De heldendaad van de familie Schroevers (100 jaar geleden
op 14 / 15 december 1907)
L. van Belzen
Zoals u wellicht hebt gelezen in de vele publicaties overal in den lande,
wordt het 400e geboortejaar van onze nationale Vlissingse zeeheld Michiel de
Ruijter dit jaar uitbundig gevierd, zeker in Vlissingen met onder andere de de
Ruijterfeesten.
In de rij van Zeeuwse zeehelden staat ook de visser Jacob Schroevers.
Het verhaal van de heldendaad over hem, zijn vijf zonen en kleinzoon, allen te
Arnemuiden geboren, willen we onze lezers niet onthouden.
Vandaar dit artikel op de website, want als men de Ruijter (later wonend in
Amsterdam) te Vlissingen eert, dan willen wij de familie Schroevers eren (al
woonden ze in Vlissingen, voor ons bleven het “Erremuunaers”).
Wat zijn helden? Volgens een officiële definitie: strijdbare figuren uit
religieuze mythen, sagen en legenden of personen bekend om hun verrichte
heldendaden vanwege de veroveringen die ze maakten ten aanzien van vijanden in
oorlogssituaties, gerechtvaardigd of niet. Met name pacifisten zullen over zulke
heldendaden een geheel andere mening hebben. Dikwijls zijn het ook usurpators
met eigenbelang en niet in de laatste plaats met de achterliggende gedachte om
roem en buit te behalen.
Zoniet de heldendaad van de familie Schroevers. Dat was een daad van humanitaire
aard, zoals bijvoorbeeld ook bij Frans Naerebout (staat in dezelfde rij van
Vlissingse zeehelden).
Jacob Schroevers met zijn zonen en kleinzoon waren namelijk mensenredders. Zij
haalden in stormweer 3 mensen uit het want van de masten van de Engelse schoener
“Doris”.
Voor hen, bekend met de ondiepten voor Westkapelle, zijn de volgende gegevens
van belang om zich enigszins een beeld te kunnen vormen van de reddingsoperatie
van de VLI 15.
Hoog water te Vissingen op 14 december 1907 9.09 uur en 21.29 uur, temp. 5 á 6 °
C , luchtdruk 975 mb.
Hoog water te Vlissingen op15 december 1907 10.18 uur en 22.38 uur, temp. 6 á 7
° C, luchtdruk 1000 mb.
De plaats van de reddingshandeling was op de Rassen, de droogten, ten zuiden van
Westkapelle (op vroegere zeekaarten de “Oosterrassen” genaamd. Ten noordwesten
hiervan zijn de “Noorderrassen”. Tussen deze twee zandbanken is een ondiepe
vaargeul, door de vissers gebruikt om vanuit de Deurloo naar het Oostgat te
varen en andersom. De Arnemuidenaars en Vlissingers noemden het “de Vleie”, in
Breskens sprak men over “het geultje van de Doris”.Aan de oostkant van deze
geul, tegen de zandplaat aan de zuidzijde, ligt het wrak van de “Doris”, min of
meer een verlengde van het “Bankje van Zoutelande”.

Als eerste kunt u het rapport lezen over deze spectaculaire reddingsactie, uit
de mond gehoord van Jacob Schroevers sr. en opgemaakt door de commissaris van
gemeentepolitie van Vlis-singen, gericht aan de burgemeester aldaar, d.d. 17
december 1907.
Hierna van dezelfde datum het verslag uit de Vlissingse Courant en het relaas
van de huldiging van de redders op 19 december. V
Uiteraard werd het relaas van de reddingsactie in vele landelijke dagbladen
vermeld (overgenomen), evenals de oproep tot inzameling van gelden voor de
redders. Wij beperken ons tot de Vlissingsche Courant.
Een voorstel in “Lezers schrijven” van 20 december 1907, van J.M. Stuart, om in
Vlissingen een blijvend huldebetoon te geven aan de familie Schroevers door de
eerste nieuwe straat die aan-gelegd zal worden de naam Schroeverssstraat te
geven, is nooit uitgevoerd. Het is mij niet bekend of dit in de gemeenteraad van
Vlissingen ooit aan de orde is geweest.
Het 2e gedicht was van Jan Karel Crucq, zoon van burgemeester Christiaan
Johannis Crucq. Hij werd geboren te Arnemuiden in 1857, was landmeter van beroep
en overleed ongehuwd in 1935 te Arnhem.
