Historische Vereniging Arnemuiden

Ds. Joos van Laren
Ds. Joos van Laren - 5.0 out of 5 based on 1 review

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Arneklanken December 2001

De persoon die een stempel zette op het godsdienstige leven van Arnemuiden en van grote invloed was voor de kerkelijke gemeente na de Reformatie was de Vlaamse predikant ds. Joos van Laren. Hij stond 400 jaar geleden op de kansel van de Arnemuidse kruiskerk.
Van de 54 predikanten die de Hervormde gemeente van Arnemuiden dienden, was hij één van het drietal dat het langst te Arnemuiden stond, namelijk 23 jaar. Hij werd in dienstjaren slechts overtroffen door ds. Jacobus van Hecke (predikant te Arnemuiden van 1625-1660, dus  35 jaar) en ds. Jacobus Zuéris (predikant te Arnemuiden van 1682-1710, dus 28 jaar). Ds. Van Laren was één van de eerste predikanten van Arnemuiden na de Reformatie. Juist in die veelbewogen periode na de Hervorming was hij het die de kerk van Arnemuiden in vaste sporen leidde en fundeerde. Nu de geschiedenis van de kruiskerk na de Reformatie elders in dit nummer wordt beschreven, leek het me een goede gedachte het leven en de arbeid van deze “geestelijke vader” van de Hervormde gemeente van Arnemuiden te belichten.

Uit een Vlaams geslacht.
Toen ds. Joos van Laren voor het eerst de Arnemuidse kansel beklom kwam hij rechtstreeks (als vluchteling om het geloof) uit Vlaanderen. Zijn prediking zal ongetwijfeld in de Vlaamse taal of in elk geval met een sterk Vlaams accent zijn geweest.
Het geslacht Van Laren kwam uit het bijna op de grens met Frankrijk liggende, gemoedelijke Vlaamse plaatsje Comêne. Dit dorp ligt op 12 km. van Yperen of Ieper, 10 km.. van Menen en 30 km. van Doornik. De bakermat van dit geslacht ligt dus in de directe nabijheid van Menen en Doornik waar de Arnemuidse geslachten Crucq en De Troye hun oorsprong hebben. 
De grootvader en de vader van ds. Joos van Laren heetten eveneens Joos. Ook zijn zoon, kleinzoon en achterkleinzoon droegen de naam Joos en waren ook predikant. 
Joos van Laren, ook wel geheten Jodocus Laertius, werd geboren te Comêne op 15 augustus 1563. Zijn ouders, die de Hervorming waren toegedaan, moesten vanwege hun geloof in 1579 uit Comêne vluchten naar Yperen. Zijn geboorteplaats Comêne werd gedeeltelijk afgebrand op nieuwjaarsdag 1580. De ouders van ds. Joos van Laren overleden in 1583 beiden aan de pest, acht dagen voordat de stad Ieper belegerd werd door de Spaanse Hertog van Parma. Het ouderlijk gezin telde 8 kinderen, waarvan de meesten jong stierven. Hij was dus twintig jaar oud toen zijn ouders zo plotseling overleden.

