje aangelegd. Haaks op de Clasinastraat (van noord naar zuid) bevond zich een vestingwal met daarvoor een eenvoudige kade waar grote schepen binnen kwamen.

Van 2 juni 1578 dateren de condities waarop men besteden zal ‘het dijkxken te maken van ’t havenken bij de Veersche poort’.  Deze haven moet van geringe omvang zijn geweest. Gewoonlijk sprak men over ‘het havenken’. Ze was voorzien van een houwer om door middel van een sluis de diephouding te bevorderen. Van juni 1585 dateren condities ‘voor het stoppen en droogmaken van het havenken of houwertje voor de Veersche Poort’. Deze droogmaking moest geschieden om de dijk te repareren die ten dele weggespoeld was. Op 21 februari 1590 besloot het stadsbestuur de haven in orde te laten maken voor de berging van schepen, omdat, zoals de notulen van die dag vermelden, ‘van het tot stand brengen derzelve de welvaart der stad afhangt’.

Van 23 mei 1590 dateren de condities van een zekere delving aan de oostzijde van de stad buitensdijks ‘om met de aarde daaruit komende zekere dijk te leggen zeewaarts’. In 1590 is de haven dertig roeden zeewaarts verlengd. De haven lag buiten de zeedijk en werd gevormd door de aanleg van een met deze evenwijdig lopende dijk. In 1590 werd er ook een houwer gemaakt aan de oostzijde van de stad buitendijks op het einde van de nieuwe haven.

Het nieuwe haventje had al spoedig met verzanding te maken. Van de 31e mei 1591 dateert een archiefstuk over het uitdelven van zekere aarde oostwaarts aan het Oostersche hoofd tot opening van de mond van de nieuwe haven.

Plannen voor een andere haven

De haven schijnt echter niet aan de behoefte voldaan te hebben. Althans de notulen van 28 maart 1594 vermelden dat het stadsbestuur het nodig acht om tot berging van grote schepen aan de westzijde van de stad, dus voor de Westwal, een haven te graven. En hoewel nog volstrekt geen plan was gemaakt voor dit werk, besloot het stadsbestuur om, teneinde de nodige fondsen te verkrijgen, de belasting voor de inwoners te verhogen. Dit plan bleef echter onuitgevoerd wegens gebrek aan geld.

Vanwege deze tegenslag werd de haven aan de oostzijde van de stad weer in orde gemaakt.

Het einde van het haventje

De haven voor de Veerse poort werd daarop weer in orde gemaakt en vergroot. De houwer werd geheel uitgediept en een nieuwe sluis werd aangelegd. Al deze uitgaven vergden van de stad een uitgave van £ 2345.12.45 (dat is ƒ 14.073,72). Deze is in de rekeningen van 1595 en 1596 verantwoord.

In het gemeentearchief bevindt zich ook een aankondiging van burgemeesters, schepenen en raden dat men op 27 februari 1595 zal aanbesteden zekere delving buiten de stad, aan de oostzijde, tot vermeerdering van de haven. Er werd een nieuwe houwer gemaakt achter de nieuwe haven tot opvang van het water, waardoor de nieuwe haven door de nieuwe sluis geschuurd kon worden. In het archief bevindt zich ook een afbeelding ‘van de haven der stad Arnemuiden met de houwer, in maniere als dezelve vergroot en gemaakt is in 1590 en volgende jaren’.

Slechts weinige jaren bleef deze haven in gebruik. Het verloop van de stromen maakte deze voor de schepen ontoegankelijk. De haven is langzamerhand geheel dichtgeslibd. Op 28 mei 1660 besloot het stadsbestuur tot afdamming en beversing, zodat de haven in een poldertje werd herschapen (de huidige Dokstraat en Houwerstraat herinneren hier nog aan). In de stadsrekening van 1661/1662 werd het als ‘oostpolder’ vermeld. Later werd het doorgaans ‘dokpolder’ genoemd. Volgens de stadsrekening van 1662/1663 werd het land met koolzaad bebouwd. Dit leverde 17 zakken koolzaad op. De verkoopprijs hiervan bedroeg vijf gulden de zak. 

FORM_HEADER


FORM_CAPTCHA
FORM_CAPTCHA_REFRESH

JSN_TPLFW_GOTO_TOP