De verslagen.
Uit het Archief Gemeente Politie Vlissingen (No.823) :
Nadat op Zaterdag den 14 December 1907 alhier bekend was, dat in de nacht
tevoren, een onbekend schip op de Rassen in de Noordzee nabij Westkapelle was
gestrand en op Zondag den 15 December d.a.v. door zeven alhier wonende personen
van één familie genaamd:
1e Jacob Schroevers, oud 54 jaren, van beroep schipper, wonend in de
Beursstraat,
2e Job Schroevers, oud 30 jaren, van beroep schipper, wonend in de Pauw,
3e Gerard Schroevers, oud 27 jaren, van beroep visser, wonend in de Nieuwstraat,
4e Jacob Schroevers jr, oud 24 jaren,van beroep ketelmaker, wonend in de
Breewaterstraat,
5e Klaas Schroevers, oud 20 jaren, van beroep visser, wonend in de Beursstraat,
6e Lieven Schroevers, oud 17 jaren, van beroep visser, wonend in de Beursstraat,
7e Jacob van de Ketterij, oud 13 jaren, visser, wonend in de
Hellebaardierstraat,
met zéér groot gevaar voor eigen leven drie personen uit de masten van het
gemelde gestrande schip waren gered en door de bemanning van het Nederlandsch
Loodswezen alhier met de reddingsboot één man uit een der masten, eveneens met
groot gevaar voor eigen leven was gered, heb ik J.C.Fanoij, C.V.P. te Vlissingen
een onderzoek daaromtrent ingesteld en gehoord, eerstgenoemde van de hierboven
aangehaalde personen, welke mij omtrent de onder zijn leiding verrichte redding
van drie verklaarde:
Nadat hier in Vlissingen algemeen bekend was dat tusschen Westkapelle en
Zoutelande in de monding van de Noordzee, op de Rassen een schip was gestrand,
geheel onder water was gezonken en nog enigen van de bemanning in de masten van
dat gezonken schip konden aanwezig zijn, ben ik Zaterdagnamiddag om ongeveer
half vier ure toen de storm een weinig bedaard was, met enige zoons van mij
uitgevaren, om zoo mogelijk hulp te verleenen, doch ben dien avond om zeven ure
weder met mijn vaartuig alhier teruggekomen zonder iets van het gestrande schip
te hebben kunnen ontdekken.
Toen ik weder aan land was gekomen en vernam dat er werkelijk nog menschen op
dat gestrande schip in de masten zaten, heb ik mijn zoons gevraagd of zij mede
durfden gaan om een poging te wagen, die arme menschen te redden, waarop mijn
vijf zoons en mijn dertienjarige kleinzoon allen te kennen gaven met mij een
poging te wagen om die menschen te redden; dat mijn kleinzoon ook al mee wilde
gaan keurde ik eerst niet goed, doch op zijn herhaald aandringen heb ik
eindelijk toegestemd. [In een andere, latere versie verklaart Jacob Schroevers
jr. dat zijn neefje Jacob van de Ketterij halverwege het Oostgat plotseling uit
het vooronder te voorschijn komt. Hij zou zich op het schip hebben verstopt om
thuis straf te ontlopen en zodoende noodgedwongen het hele avontuur hebben
meegemaakt. Dit verhaal deed vroeger ook de ronde in Arnemuiden en Vlissingen].
In den nacht van Zaterdag den 14e op Zondag den 15e December omstreeks elf ure
ben ik met mijn vaartuig mede bemand door mijn vijf zoons en mijn kleinzoon
uitgevaren, en ben om ongeveer half twee dien nacht in de nabijheid van het wrak
gekomen. Wij merkten toen op dat er werkelijk nog menschen in de masten van het
wrak zaten, terwijl de hooge zeeën over het schip sloegen; aan redding was toen
tengevolge van de hevige storm en de hooge zeeën niet te denken en wij hadden
heel wat moeite om met ons vaartuig in de nabijheid en niet vervold [vol water
dreigen te lopen] te worden door de hooge zeeën. Wij zijn toen met ons vaartuig
in de nabijheid van het wrak blijven zwalken tot het dag werd, als wanneer het
ons met zeer groot gevaar voor eigen leven en vaartuig is mogen gelukken door
middel van mijn ankerkabel verbinding over het schip te krijgen, heb toen een
lijn kunnen toewerpen in de achtermast waarin drie menschen in het want zaten
als wanneer één van die menschen zich aan de hem toegeworpen lijn vastbond,
daarmede in zee sprong en daarna door ons in ons vaartuig is binnengehaald.