Vóór zijn komst te Arnemuiden.        
In 1576, toen Joos van Laren dus 13 jaar oud was, werd hij door zijn ouders besteld te Rijssel bij Mr. Jan Bayart, de secretaris van de Kastelenij van Rijssel, Douai en Orchies, om de Franse taal te leren. Te Rijssel woonde hij tot juli 1580. In dat jaar werd Mr. Bayart verdacht van sympathie met de Hervorming en daarom afgezet. Joos kreeg daarop op 17-jarige leeftijd een functie als klerk of schrijver ter secretarie, op de stadsgriffie, van Yperen. Een van zijn werkzaamheden was het vanaf de pui, het bordes, van het Stadhuis van Yperen voorlezen van de ordonnanties en geboden van het Stadsbestuur, zoals dat eeuwen terug gebruikelijk was. Omdat zijn ouders in 1579 naar Yperen waren uitgeweken, ging Joos vanaf nu weer in het ouderlijk huis wonen.
Onder de prediking van de Yperense predikant ds. Carolus Ryckewaard werd Joos van harte overgebogen tot  “de nieuwe leer”. Begin 1581 deed hij te Yperen bij de Hervormde gemeente belijdenis van zijn geloof. De kerkenraad had veel met de 17-jarige Joos van Laren op en raadde hem aan theologie te gaan studeren en zich geheel aan de dienst van de kerk te wijden. Hij gevoelde ook zelf een roeping tot het ambt van predikant. Vanaf eind 1581 zette hij zich met grote ijver aan de (zelf)studie in de Bijbelse talen en de Theologie en bereidde zich voor op het predikambt. Te Yperen leerde hij ook zijn eerste vrouw, Maeyken Knockaerts, de dochter van een vooraanstaand Iepers lakenwever, kennen. In september 1583, zes weken na het overlijden van zijn moeder op de 22e juli 1583 en zijn vader op de 24e juli 1583 aan de pest, werd hij bekwaam geacht om tot het ambt van predikant te worden geordend en de gemeente voor te gaan. Op 20-jarige leeftijd preekte hij voor het eerst op verzoek van de Hervormde gemeente in de Nicolaikerk van Yperen. Drie maanden later, in december 1583, trad hij te Yperen in het huwelijk met Maeyken Knockaerts. En op de 4e februari 1584 bevestigde de Ieperse predikant ds. Johannes Ursinus zijn jeugdige ambtsbroeder tot predikant van Yperen. Echter slechts twee maanden later, op de 10e april 1584, ’s avonds om 9 uur, werden ds. Van Laren en zijn beide ambtsbroeders door de Spaansgezinden gedwongen de stad te verlaten. De stad Ieper werd na een beleg van ruim acht maanden door de Spaanse veldheer, de Hertog van Parma, ingenomen. Ds. Van Laren week voor drie weken uit naar de stad Utrecht en preekte daar voor de Hervormde gemeente.

Gevlucht uit Vlaanderen.
Terwijl het gevluchte gezin zich berooid te Utrecht bevond, bracht de Hervormde gemeente van Brussel in mei 1584 een beroep op hem uit. Maar op weg naar Brussel kon hij deze stad, vanwege de oorlogsverwikkelingen zo temidden van de 80-jarige oorlog tussen Spanje en de Nederlanden, niet bereiken en strandde hij in Antwerpen. De Hervormde gemeente van Antwerpen ontving hem echter met open armen en stelde de kansel voor hem open. Vanaf juni 1584 preekte hij gedurende 15 maanden in de stad en wel tot 23 augustus 1585. Een van zijn toehoorders zal de burgemeester van Antwerpen geweest zijn. Dit was de bekende en de Reformatie zeer toegewijde Marnix van Sint Aldegonde, de dichter van het Wilhelmus.
De Spaanse veldheer Parma maakte het echter ook de stad Antwerpen benauwd. Nadat de stad in handen van de Spanjaarden viel werden ds. Joos van Laren met zijn collega-predikanten gedwongen de stad te verlaten. Ook Marnix van Sint Aldegonde moest Antwerpen verlaten en vestigde zich op zijn slot te Oost Souburg. Ongetwijfeld zullen er contacten gebleven zijn tussen de Arnemuidse predikant en Marnix. Tegelijk weken ook vele inwoners (veelal vakwerklieden) van Antwerpen en omgeving, die de Hervorming waren toegedaan, om het geloof uit naar Walcheren en ook naar Arnemuiden. Uit de lidmatenregisters van de jaren 1584 tot 1588 (zie bijlage bij Arneklanken van december 2000 van bestuurslid mr. A.H.G. Verouden) kunnen we dit volgen. In deze jaren vestigden zich volgens een ruwe telling de volgende aantallen personen (of gezinnen) uit Vlaanderen te Arnemuiden: 1584: 5, 1585: 18, 1586: 34 en 1587: 25, in totaal zo’n 80 gezinnen op een totaal huizenbestand van 280. Bijna 30% van de huizen werd dus bewoond door uitgeweken Vlamingen. Omdat lang niet alle inwoners van Arnemuiden lidmaat van de Hervormde gemeente waren, mag aangenomen worden dat deze om het geloof uitgeweken Vlamingen van grote invloed waren op de Hervormde gemeente van Arnemuiden. Een globale telling leidt tot de veronderstelling dat in 1588 bijna een kwart van de Arnemuidse gezinnen uit uitgeweken Vlamingen bestond en dat van de nieuwe lidmaten in de periode augustus 1584 tot augustus 1588 bijna 40% uit Vlaanderen kwam (86 van de 231). Het is hier niet de plaats om nader in te gaan op de invloed van de Vlaamse predikant en het grote aantal Vlaamse lidmaten op de wordingsgeschiedenis van de Hervormde gemeente. 

Naar de Hervormde gemeente van Arnemuiden.
Nadat Antwerpen in augustus 1585 door de Spanjaarden was ingenomen, nam ds. Joos van Laren de vlucht naar de noordelijke Nederlanden. Het is een wonderlijke zaak dat het kleine stadje Arnemuiden in deze bewogen periode de amper 22-jarige Vlaamse hugenoot tot predikant begeerde. In augustus 1585 was er juist veel ongenoegen in de kerkelijke gemeente over de predikant Thomas Brusckens. Volgens de notulen van het Stadsbestuur van 2 september 1585 wensten de ouderlingen en gemeente een “bequamelicker ende stichtelicker kerckendienaer”. Er werd onderhandeld met de predikant over zijn afscheid en dat hij “met vriendschap van hier zoude mogen vertrekken”. Op 16 september melden de notulen dat er over ds. Brusckens “veel murmuratie ende twist onder de gemeente” is. Er dreigt zelfs een scheuring in de gemeente.
Ds. Van Laren werd op de 17e september 1585 door Hervormd Arnemuiden beroepen. Het kan zijn dat zijn gerucht vanuit Antwerpen doorgedrongen was. Immers Arnemuiden stond toen op het hoogtepunt van haar bloei en was bij alles wat in die tijd ter zee voer een begrip. Via de rede was er een levendig verkeer met de handelsstad Antwerpen. Het notulenboek vermeldt onder 5 oktober 1585: “Mr. Jodocus Laertius tweede absolute dienaer deser gemeijnde voorgestelt te worden ende dat de voorseide Mr. Jodocus dezelve beroupinge aengenomen hadde”. En onder 12 oktober 1585 staat aangetekend: “Op zyn leven ende leere gheen tegenspraeck gedaen oft gehoort en is. Soe hebben Burgemeesters, Schepenen en Raden de voorseide Mr. Jodocus Laertius onder de conditie by denzelven in zyne beroupinghe aen hem gehouden tot tweeden absoluten Dienaer deser gemeynte aengenomen ende aennemen mitsdesen. Welcke aennemynghe de voorseide Mr. Jodocus ten desen ontboden wesende gehoort ende verstaen hebbende deselve aennemijnghe danckelick toegestaen ende belooft heeft hem daer in te dragen ende quiten ende behooren tot meesten welvaren van der stadt ende stichtinghe van de gemeynte derselver”. Ds. Joos van Laren was een van de eerste predikanten van Arnemuiden. De eerste predikant was ds. Hubertus Francisci, die elf jaar, van 1574 tot in 1585, te Arnemuiden stond. Ds. Francisci werd in april 1585 opgevolgd door de uit Brussel afkomstige ds. Godefridus Zuerbach. De laatste jaren had ds. Francisci wel een ambtgenoot als tweede predikant van Arnemuiden naast zich gekregen, namelijk ds. Thomas Brusckens. Maar deze beviel dus niet. Hij vertrok begin september 1585. Ds. Van Laren was dus in feite de opvolger van ds. Thomas Brusckens.
Er waren gedurende deze jaren dus twee predikantsplaatsen. Arnemuiden beleefde in deze tijd niet alleen een bloeiperiode van economische welvaart. Ook de Hervormde gemeente genoot kennelijk een periode van geestelijke opwekking en bloei. Ds. Zuerbach overleed in 1592 en werd in de kruiskerk begraven. Persoonlijk vond ik het een bijzondere gewaarwording dat de grafzerk van ds. Zuerbach, de ambtgenoot van ds. Joos van Laren, begin dit jaar ongeschonden vanonder de laag beton in het kerkgebouw tevoorschijn kwam en gered kon worden. Deze zerk zou toch eigenlijk weer in het kerkgebouw een plaats moeten krijgen als een herinnering aan de bloeiperiode van de Arnemuidse Hervormde gemeente, zo kort na de Reformatie, en als een gedenkteken ter nagedachtenis aan deze lichten aan de Arnemuidse kerkhemel.
Op 13 oktober 1585 werd ds. Joos van Laren te Arnemuiden bevestigd als predikant.