Daarna is na langdurige moeite en inspanning, waarbij mijn vaartuig gedurig
vervold werd door de hooge zeeën en wij elk ogenblik gevaar liepen dat mijn
vaartuig op en tegen het wrak aan stukken kon worden geslagen, ook gelukt de
twee andere menschen uit die mast te redden.
Toen zagen wij dat ook in het want van de voormast nog een man zat, doch zagen
geen kans om ook die man daaruit te kunnen redden; als ik dat geprobeerd had,
weet ik zeker dat ik met al mijn zoons, kleinzoon en de drie geredde
schepelingen het leven zou hebben verloren en daar in de korte nabijheid van ons
de reddingsboot uit Vlissingen aankwam, besloot ik mijn ankerkabel te laten
slippen.
Ik ben met de door mij drie geredde personen daarna van het wrak afgevaren en
heb aan de bemanning van de reddingsboot in het voorbij varen medegedeeld, dat
ik drie menschen gered had doch er nog één in een mast van het wrak zat, waarna
de reddingsboot dadelijk naar het wrak is gegaan en ik met de door mijne
kinderen en mij geredde menschen naar Vlissingen ben gevaren, onderweg hen eerst
van het nodige voedsel heb voorzien.
Het gestrande schip bleek te zijn de Engelse driemastschoener “Doris” tehuis
behorende te Padstowe, geladen met China-klei, op reis van Plymouth naar Gent,
bemand met vijf koppen en de door Schroevers en zijne familie geredde personen
waren: de kapitein T.Mayor, de stuurman E.Caddy en de matroos D.Rowlands.
Later op dien dag is door de bemanning van de reddingsboot nog de vierde man uit
de mast van het wrak van vermeld schip gered en wel de matroos P .Johnsons, de
vijfde persoon van de bemanning, zijnde de kok, die ook in de mast moet hebben
gezeten volgens verklaring van den kapitein en overige schepelingen, is daaruit
gevallen en verdronken.
Omtrent de door de bemanning van de reddingsboot verrichtte redding, zal door
den heer Inspecteur van het Nederlandsch Loodswezen alhier, rapport aan de
betrokken autoriteiten te ’s-Gravenhage worden ingezonden.
Volgens verklaring van genoemden heer inspecteur van het Nederlandsch Loodswezen
alhier is de door den schipper Jacob Schroevers en zijne helpers verrichtte
redding volgens de door hem bekomen inlichting, een buitengewone, zeer moedige
en met groot levensgevaar verrichtte daad geweest, die alle lof en waardering
verdient.
Aldus naar waarheid opgemaakt den 17e December 1907.
Uit het Archief Gemeente Politie Vlissingen (No.824) :
Aan Burgemeester Vlissingen 18 December 1907.
Ik heb de eer Ued. hierbij beleefd aan te bieden een door mij opgemaakt rapport
omtrent de redding door Jacob Schroevers c.s. van de drie Engelse zeelieden van
het nabij Westkapelle gestrande Engelse driemastschoenerschip “Doris”.
Het vaartuig waarmede de redding heeft plaats gehad is een open vaartuigje,
zogenaamd “Bottertje”, groot ongeveer 18 ton.

De foto is ter beschikking gesteld door het Gemeentearchief Vlssingen ©
VLISSINGSCHE COURANT, Dinsdag 17 December 1907.
Een heldendaad.
Op de Noordzee is in de nacht van Zaterdag op Zondag een heldendaad
verricht, dat ons onmiddellijk doet terugdenken aan de daden van de Sperlings en
anderen bij de “Berlia” ramp. Wij konden in ons vorig nummer nog melden dat een
Engelse schoener op de Noorderrassen was gestrand, doch dat de reddingsboot er
niet in geslaagd was het wrak te naderen tengevolge van de woeste zee. Men wist
toen dus niet of nog levende wezens aan boord waren, doch toch bestond vrij
grote zekerheid dat dit wel het geval was omdat de kustwacht te Westkapelle
rapporteerde dat in de masten personen te zien waren.