Het gezin van ds. Joos van Laren te Arnemuiden.
Ds. Joos van Laren was predikant tijdens de bloeiperiode van Arnemuiden. Handel, scheepvaart, zoutziederij en wijnnering beleefden gouden tijden. Uit alle windstreken kwamen koopvaarders en vrachtschepen de rede van Arnemuiden opzeilen en lagen voor de stad voor anker. Walcheren kreeg vanaf 1585 een aanzienlijke bevolkingsaanwas door de in allerijl gevluchte Vlamingen uit steden als Antwerpen, Brussel, Gent, maar ook uit het zuidelijk deel van Vlaanderen. De kerk was pas gerestaureerd en kreeg in 1582 de vorm die ze tot aan de sloop heeft behouden. Ook het in Vlaanderen gekochte klokkenspel kwam in 1583 in de nieuwe toren te hangen.
De predikant, zijn echtgenote Maeyken Knockaerts en de tien maanden oude Daniël gingen wonen in het huis “De Witte Hond” aan de zuidoostzijde van de Langstraat, twee huizen links van het latere stadhuis/gemeentehuis. Volgens het huizencohier van 1584 was de bewoner van dit pand: “mr. Joos de Predikant”. Zijn ambtgenoot, ds. Godefridus Zuerbach, woonde in het huis “de Groote Moriaen”, gelegen aan de zuidoost zijde van de Westdijkstraat.
Vier maanden na zijn bevestiging, op de 27e februari 1586, werd in de pastorie “de Witte Hond” een zoon geboren. Ze noemden hem Joos naar zijn vader, grootvader en overgrootvader.
Hij werd aangeduid als “Joos van Laren de jonge”, dit ter onderscheiding van zijn vader “Joos van Laren de oude”. Dit kind was de later vermaarde (“oudvader” en) predikant van Vlissingen.
Het jaar daarop werd  Johannis geboren; dit kind werd slechts 1 jaar. Ook het daarna geboren dochtertje Susanna leefde slechts enkele dagen. In 1590 werd Jeremias geboren; deze werd predikant te ’s Heer Arendskerke, Koudekerke en Londen. In 1592 werd Samuel geboren. Hij was 23 jaar predikant van de Zuidbevelandse gemeenten  Ellewoutsdijk, Baarland en Heinkenszand. De in 1594 geboren dochter Maaike trouwde met ds. E. Morris, predikant te Borssele en Kruiningen. Ook de in 1595 geboren Jacobus werd predikant, te Renesse en Noordwelle. In 1597 werd Petrus geboren. Hij was 18 jaar predikant te Nisse en overleed tijdens een synodale vergadering te Tholen. Wat zal deze kinderschaar gespeeld hebben op en onder de wallen en rondom de kruiskerk op de Markt! Uit de notulen van het stadsbestuur is af te leiden dat het grote predikantsgezin maar een sober bestaan moest lijden.
Twee dagen na de geboorte van Jacquemijnken op de 3e september 1599 overleed de echtgenote van ds. Van Laren, Maeyken Knockaerts, op 35-jarige leeftijd. Vrolikhert meldt in zijn boek “Vlissingsche Kerkhemel” (1758) dat zij “godzalig in den Heere ontsliep, te Arnemuyden, 5 september 1599, twee dagen te voren verlost zynde van haar tiende kind”. De toen 36-jarige predikant bleef achter met acht kinderen, waarvan de oudste nog maar 14 jaar was. Hij hertrouwde al op 21 november 1599 met Katelijne le Bouk, weduwe van Louis Langlets, afkomstig van Kano bij Valenchyne. Ze overleed op 30 oktober 1602 en werd te Arnemuiden bij haar eerste man begraven.
Op 10 augustus 1603 trouwde de predikant voor de derde maal en wel met Maayken Barends uit Middelburg. Uit dit huwelijk werd een zoon, Bernard, en een dochter geboren. Ook deze zoon werd predikant en diende op de Groenlandse vloot en daarna te Axel. Zo werden van de twaalf kinderen van ds. Joos van Laren alle zeven zonen predikant, terwijl ook een dochter trouwde met een predikant. Onder een afbeelding van ds. Joos van Laren (de jonge) staat gedrukt: “Die met zijn vader en zes broeders als gesteenten. Sierden de stoelen van acht bloeiende gemeenten”.
Over de zeven zonen van ds. Joos van Laren vermeldt Vrolikhert in zijn “Vlissingsche Kerkhemel” het volgende: “Men verhaalt, dat de zeven zonen, eens te samen te Arnhem zynde, alwaar een hunner Predikant was (dit was Daniël), op een heussche wyze door den Magistraat aldaar gearresteert wierden, en niet ontslagen, dan onder voorwaarde, dat ze allen daar eens zouden prediken, ’t geenze ook deden”.
Uit het archief van Arnemuiden blijkt dat op 8 oktober 1605 een gedeelte van het Sint Antheunishof, wellicht behorende tot de inrichtingen van liefdadigheid, verkocht werd aan ds. Van Laren. Dit hofje werd toen een tuin genoemd en had zijn ingang tegenover het kerkhof. Of het hier iets mee te maken heeft is mij niet bekend, maar in het huizencohier van 1607 staat het pand “Edam” aan het oosteinde (nu Schuttershof) als eigendom ten name van de predikant.

Zijn ambtsperiode te Arnemuiden.
Het zou te ver voeren in dit artikel de uit het stedelijk en kerkelijk archief blijkende bijzonderheden over de ambtsperiode van ds. Joos van Laren weer te geven. Enkele wil ik hier vermelden. Volgens de stadsrekening van 1585/86 kreeg hij voor zes weken dienst als predikant 50 gulden uit de stadskas, omdat hij voor die periode “geene gage van de gemeene zake genoten had, daar die nog aan Bruscken was uitgekeerd”.
Al kort na zijn intrede ontstonden er ernstige meningsverschillen tussen het stadsbestuur en de predikant over de benoeming van armmeesters of diakenen. De magistraat eigende zich het recht toe deze te benoemen, terwijl ds. Joos van Laren stelde dat dit een zaak van de Hervormde kerkenraad was. Ook het door de schoolmeester van de Latijnse school, Hubrecht van der Venne, gegeven catechismusonderwijs was naar het oordeel van de predikant niet rechtzinnig. Hij noemde daarop in grote verontwaardiging de magistraat “scheurders ende ruïneerders der Kercke Christi”. Dit leidde er weer toe dat enkele gewezen stadsbestuurders in dronkenschap, volgens de resolutie van het stadsbestuur van 17 maart 1587,  van “meester Joos” zeiden dat hij een “oproerder ende muitmaecker” was. Maar na enkele jaren was er kennelijk ook met het stadsbestuur een goede verstandhouding. Op 7 augustus 1595 werd ds. Van Laren te Alkmaar beroepen. Het stadsbestuur maakte ernstig bezwaar tegen zijn mogelijke vertrek. Hij had zich immers bij zijn komst te Arnemuiden, nu tien jaar geleden, verbonden om van hier alleen weg te gaan als hij te Antwerpen beroepen werd. Hij bleef dan ook en kreeg daarvoor ƒ 100 en vervolgens ieder jaar ƒ 50 uit de stadskas.
Van ds. Joos van Laren de oude zijn geen preken in druk uitgegeven. Uit de notulen van het stadsbestuur van 31 januari 1597 blijkt wel dat hij een boek in het Frans vertaalde en aan de magistraat opdroeg. Elke stadsbestuurder kreeg een exemplaar ten geschenke. Voor deze opdracht ontving hij uit de stadskas een verering van 10 pond. Het betrof hier vermoedelijk het boek van J. de l’Espine: “Een Christelicke Handelinge van de belijdenisse der sonden tot God”.
Ds. Van Laren ontmoette, als hij de Classicale vergaderingen te Middelburg bezocht, beroemde ambtgenoten. Zo stonden in zijn Arnemuidse jaren te Middelburg o.a. de in 1560 te Brugge geboren ds. Herman Faukelius (1599-1625) en de in 1573 te Gent geboren ds. Antonius Walaeus (1605-1618). In later jaren, toen hij predikant te Vlissingen was, stonden te Middelburg de in 1563 te Brugge geboren ds. Franciscus Gomarus (1611-1615) en de in 1579 te Zierikzee geboren ds. Willem Teellinck (1613-1629).