Op dit bericht werd besloten nogmaals de reddingsboot naar Westkapelle te
zenden.
Toen het evenwel bekend werd dat zich nog schipbreukelingen aan boord bevonden,
nam de in de Beursstraat wonende visscher Jacob Schroevers het koene besluit om
te trachten deze nog steeds met den dood strijdende schipbreukelingen hulp te
bieden. Met zijn vijf zoons Job, 32 jaar; Gerard, 25 jaar; Jacob, 24 jaar; Klaas
, 20 jaar; Lieven, 17 jaar en zijn kleinzoon Jacob van de Ketterij, oud 13 jaar,
zou hij met zijn botter “de Vijf Gebroeders” naar de plaats van het onheil gaan.
Zaterdagmidag half vier zeilde hij daarom met zijn vaartuig in de richting van
het wrak, doch hij moest onverrichterzake terugkeeren.
Des avonds 7 uur daarop verliet de reddingsboot “Koning Willem III” weer de
haven en zou nogmaals trachten de in nood verkeerende schepelingen te helpen,
doch ook nu bleven de pogingen tot redding vruchteloos.
Jacob Schroevers en zijn dappere zonen met den veelbelovende kleinzoon, bezield
met het edele doel om deze verlaten schipbreukelingen zoo mogelijk te redden,
besloot nu nogmaals dit onverschrokken waagstuk te ondernemen en Zaterdagavond
laat, het was zoo wat half twaalf, zeilde de botter weder naar de Noorderrassen.
Het was ongeveer half twee des nachts toen de botter in de nabijheid van den
schoener “Doris” gekomen was, doch de zee was nog zoo wild en woest dat het
schier hopeloos scheen de opvarenden te kunnen redden. Echter werd door schipper
Schroevers een fakkel afgestoken, wat door de schipbreukelingen werd opgemerkt
en men hoopte op deze wijze hun moed te geven, omdat zij nu overtuigd konden
zijn dat de redding nabij was. Werkelijk heeft, zoo een der opvarenden ons heden
vertelde, dat teeken de uitgeputte zeelieden nieuwe moed gegeven. Intussen bleef
de botter den heelen nacht in de nabijheid van den schoener, doch herhaaldelijk
raakte het vaartuig vol water en moest des dadelijks met kracht dit water weer
worden verwijderd.
Onder deze omstandigheden vond schipper Schroevers het beter, met het oog op
eigen levensbehoud den dag af te wachten, alvorens verdere pogingen tot redding
te doen. Nochtans bleven echter de dappere redders den geheelen nacht bij het
wrak zwalken, ten speelbal aan de woeste golven; want al was de wind gaan
liggen, het was daar nog zeer ruw. Dat schipper Schroevers met zijn zoons een
verschrikkelijke nacht hebben doorgemaakt kan men zich wel indenken. Wij zeiden
boven echter reeds dat het menschlievende doel voorzat om deze uitgeputte
schepelingen te helpen.
Om half vier werd weer getracht bij het wrak te komen, doch helaas, de bom sloeg
vol water en daarom werd het aanbreken van den dag maar afgewacht.
Zondagmorgen tegen half acht werd nu koers gezet naar het wrak en na herhaalde
pogingen gelukte het werkelijk bij de “Doris” te komen en werd een anker over
het schip geworpen, dat in den grond terecht kwam. De botter lag dus nu in
zooverre beter dat hij niet kon afdrijven. Wel was deze ook daar door de
voortdurende deining ten prooi aan de nog steeds woedende elementen, doch men
kon nu tenminste overgaan om te trachten de schipbreukelingen te redden. Wij
zeggen te trachten want het reddingswerk was levensgevaarlijk.
Het eerst werd de stuurman gered, door middel van een lijn. Vervolgens werd een
der matrozen die in het water was gesprongen, binnen boord gehaald, en als
laatste werd de kapitein, die eveneens in het water sprong, gered. Toen de
kapitein te water lag en met een lijn naar den botter werd gehaald, werd de
kapitein nog geraakt door het berghout van den botter, doch gelukkig werd hij
niet gewond. De kapitein was overigens geheel uitgeput en moest toen hij aan
boord van den botter was, met drie man naar het kombuis van het vaartuig worden
gedragen. Schipper Schroevers en zijn dappere zonen hadden heldenwerk verricht!