Beroepen te Vlissingen.
Toch vertrok ds. Joos van Laren op 45-jarige leeftijd naar een andere plaats. Op 16 mei 1608 werd hij beroepen door de Hervormde gemeente van Vlissingen in de plaats van de overleden ds. David De Dieu. Dit veroorzaakte nogal wat opschudding in het Arnemuidse stadsbestuur. Ook de predikant was kennelijk “niet zeer gereed” om het Vlissingse beroep aan te nemen. Want, zo tekent Vrolikhert in zijn “Vlissingsche Kerkhemel” aan, “Olivarius en Hondius moesten tweemaal naar Arnemuyden om hem daar toe te overreeden. Eyndelyk kwam hy”.
In Vlissingen woonde hij in de Walstraat, het tweede huis van het Korte Groenewoud, naar de kant van de Kleine Markt. Hij arbeidde hier nog tien jaar tot zijn overlijden op 24 oktober 1618. Opmerkelijk was dat in maart 1609 zijn oudste zoon Daniël te Vlissingen werd beroepen. Hij nam dit beroep aan en werd zodoende op 24-jarige leeftijd ambtgenoot en collega van zijn vader in de Hervormde gemeente van Vlissingen.
Ds. Joos van Laren bekleedde een gezaghebbende plaats in de Classis Walcheren en daar buiten. In vele kerkelijke zaken werd zijn advies gevraagd. Zo was hij in 1613 scriba van de Synode te Goes. Vrolikhert noemt hem in zijn beschrijving “een heldere flonkerster aan den Vlissingschen Kerkhemel” en schrijft dat hij te Vlissingen“ met grote Zegen tien jaren lang het Evangelium verkondigd had”. Zijn zinspreuk was: “non est mortale, quod opto”, dat is: “’t zijn geen sterfelijke en vergankelijke dingen, die ik wens”. Vrolikhert vermeldt, na raadpleging van de nauwkeurige aantekeningen van de beide predikanten Van Laren over hun eigen lotgevallen en die van hun geslacht, over hem nog het volgende: “Op zijn doodbed dankte hij God vuriglyk voor alle zegeningen hem in zyn gansche leven bewesen; en inzonderheyd dat God hem uyt de duysternissen van het Pausdom getrokken had. En was vol Godlyke bedenkingen en vermaningen tot zyne kinderen. Hij was lang van persoon, stemmig van gelaat en zeer welsprekend en ijverig”. Op de 24e oktober 1618 overleed ds. Joos van Laren. Hij werd in de Grote of Sint Jacobskerk van Vlissingen begraven. 

Zijn zoon ds. Joos van Laren (de jonge).
De bekendste van zijn zeven zonen, die dus allen predikant werden, was Joos (de jonge). Hij werd geboren in de pastorie “de Witte Hond” aan de Langstraat te Arnemuiden op 27 februari 1586. Vanaf zijn 11e jaar ging hij dagelijks te voet over het oude Arnemuidse voetpad naar de Latijnse school te Middelburg. Na de Latijnse school bezocht hij scholen te Noordwijk en te Amsterdam. Vervolgens studeerde hij 4½ jaar theologie te Leiden en te Franeker. Hij stond als predikant te Ellewoutsdijk en Oudelande (1608-1610), Yzendijke (1610-1616),  Koudekerke (1616-1619) en Vlissingen (1619-1653). Hij was achtereenvolgens getrouwd met Magdaleenken Lambrechts (1608-1609), Sara Baggaert (1610-1633) en Zoetje Schoutens (1635-1653). Uit zijn tweede huwelijk kreeg hij dertien kinderen.
Ds. Joos van Laren de jonge stond bekend als een prediker met grote kanselgaven. Hij was ook een zeer geleerd man. Hij gold als een bekwaam hebraicus en zeer bedreven in de oosterse talen. De Nationale Synode te Dordrecht benoemde hem tot overziener van het Oude Testament. Hij werkte mee aan de Statenvertaling van de Bijbel. Van zijn persoonlijke overzettingen van de Bijbelboeken Job, Prediker, Daniël en Ezechiël werd een dankbaar gebruik gemaakt. Vrolikhert zag in de nalatenschap eigenhandige brieven aan hem van de Bijbelvertalers Bogerman, Bucerus, Wallaeus, Baudartius en anderen. Hij liet talrijke theologische geschriften na, voor een groot gedeelte in de Latijnse taal. Bekend van hem zijn de “Tweeënvijftig predicatiën over bijzondere texten der Heilige Schrifture”.
Michiel Adriaanszoon de Ruyter, geboren op 24 maart 1607, zat in zijn jeugd onder de prediking van de oude (Arnemuidse) ds. Joos van Laren en beluisterde vanaf 1619, wanneer hij weer thuis was van een zeereis, ds. Joos van Laren de jonge.
Hij overleed te Vlissingen op de 6e oktober 1653 en werd in hetzelfde graf als zijn vader in de Sint Jacobskerk te Vlissingen begraven. Bij zijn begrafenis hielden ds. Johannes Teellinck (die ook te Arnemuiden predikant was) en ds. Johannes Hoornbeek toespraken.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Ga naar boven