Toch was het onbeschrijfelijk hard voor de onverschrokken helden dat het hun
onmogelijk was, nog een der matrozen, die in de voormast zat, te redden. Men
stelde evenwel dezen uitgeputte matroos gerust, dat men ook hem wel zou helpen,
omdat de reddingsboot nu weer in de nabijheid was. Schipper Schroevers die met
ware doodsverachting deze drie menschen had gered, zou echter nogmaals getracht
hebben ook dezen laatste schipbreukeling behouden in zijn botter te krijgen,
ware het niet dat de reddingsboot reeds te zien was.
Toen hij dus wist dat redding nu ook mogelijk was, meende hij niet langer het
leven van alle opvarenden op den botter in de waagschaal te mogen stellen en
werd daarom naar hier gezeild.
De reddingsboot was inmiddels bij het wrak genaderd en de matroos die nog in de
mast zat, P.Johnson genaamd, was geheel verkleumd en de man dacht niet anders
dan dat hij zijn graf in de golven zou vinden.
Evenwel was hij gelukkig goed overtuigd van wat hetgeen hij bij deze redding
moest doen. Toen dan ook de reddingsboot een gordel aan een lijn in de richting
van het schip wierp, sprong hij in dezen gordel en werd zoo binnen boord
gehaald.
En hiermede was de laatste der levende schipbreukelingen gered. Een der
opvarenden, de 18 jarige kok, E.Crocker, die slechts een paar dagen aan boord
was, was Zaterdagavond 8 uur, in zee gesprongen. De arme jongen was krankzinnig
geworden. Bovendien had hij zich in de mast niet vastgebonden, anders zou hij
zeker ook wel gered zijn geworden. De namen van de geredden zijn: kapitein T.Mayor,
stuurman K.Caddy en de matrozen P.Johnson en D.Rowlands. Over het algemeen maken
zij het goed. Alleen de kapitein klaagt nog over pijn in zijn zijde.
Het was hier voldoende bekend welk gevaarlijk waagstuk schipper Schroevers met
de zijnen was gaan ondernemen en reeds stonden vele honderden op den boulevard
met spanning de terug-komst van den botter op te wachten. Tegen 10 uur des
morgens kwam de botter in het gezicht en zooals men met de verrekijker zien kon
met de vlag in top ten teeken dat men geredden aan boord had. De kustwacht van
Westkapelle had inmiddels bericht dat de botter van Schroevers menschen had
gered.
Eindelijk omtrent half twaalf kwam Schroevers de Westerhaven binnenzeilen,
begroet met luide hoera’s door de duizenden menschen die op den boulevard waren
samengestroomd.
Bij aankomst werden de schipbreukelingen opgewacht door den heer P.L.de Bruijne
en dr. A.J.de Koning, die inmiddels ontboden waren, de schipbreukelingen
dadelijk onderzocht. Na eerst bij Schroevers in huis te zijn binnengebracht zijn
de menschen later door bemiddeling van de heer P.L.de Bruijne van droge kleren
voorzien en in hotel “de Wijnberg” ondergebracht. De redders die doornat thuis
kwamen, waren allen zeer vermoeid, doch Schroevers en zijn zoons kenden die
vermoeienis niet. Het was eene redding van menschenlevens die hen reeds sedert
Zaterdagmiddag heeft bezield, en zij konden niet thuis blijven. Een ieder die
Schroevers en zijne zonen kent, weet dat men hem altijd bereid zal vinden hulp
te bieden en dat zij durven aanpakken.
De medailles van Schroevers
Thans echter hebben zij een redding volbracht waarover een ieder verbaasd
staat, en een woord van ruimschoots verdiende lof mag niet onthouden worden aan
Schroevers en zijne zonen voor de gevaarvolle redding, waarbij zij groot gevaar
liepen hun eigen leven te verliezen.
Wij hopen en verwachten dat deze helden, naast hun officieele belooning ook van
de zijde van de stadsgenooten zullen mogen ondervinden dat dit heldenwerk op den
rechten prijs wordt gesteld. Laat men daarom spoedig een commissie vormen die
zich zal belasten met het inzamelen van giften om deze kranige visschers te
toonen dat men gaarne zulk onverschrokken werk beloont. Wie neemt daartoe het
initiatief?
Van verschillende zijden, wordt ons verzocht er vooral op te wijzen dat het
onverantwoordelijk is dat toen men den botter gisterenmorgen hier zag aankomen
en deze door de ebbe moeite had binnen te komen, geen pogingen werden gedaan om
dat binnenkomen te verhaasten. Men wist toch niet of de geredde
schipbreukelingen soms gewond waren en zeker was het meer dan gewenscht dat deze
verkleumde menschen zoo spoedig mogelijk van droge kleeren werden voorzien. Men
verzekert ons van bevoegde zijde dat, zoo men den botter had geholpen om binnen
te komen,de geredden een uur eerder aan wal hadden kunnen zijn. Daar ons met
aandrang werd verzocht hierop vooral te wijzen voldoen wij hieraan.
Wij hebben heden, nu de schipbreukelingen wat op verhaal gekomen waren, een
onderhoud met enkelen der geredden gehad. Wij vernemen dat de stalen
driemastschoener “Doris” geladen was met pijpaarde en van Plymouth naar Gent
bestemd was. Het vaartuig was bruto 137 en netto 99 ton groot en in 1904 te
Appledow gebouwd. Het schip is als geheel verloren te beschouwen.
Met het vliegende stormweer in den nacht van Vrijdag op Zaterdag geraakte het
roer van het schip onklaar en was het dus een speelbal der golven. Het spreekt
vanzelf dat alle man aan dek was, vooral nu men ieder oogenblik voor stranding
bevreesd moest zijn, omdat het schip niet meer gestuurd kon worden. Zoo strandde
Zaterdagmorgen ongeveer 4 uur de “Doris” op de Noorderrassen onder Westkapelle
en het schip raakte dadelijk zoo vol water dat men zijn toevlucht moest nemen in
de masten. De kapitein, stuurman en een der matrozen en de kok vluchtten in den
achtersten mast, terwijl de matroos Johnson in den voormast klom. Men vreesde
onmiddellijk het ergste, omat de wilde zee het vaartuig voortdurend met kracht
bestookte. Het was niet mogelijk op welke wijze dan ook de aandacht op het
ongeluk te vestigen en moest de dag worden afgewacht en hadden de
schipbreukelingen zich inmiddels vastgesjord, behalve de kok.
Toen nu Zaterdagmorgen geen hulp kwam opdagen dachten de schipbreukelingen niet
anders dan dat zij allen verloren zouden zijn, temeer omdat de zee zoo wild
bleef.
De reddingsboot die des morgens was uitgevaren hadden zij nauwelijks bemerkt,
deze was volgens het zeggen van een der geredden “miles away”.
En zoo stonden de arme schipbreukelingen, wachtende of toch in het geheel geen
hulp zou opdagen. Echter de avond viel en nog steeds bleef de dood hun voor
oogen staan. Eindelijk werd nachts half twee een teeken gegeven dat hulp nabij
was; het was schipper Schroevers die daar was en hoe deze de redding volbracht
vertelden de geredden daarna uitvoerig. Dat zij de meeste achting voor hunne
redders hebben, wie zal daaraan nog twijfelen. Zij zouden het daarom zeer op
prijs stellen als zij als blijvend aandenken het portret van allen konden
meenemen. Daarom zijn gisteren en heden de redders in een groep gefotografeerd
en zullen de geredde schipbreukelingen, die waarschijnlijk Donderdag van hier
vertrekken de portretten kunnen meenemen, ten einde ook hun familieleden te
kunnen toonen aan welke eenvoudige, doch dappere zeelieden zij hun leven hebben
te danken.Het laat zich wel begrijpen dat de familie Schroevers gisteren en
heden van alle kanten gelukwenschen in ontvangst had te nemen en wij voegen
gaarne de onze daarbij.Voor zulke edele menschenredders past een eerbiedig
saluut.
Zijn echter zulke blijken van belangstelling en waardering voor de redders
aangename verrassingen, voor hun zelven evenwel is het feit dat hun schier
hopelooze strijd tegen de woedende elementen, met zulk een gunstigen uitslag is
bekroond geworden, de beste belooning.
Met eeen driewerf “hoera!” voor schipper Schroevers, zijn vijf zonen en den
kleinzoon, eindigen wij voor heden onze beschrijving van deze scheepsramp.
De grafsteen van Jacob Schroever en zijn vrouw